Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1347

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
18-221265-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging en poging tot dwang met oplegging contact- en locatieverbod

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor meerdere bedreigingen jegens zijn ex-schoondochter en een poging tot dwang gericht tegen medewerkers van de gemeente Opsterland. De feiten vonden plaats in 2025, waarbij verdachte onder meer met een koevoet de woning van het slachtoffer betrad en dreigde haar om het leven te brengen.

De rechtbank achtte de bedreigingen en poging tot dwang wettig en overtuigend bewezen. Verdachte werd niet volledig toerekeningsvatbaar geacht vanwege een aanpassingsstoornis met depressieve en angstklachten, wat leidde tot een vermindering van zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid.

De straf bestaat uit 150 dagen gevangenisstraf, waarvan 42 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en bijzondere voorwaarden waaronder een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling. Tevens werd een 38v-maatregel opgelegd met een contactverbod en locatieverbod voor drie jaar, met vervangende hechtenis bij overtreding.

De benadeelde partij kreeg een schadevergoeding toegewezen van €2.310,79 voor materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 augustus 2025. De rechtbank wees een deel van de vordering af wegens onvoldoende onderbouwing en verwees dat naar de civiele rechter.

De uitspraak weerspiegelt de ernst van de bedreigingen, de impact op het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij een evenwichtige strafoplegging en maatregel zijn getroffen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 150 dagen gevangenisstraf, deels voorwaardelijk, met een contact- en locatieverbod van drie jaar en een schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-221265-25
Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit verkort vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 maart 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.I. Veenstra, advocaat te Burgum. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door de officier van justitie mr.
R. D. van Essen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 4 augustus 2025 tot en met 5 augustus 2025 te Beetsterzwaag en/of te Gorredijk, in de gemeente Opsterland, meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een of meer medewerker(s) van de gemeente Opsterland de dreigende woorden toe te voegen:
“ik ga [slachtoffer] ombrengen en zorgen dat zij er niet meer is, want mijn kleinzoon is beter af zonder zijn moeder dat is het beste wat ik voor [naam 1] kan doen. Jullie denken dat ik dit net heb bedacht maar het is geen plan maar inmiddels meer een besluit. Ik ben me bewust wat ik aanricht aan verdriet maar ik laat mij hier niet van weerhouden. Mijn vrouw weet van dit plan en zij kan mij niet stoppen.” en/of
“Ik trek haar neus van haar hoofd en fileer haar gezicht zodat ze nog wel leeft maar niet meer toonbaar is”,
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, van welke bedreiging/dreigende woorden die [slachtoffer] op 5 augustus 2025 kennis heeft genomen;
2
hij in of omstreeks de periode van 4 augustus 2025 tot en met 5 augustus 2025 te Beetsterzwaag, in de gemeente Opsterland,
ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om
door bedreiging met geweld, een of meer medewerker(s) van de gemeente Opsterland te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden door aan die medewerker(s) een deadline te stellen dat zij, als gebiedsteam, een week de tijd krijgen om verandering te brengen in de situatie van zijn kleinkind [naam 1] , die bij zijn ex schoondochter [slachtoffer] verblijft anders zal hij [slachtoffer] ombrengen en zorgen dat zij er niet meer is,
althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te Gorredijk, in de gemeente Opsterland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een koevoet in de woning van die [slachtoffer] aanwezig te zijn en/of dat de tevens in die woning aanwezige ex schoonmoeder, genaamd [naam 2] , die [slachtoffer] (die zich in de badkamer van de woning bevond) de woorden heeft toegevoegd:
“de deur moet op slot want hij wil jou doodslaan met een koevoet”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1, 2 en 3.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van de eerste onder feit 1 ten laste gelegde passage. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte stellig ontkent dat hij dit heeft gezegd en het dossier geen steunbewijs bevat voor deze uitspraak. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht verdachte partieel vrij te spreken van de onder feit 2 opgenomen zinsnede inhoudende dat verdachte anders [slachtoffer] zal ombrengen en zorgen dat zij er niet meer is, nu ook niet bewezen kan worden dat verdachte dat heeft gezegd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de bewijsmiddelen toe zoals die zullen worden opgenomen in de eventueel later op te maken aanvulling van dit vonnis. Deze bewijsmiddelen bevatten de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, waarbij ieder bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts gebruikt is voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Die aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij in de periode van 4 augustus 2025 tot en met 5 augustus 2025 in de gemeente Opsterland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door medewerkers van de gemeente Opsterland de dreigende woorden toe te voegen:
“ik ga [slachtoffer] ombrengen en zorgen dat zij er niet meer is, want mijn kleinzoon is beter af zonder zijn moeder dat is het beste wat ik voor [naam 1] kan doen. Jullie denken dat ik dit net heb bedacht maar het is geen plan maar inmiddels meer een besluit. Ik ben me bewust wat ik aanricht aan verdriet maar ik laat mij hier niet van weerhouden. Mijn vrouw weet van dit plan en zij kan mij niet stoppen” en “Ik trek haar neus van haar hoofd en fileer haar gezicht zodat ze nog wel leeft maar niet meer toonbaar is”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, van welke bedreiging die [slachtoffer] op 5 augustus 2025 kennis heeft genomen;
2
hij in de periode van 4 augustus 2025 tot en met 5 augustus 2025 in de gemeente Opsterland,
ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door bedreiging met geweld, medewerkers van de gemeente Opsterland te dwingen iets te doen door aan die medewerkers een deadline te stellen dat zij, als gebiedsteam, een week de tijd krijgen om verandering te brengen in de situatie van zijn kleinkind [naam 1] , die bij zijn ex-schoondochter [slachtoffer] verblijft anders zal hij [slachtoffer] ombrengen en zorgen dat zij er niet meer is, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de
uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op 7 maart 2025 te Gorredijk [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een koevoet in de woning van die [slachtoffer] aanwezig te zijn en dat de tevens in die woning aanwezige ex-schoonmoeder, genaamd [naam 2] , die [slachtoffer] , die zich in de badkamer van de woning bevond, de woorden heeft toegevoegd:
“de deur moet op slot want hij wil jou doodslaan met een koevoet”.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,
en
bedreiging met zware mishandeling;
2. poging tot een ander door bedreiging met geweld, gericht tegen derden, wederrechtelijk dwingen iets te doen;
3. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 73 voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van drie jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering en de verplichting een ambulante behandeling te volgen. Daarnaast heeft zij
oplegging van de maatregel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gevorderd, inhoudende een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor de plaats Beetsterzwaag, voor een periode van vijf jaren, waarbij hechtenis wordt toegepast van één week per overtreding. De officier van justitie heeft eveneens de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en de 38v-maatregel gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel primair korter is dan of subsidiair gelijk is aan het voorarrest, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de psychologische Pro Justitia rapportage van 11 maart 2026, de aanvullende Pro Justitia rapportage neuropsychologisch en neurologisch onderzoek van 10 maart 2026, het reclasseringsadvies opgemaakt door Reclassering Nederland van 13 maart 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft aangeefster, zijn ex-schoondochter, meerdere malen ernstig bedreigd. Hij is op 7 maart 2025 met een koevoet haar woning binnengegaan. Aangeefster hield zich op dat moment schuil in de badkamer samen met haar minderjarige zoon, de kleinzoon van verdachte. Van de partner van verdachte begreep aangeefster dat zij de deur van de badkamer niet moest openen, omdat verdachte haar wilde doodslaan. Dit moet een zeer beangstigende situatie zijn geweest. Een aantal maanden later heeft verdachte in verschillende bewoordingen aan de bij de familie betrokken hulpverlening laten weten dat hij aangeefster om het leven zou brengen indien de hulpverlening niet binnen de door hem gestelde deadline verandering zou brengen in de situatie van zijn kleinzoon. Daarmee heeft hij niet alleen aangeefster wederom bedreigd, maar eveneens geprobeerd onder dreiging met geweld de hulpverlening onder druk te zetten. Het handelen van verdachte heeft grote impact gehad op aangeefster en haar zoon, zo blijkt ook uit de slachtofferverklaring die aangeefster ter zitting heeft voorgedragen. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.
Persoon van verdachte
Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 11 maart 2026, opgemaakt door drs.
M.C.G. Smeets, GZ-psycholoog. Het rapport houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:
Verdachte heeft in de periode voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten veel lichamelijke klachten ervaren, zoals slaapapneu, hoofdpijnklachten, een trombosebeen en longembolieën. Als gevolg van een aanwijsbare stressor, te weten de echtscheidingsproblematiek van zijn zoon en het slachtoffer, heeft hij depressieve klachten ontwikkeld zoals overmatig piekeren met soms waanachtig aandoende beelden over de toekomst van zijn kleinzoon en emotie- en gedragsregulatieproblemen, die zich hebben geuit in verdriet, boosheid en agressie, in ernst passend bij een aanpassingsstoornis. Daarnaast zijn problemen
met het werkgeheugen en een licht vertraagde snelheid van informatieverwerking waargenomen. Bij de drie ten laste gelegde feiten kan een doorwerking van de functionele beperkingen en de stoornissen worden onderbouwd. Indien bewezen wordt geadviseerd hem de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen.
Verdachte heeft passend bij een aanpassingsstoornis met een persisterend karakter depressieve- en angstklachten en gedrags- en emotieregulatieproblemen. Hij heeft geen gestructureerde dagbesteding of vrijetijdsbesteding, waardoor er weinig afleiding van het piekeren over of zorgen maken om zijn kleinzoon is. Indien hij weer in confrontatie komt met de stressor is niet uit te sluiten dat hij met zijn beperkte zelfbeheersing opnieuw de controle verliest over zijn emoties en/of gedrag. De verwachting is dat in deze situatie zonder toezicht en behandeling het risico op recidive in geweld matig zal zijn. Voor het vergroten van het ziektebesef en ziekte-inzicht wordt geadviseerd te starten met psycho-educatie. Voor het verminderen van de depressieve klachten en het leren reguleren van zijn gedrag en emoties wordt PMT en cognitieve gedragstherapie geadviseerd. Tot slot wordt voor het vergroten van de draagkracht van verdachte geadviseerd de behandeling van de slaapapneu weer op te pakken. Geadviseerd wordt om deze interventies en condities op te nemen als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel, in combinatie met reclasseringstoezicht.
Uit het reclasseringsadvies van 10 maart 2026 volgt dat de reclassering het risico op recidive inschat als laag-gemiddeld. De reclassering adviseert, mede gelet op de inhoud van de Pro Justitia rapportage, een deels voorwaardelijke straf met daaraan verbonden als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling gericht op de diagnostiek uit de Pro Justitia rapportage, een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod met betrekking tot de woonplaats Beetsterzwaag.
Verminderde toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank neemt de gemotiveerde conclusies van de psycholoog over. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten werd het (psychisch) functioneren van verdachte beïnvloed en beperkt door de bij hem aanwezige stoornis. Dit leidt tot het oordeel van de rechtbank dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.
Strafoplegging
De rechtbank houdt er bij de strafoplegging rekening mee dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte zijn toe te rekenen. Gelet op de aard en de ernst van de feiten, de context waarbinnen deze zijn gepleegd en de impact daarvan op aangeefster is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf de enige passende straf is.
Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van 150 dagen op, waarvan 42 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van voorarrest. Daarmee is het onvoorwaardelijke deel van de straf gelijk aan het voorarrest. Aan het voorwaardelijke deel verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling.
De rechtbank is tevens van oordeel dat oplegging van een maatregel ex artikel 38v Sr ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten door verdachte passend en geboden is. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat verdachte op geen enkele wijze direct of indirect contact mag hebben of zoeken met aangeefster [slachtoffer] en dat verdachte zich moet houden aan een locatieverbod, inhoudende dat hij zich niet mag bevinden in Beetsterzwaag. De rechtbank ziet aanleiding
de maatregel in duur te beperken tot drie jaar. Voor elke keer dat verdachte de maatregel overtreedt zal vervangende hechtenis voor de duur van één week worden opgelegd met in totaal een maximum van zes maanden.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen mogelijkheid om de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en/of de 38v-maatregel te bevelen. Uit zowel de Pro Justitia-rapportage als het reclasseringsadvies kan een laag tot matig recidiverisico worden afgeleid. Daarmee is er niet voldaan het vereiste voor dadelijke uitvoerbaarheid dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt.

Benadeelde partij

Ten aanzien van feiten 1 en 3
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 2.995,79 ter vergoeding van materiële schade en 900,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de immateriële schade en ten aanzien van de dubbele woonlasten en gemaakte reiskosten toegewezen kan worden, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om de vordering ten aanzien van de materiële schade af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe heeft zij aangevoerd dat Veilig Thuis slechts heeft geadviseerd dat wonen op een andere plek wenselijk is ter vermindering van de onrust, maar niet dat het objectief noodzakelijk is als gevolg van de strafbare feiten. De gemaakte reiskosten vloeien ook voort uit de keuze om te verhuizen, dus als de verhuizing niet een rechtstreeks gevolg is van de strafbare feiten kunnen de reiskosten tevens niet worden toegewezen. De toekomstige reiskosten en het eigen risico zijn niet toewijsbaar, nu het gaat om onduidelijke toekomstige schade.
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de immateriële schade verzocht om het gevorderde bedrag te matigen, nu het niet in verhouding staat tot de bewezen verklaarde feiten.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor de dubbele woonlasten en de gemaakte reiskosten overweegt de rechtbank het volgende.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade, te weten de dubbele woonlasten en de reiskosten in verband met het naar school brengen van haar zoon na de verhuizing, heeft geleden.
In een mail schrijft de procesregisseur van het gebiedsteam dat het noodzakelijk is dat de benadeelde partij vanwege ernstige bedreigingen uit [plaats] verhuist. De rechtbank overweegt daarbij dat benadeelde partij schuin tegenover verdachte woonde en dat zij verhuisd is na de bewezen verklaarde bedreigingen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is de verhuizing een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde en kunnen de dubbele woonlasten en gemaakte reiskosten in redelijkheid daaraan worden toegerekend. De rechtbank zal de vordering wat betreft die posten dan ook toewijzen.
De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de toekomstige reiskosten en het nog niet verbruikte eigen risico niet-ontvankelijk verklaren, nu behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij heeft ook vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen.
Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, kunnen de aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.
Bewezen verklaard is dat de benadeelde partij meermalen is bedreigd door verdachte. Bij een van de bedreigingen is hij met een koevoet naar binnen gegaan in haar woning, waardoor zij zichzelf moest opsluiten. De benadeelde partij heeft aangevoerd dat zij zich na de bedreigingen niet veilig voelde, slecht sliep en gestrest was. Uit de bijlagen bij het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat er gesprekken zijn geweest met Veilig Thuis en het gebiedsteam van de gemeente en dat zij hulp heeft gekregen van een ambulant begeleidster. Ook is onderbouwd dat de later gevolgde verhuizing het gevolg was van het bewezen verklaarde. De rechtbank is derhalve van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat hier sprake was van aantasting in haar persoon op andere wijze, als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Gelet op de aard van de bewezenverklaring, de omstandigheid dat verdachte in de woning van benadeelde partij is geweest met een koevoet en dat het gaat om twee momenten van bedreigingen, acht de rechtbank een bedrag van 900,00 aan immateriële schade billijk en zal de rechtbank de vordering ten aanzien van de immateriële schade toewijzen.
De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van 2.310,79, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2025, en voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, kan de benadeelde partij slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 284 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 42 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt, waarbij de reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn en contact met verdachte zal opnemen voor de eerste afspraak;
dat de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de ambulante forensische GGZ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start na aanmelding. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de diagnostiek vanuit de het NIFP onderzoek, waarbij een delict scenario zal worden opgesteld. De verdachte werkt mee aan het opgestelde behandelplan van de forensische GGZ instelling.
Geeft aan Reclassering Nederland, [adres] , de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Legt op de maatregeldat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met aangeefster [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1989.
Legt op de maatregeldat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren zich niet zal ophouden in Beetsterzwaag (provincie Friesland).
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan het voornoemde contact-en/of locatieverbod wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan het contact- en/of locatieverbod wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Ten aanzien van feiten 1 en 3
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 2.310,79 (zegge: tweeduizend driehonderdtien euro en negenenzeventig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.310,79 (zegge: tweeduizend driehonderdtien euro en negenenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1.410,79 aan materiële schade en 900,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 23 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. H.P. Eckert, rechters, bijgestaan door mr. S. Runia, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 april 2026.
De griffier is niet in staat om te tekenen.