ECLI:NL:RBNNE:2026:141

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
LEE 25/2494
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wet mrbArt. 35 Wet mrbArt. 35, tweede lid, Wet mrbArt. 35, derde lid, Wet mrbArt. 35, vijfde lid, Wet mrb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boetematiging bij naheffing motorrijtuigenbelasting wegens gebruik geschorst kenteken

Eiser was kentekenhouder van een BMW waarvan het kenteken geschorst was in twee periodes. Op 6 november 2024 werd vastgesteld dat de auto geparkeerd stond op een parkeerplaats aan een openbare weg, terwijl het kenteken geschorst was. De inspecteur legde een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) en een verzuimboete op. Eiser voerde aan dat de auto grotendeels op privéterrein stond en dat de boete onterecht was wegens afwezigheid van alle schuld (avas).

De rechtbank oordeelde dat het gebruik van de openbare weg tijdens schorsing de naheffing rechtvaardigt en dat tegenbewijs over het parkeren op privéterrein niet relevant is voor de hoogte van de aanslag. De verzuimboete was terecht opgelegd, maar de hoogte ervan was niet passend gezien de omstandigheden, waaronder het feit dat de auto een groot deel van de periode op privéterrein stond en het een eerste verzuim betrof.

De rechtbank matigde de boete tot € 100, vernietigde het bezwaar tegen de boete en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak is gedaan door rechter M.T.M. Hennevelt op 27 januari 2026.

Uitkomst: De naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting wordt bevestigd, maar de verzuimboete wordt gematigd tot € 100.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2494
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.N. Huisman),
en

de inspecteur van de Belastingdienst CAP/kantoor Apeldoorn, de inspecteur

(gemachtigde: [gemachtigde inspecteur] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 juni 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiser een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting (MRB) van € 798 opgelegd.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur eiser een verzuimboete van € 399 opgelegd.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op (een digitale) zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn de gemachtigde deelgenomen. Namens de inspecteur zijn [persoon 1] en [persoon 2] verschenen.

Feiten

2. Eiser is sinds 6 september 2022 kentekenhouder van een BMW 3 Serie met het kenteken [kenteken] (de auto). Op verzoek van eiser is de tenaamstelling in het kentekenregister van het kenteken geschorst geweest van 20 februari 2023 tot 20 februari 2024 en van 27 februari 2024 tot 27 februari 2025.
3. Op 6 november 2024 is geconstateerd dat de auto geparkeerd stond op een parkeerplaats aan de [straatnaam] in [woonplaats] .
4. De inspecteur heeft op 1 april 2025 aan eiser een naheffingsaanslag MRB opgelegd van € 798 voor de periode 10 november 2023 tot en met 9 november 2024. Hierbij heeft de inspecteur rekening gehouden met de MRB die eiser al had betaald voor het korte tijdvak gedurende deze periode waarin geen schorsing gold (zie 2.). Ook heeft de inspecteur een verzuimboete van € 399 opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en verzuimboete terecht en naar de juiste bedragen heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. De rechtbank is verder van oordeel dat de verzuimboete terecht is opgelegd, maar dat de hoogte van de verzuimboete niet passend en geboden is. De rechtbank zal de verzuimboete daarom verminderen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht, maar naar een te hoog bedrag is opgelegd. Eiser voert daartoe aan dat hij tegenbewijs heeft geleverd, inhoudende dat de auto in de periode van 20 maart 2023 tot en met 14 september 2024 bij een kennis op privéterrein heeft gestaan en niet op de weg. Deze periode beslaat drie van de vier tijdvakken waarover de naheffingsaanslag is berekend. Hierom moet de naheffingsaanslag tot € 199,50 (een vierde) worden verminderd. Eiser betoogt daarnaast dat de verzuimboete moet worden vernietigd, omdat sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas).
8. De inspecteur is van mening dat de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld.
Naheffingsaanslag
9. De rechtbank overweegt als volgt. Voor een motorrijtuig waarvoor de tenaamstelling van het kenteken is geschorst, wordt geen MRB geheven. Aan zo’n schorsing zijn voorwaarden verbonden. Eén van de voorwaarden is dat met het motorrijtuig waarvan het kenteken is geschorst geen gebruik wordt gemaakt van de openbare weg. [1] Als de schorsing eindigt omdat met het motorrijtuig gebruik van de weg wordt gemaakt, kan de inspecteur een naheffingsaanslag opleggen. [2] De na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aansluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin gebruik is gemaakt van de weg. [3]
10. Omdat de auto van eiser op de parkeerplaats stond aan de [straatnaam] , heeft eiser met de auto gebruik gemaakt van de openbare weg. Omdat eiser gebruik heeft gemaakt van de openbare weg terwijl de tenaamstelling van het kenteken van de auto op dat moment geschorst was, mocht de inspecteur MRB naheffen.
11. Dat eiser gedurende een deel van de periode waarover de naheffingsaanslag is berekend met de auto geen gebruik heeft gemaakt van de openbare weg, is niet van belang bij het bepalen van de hoogte van de naheffingsaanslag. [4] Anders dan de gemachtigde van eiser betoogt, is het dus niet mogelijk tegenbewijs te leveren door erop te wijzen dat de auto gedurende een gedeelte van de naheffingsperiode op privéterrein heeft gestaan. De mogelijkheid tot tegenbewijs waarin artikel 35 van Pro de Wet mrb voorziet, heeft alleen betrekking op gevallen waarin (i) het motorrijtuig over een gedeelte van de tijdsduur van de vier tijdvakken niet op naam heeft gestaan van degene die het motorrijtuig houdt [5] en (ii) al belasting is betaald voor de periode waarover is nageheven. [6] Voor zover geval (ii) hier aan de orde is, heeft de inspecteur daarmee al rekening gehouden. Geval (i) is hier niet aan de orde. Anders dan de gemachtigde op de zitting heeft betoogd, blijft een motorrijtuig namelijk ook tijdens de schorsing van de tenaamstelling in het kentekenregister op naam staan van de houder van dat motorrijtuig als bedoeld in artikel 35, derde lid, Wet mrb. [7]
12. Het voorgaande betekent dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag heeft opgelegd.
Verzuimboete
13. De inspecteur kan een verzuimboete opleggen van 50% van de nageheven belasting. [8] Het opleggen van een verzuimboete moet achterwege blijven als sprake is van avas. Er is sprake van avas als een belastingplichtige stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat hij alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat het verzuim niet zou worden begaan.
14. Eiser heeft gewezen op bouwwerkzaamheden bij de kennis waar de auto gestald stond, waardoor hij wel gedwongen was om de auto te verplaatsen. Eiser had toen gezondheidsproblemen, die veel tijd en aandacht van hem vroegen. Ook heeft eiser ter zitting verklaard dat hij zijn best heeft gedaan om de auto op privéterrein te stallen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze omstandigheden onvoldoende voor de conclusie dat eiser in redelijkheid geen verwijt kan worden gemaakt. Tegenover betwisting door de inspecteur, is niet aannemelijk gemaakt op welke manieren eiser zich heeft ingespannen om de auto op een alternatieve locatie onder te brengen. Daarbij komt dat van een parkeerplaats langs de openbare weg evident is, en ook voor eiser evident had moeten zijn, dat dit geen privéterrein betreft. Tot slot had eiser opheffing van de schorsing kunnen aanvragen om te voorkomen dat te weinig MRB zou worden geheven. De inspecteur heeft de verzuimboete daarom terecht opgelegd.
15. Met betrekking tot de hoogte van de verzuimboete beoordeelt de rechtbank in het kader van de individuele straftoemeting, gelet op alle in aanmerking komende omstandigheden, of de opgelegde verzuimboete passend en geboden is. Daartoe behoort ook de omstandigheid dat de hoogte van de nageheven belasting in dit geval is komen vast te staan met toepassing van een berekeningsvoorschrift. [9] Dit betekent overigens niet zonder meer dat bij de berekening van de hoogte van de verzuimboete altijd moet worden uitgegaan van een lager bedrag aan niet-betaalde belasting dan het bedrag van de nageheven belasting. Indien vaststaat dat gedurende een periode geen gebruik van de openbare weg is gemaakt met een motorrijtuig waarvan het kenteken is geschorst, kan dit echter een omstandigheid zijn die een matiging van de boete rechtvaardigt. [10] Dit omdat in dergelijke situaties het berekenen van de boete over het volledige bedrag aan belasting kan leiden tot een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de opgelegde boete. [11]
16. Eiser heeft toegelicht dat de auto gedurende een groot gedeelte van de naheffingsperiode geparkeerd stond op privéterrein van een kennis (zie 7.). De inspecteur heeft dit niet weersproken. Bovendien is hier sprake van een eerste verzuim. De inspecteur heeft op de zitting weliswaar gesuggereerd dat eiser de schorsingsvoorwaarden misschien wel vaker heeft geschonden, maar die suggestie is zonder enige basis. Al deze omstandigheden in aanmerking nemende, acht de rechtbank een matiging van de boete op haar plaats. Alles overwegende, acht de rechtbank een boete van € 100 passend en geboden.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de verzuimboete. De rechtbank vermindert de verzuimboete tot een bedrag van € 100.
18. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Ter zitting hebben partijen afgesproken dat eiser bij een gegrond beroep aanspraak maakt op een proceskostenvergoeding van € 2.534.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;
- wijzigt de boetebeschikking waarbij de boete nader wordt vastgesteld op € 100;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.534 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.T.M. Hennevelt, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.R. Bontsema, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 27 januari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 19, eerste lid, Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet mrb), in samenhang met de artikelen 67, eerste lid en 68, eerste lid, onderdeel d, Wegenverkeerswet 1994.
2.Artikel 35 Wet Pro mrb.
3.Artikel 35, tweede lid, Wet mrb.
4.Hoge Raad 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:973, r.o. 3.3.4.
5.Artikel 35, derde lid, Wet mrb.
6.Artikel 35, vijfde lid, Wet mrb.
7.Vgl. Kamerstukken II 1990/91, 22 030, nr. 3, blz. 31.
8.Artikel 35 en Pro 37 Wet mrb, in samenhang met artikel 67c Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.
9.Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483, r.o. 5.10.2 en 5.10.3.
10.Zie ook gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6458, r.o. 4.20 onder verwijzing naar Hoge Raad 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:973.
11.Zie wederom gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6458.