Belanghebbende was houder van een Peugeot waarvan het kentekenbewijs in twee perioden was geschorst. Ondanks een stallingsovereenkomst en verblijf in het buitenland constateerde de Belastingdienst op 20 augustus 2011 gebruik van de weg met de auto tijdens schorsing.
De Inspecteur legde een naheffingsaanslag en een verzuimboete van 100% op. De Rechtbank verklaarde het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond, maar vernietigde de boete. Zowel belanghebbende als de Inspecteur gingen in hoger beroep.
Het hof oordeelt dat de Inspecteur voldoende bewijs heeft geleverd met een duidelijke foto waarop het kenteken en het type auto herkenbaar zijn. De stelling van belanghebbende dat het kenteken mogelijk op een andere auto zat, is niet aannemelijk gemaakt. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd volgens de wettelijke regeling die een naheffing over vier aaneengesloten kwartalen voorschrijft.
De verzuimboete is passend en geboden, omdat geen sprake is van afwezigheid van schuld en geen omstandigheden tot matiging aannemelijk zijn. Het hof vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond, het beroep van de Inspecteur gegrond.