Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1412

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
18-254270-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m SrArt. 77n Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor zware mishandeling met werkstraf en deels toegewezen schadevergoeding

Op 26 september 2025 heeft verdachte tijdens een festival in Siddeburen het slachtoffer met een beenveeg onderuit gehaald en vervolgens met kracht tegen het hoofd geschopt, waardoor het slachtoffer bewusteloos raakte en hersenkneuzingen, een wenkbrauwwond en gebitsschade opliep.

De rechtbank acht poging tot doodslag niet bewezen vanwege onvoldoende bewijs van opzet en een aanmerkelijke kans op overlijden. Wel is zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen, specifiek het eenmalig schoppen tegen het hoofd.

De rechtbank legt een werkstraf van 120 uren op, met een vervangende jeugddetentie van 60 uren indien de werkstraf niet wordt uitgevoerd. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding wordt deels toegewezen tot een bedrag van €6.323,94, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente.

De rechtbank houdt rekening met de ernst van het letsel, de omstandigheden van het incident, de persoonlijke situatie van verdachte, die geen eerdere justitiële contacten heeft en spijt betuigt, en het lage herhalingsgevaar. De straf is mede gericht op het bevorderen van herstel en het voorkomen van verdere escalatie.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uren werkstraf voor zware mishandeling en deels toegewezen schadevergoeding van €6.323,94.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-254270-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 april 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. van Slooten.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 26 september 2025 te Siddeburen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, opzettelijk:
  • één of meerdere malen met kracht (met gebalde vuist) tegen en/of in het gezicht en/of op het hoofd, althans tegen het lichaam van [slachtoffer] , heeft geslagen en/of heeft gestompt; en/of
  • één of meerdere malen met kracht (met zijn rechterbeen) tegen het hoofd, althans het lichaam van [slachtoffer] , heeft geschopt/getrapt terwijl [slachtoffer] op de grond lag,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair:
hij op of omstreeks 26 september 2025 te Siddeburen, althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door deze
  • één of meerdere malen met kracht (met gebalde vuist) tegen en/of in het gezicht en/of op het hoofd, althans tegen het lichaam van [slachtoffer] , te slaan en/of te stompen; en/of
  • één of meerdere malen met kracht (met zijn rechterbeen) tegen het hoofd, althans het lichaam van [slachtoffer] , te schoppen/trappen terwijl [slachtoffer] op de grond lag;
meer subsidiair:
hij op of omstreeks 26 september 2025 te Siddeburen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen [slachtoffer] ,
opzettelijk:
  • één of meerdere malen met kracht (met gebalde vuist) tegen en/of in het gezicht en/of op het hoofd, althans tegen het lichaam van [slachtoffer] , heeft geslagen en/of heeft gestompt; en/of
  • één of meerdere malen met kracht (met zijn rechterbeen) tegen het hoofd, althans het lichaam van [slachtoffer] , heeft geschopt/getrapt terwijl [slachtoffer] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde poging tot doodslag - gevorderd. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Gelet op de camerabeelden, de fotos van het letsel en de medische verklaring kan het niet anders dat verdachte het slachtoffer met enorme kracht tegen het hoofd heeft getrapt. Verdachte heeft voorwaardelijk opzet gehad op de dood van het slachtoffer.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat moet worden gekeken naar de handelingen die zijn verricht door verdachte. Het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen is niet kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel. Wel kan het meest subsidiaire feit poging tot zware mishandeling worden bewezen.
Oordeel van de rechtbank
Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij tijdens het uitgaan van achteren is aangevallen. Hij is bewusteloos geraakt en kan zich daarna niets meer herinneren. Verdachte heeft verklaard aangever met een beenveeg onderuit te hebben gehaald en vervolgens tijdens zijn val te hebben geschopt tegen het hoofd. Als gevolg van dit voorval heeft aangever hersenkneuzingen, een wenkbrauwwond en gebitsschade opgelopen.
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit poging tot doodslag - niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van vol opzet op de dood, nu de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte en de verklaring van verdachte daarvoor geen aanknopingspunt vormen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat noch op grond van algemene ervaringsregels noch anderszins kan worden vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. Het dossier bevat onvoldoende informatie over onder meer de intensiteit van de schop en of deze een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het primair tenlastegelegde.
De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft aangever eenmaal met zijn rechterbeen tegen het hoofd geschopt. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte aangever heeft geslagen of gestompt en spreekt hem van dit onderdeel van de tenlastelegging vrij.
Aangever is een nacht in het ziekenhuis opgenomen geweest. Bij neurologisch onderzoek werden geen afwijkingen gevonden. De gebitsschade bestaat eruit dat er stukken van twee voortanden zijn afgebroken en dat de grote snijtand linksboven niet meer te behouden is. Indien mogelijk zal er een implantaat gemaakt moeten worden. Verdachte zal hiervoor doorverwezen worden naar een endodontoloog en implantoloog. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank dat gelet op de aard van het letsel, de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel sprake van zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte op de terechtzitting van 10 april 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Ik heb [slachtoffer] met een beenveeg onderuit gehaald en hem vervolgens eenmaal tegen zijn hoofd geschopt.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 september 2025, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025262364 d.d. 29 september 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
Ik was afgelopen vrijdagavond en nacht 26 september 2025 op zaterdag 27 september 2025 naar een soort festival in Siddeburen. Toen we buiten waren werden mijn vrienden en ik ineens van achteren aangevallen. Ik weet zelf niet meer precies wat er gebeurd is omdat ik bewusteloos ben geraakt.
3. Een schriftelijk stuk, te weten een geneeskundige verklaring (als bijlage bij de vordering benadeelde partij), op 27 september 2025 opgemaakt en ondertekend door [arts] , neuroloog, voor zover inhoudende, als haar verklaring:
Dhr. [slachtoffer] , geb. [geboortedatum] -2006, was opgenomen van 27-09-2025 tot 28-09-2025 op de afdeling Neurologie van het [ziekenhuis] .
Aanvullend onderzoek:
Conclusie:
Een grote hemorragische contusiehaard links temporaal met ook kleine enkele kleine bloeding foci links temporaal.
4. Een schriftelijk stuk, te weten een geneeskundige verklaring (als bijlage bij de vordering benadeelde partij), op 7 april 2026 opgemaakt en ondertekend door [tandarts] , tandarts, voor zover inhoudende, als haar verklaring:
Bij deze laat ik weten dat ik op 2 oktober 2025 [slachtoffer] heb gezien met ernstige schade aan zijn voortanden. Er zijn stukken van zijn twee voortanden af en ik heb [slachtoffer] verwezen naar de endodontoloog, bij terugkoppeling is gebleken dat de grote snijtand linksboven helaas niet meer te behouden is. Het is mogelijk dat er op termijn meer schade aan zijn gebit blijkt te zijn agv het opgelopen trauma. Indien mogelijk zal er na verlies een noodvoorziening en daarna implantaat gemaakt moeten worden en een nette restauratie van de rechter voortand.
Meneer zal hiervoor verwezen worden naar een implantoloog.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij omstreeks 26 september 2025 te Siddeburen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door deze
- eenmaal met kracht (met zijn rechterbeen) tegen het hoofd, te schoppen/trappen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1.
subsidiairzware mishandeling.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een werkstraf van 100 uren en een jeugddetentie van 63 dagen met aftrek waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor het opleggen van een deels voorwaardelijke werkstraf, waarbij het onvoorwaardelijke deel minder dient te zijn dan de geëiste 100 uren.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 30 maart 2026, het rapport van de jeugdreclassering van 2 april 2026, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 februari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte was met zijn vriendengroep op een festival in Siddeburen. Er ontstond wat duw- en trekwerk tussen meerdere groepen. Verdachte werd op zijn schouder getikt door het latere slachtoffer, waarna verdachte hem met een beenveeg onderuit heeft gehaald en hem vervolgens tegen het hoofd heeft geschopt. Het slachtoffer is hierna bewusteloos geraakt waarna verdachte is weggelopen. Door dit door verdachte uitgeoefende geweld heeft het slachtoffer hersenkneuzingen opgelopen. Ook mist hij stukken van zijn twee voortanden en is zijn snijtand niet meer te behouden. Daarnaast heeft hij een wond opgelopen aan zijn wenkbrauw.
Verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer . Het behoeft geen uitleg dat het een grote impact heeft op persoon wanneer zij slachtoffer wordt van dergelijk geweld.
De persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte is gebleken dat hij niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.. De rechtbank neemt tevens in overweging dat het incident plaatsvond in het kader van opstootjes tussen meerdere groepen. Verdachte leek niet op zoek te zijn naar een gevecht. Ook neemt verdachte verantwoordelijkheid voor zijn handelen. Hij heeft spijt betuigd en staat open voor mediation met het slachtoffer. Hij heeft hij zich sinds 30 september 2025 goed aan de schorsende voorwaarden gehouden. Het herhalingsgevaar wordt door zowel de Raad als de jeugdreclassering als laag ingeschat. Er zijn weinig zorgen over verdachte. Op alle leefgebieden lijkt hij zijn leven op orde te hebben.
De Raad heeft geadviseerd om verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk staat aan de duur van het voorarrest. Daarbij achten zij geen bijzondere voorwaarden nodig. Daarnaast acht de Raad een onvoorwaardelijke werkstraf passend.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat de samenleving en verdachte zijn gebaat bij het voortduren van de huidige positieve situatie van verdachte, en dat er een belang is om de ontwikkeling van verdachte niet op voorhand te frustreren door het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Er lijkt sprake te zijn geweest van een incident en het herhalingsgevaar wordt als laag ingeschat. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijke straf als stok achter de deur.
Alles afwegende acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 323,94 ter vergoeding van materiële schade, waarvoor een pro memorie post is gesteld, en 8.000,- ter vergoeding van immateriële schade, waarvoor een pro memorie post is gesteld, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële deel van de vordering volledig kan worden toegewezen. Voor het immateriële deel van de vordering heeft de raadsman verzocht het bedrag aanzienlijk te matigen gelet op het ontbreken van een gedegen onderbouwing. Uit de brief van de neuroloog is gebleken dat het goed gaat met het slachtoffer. Er dient te worden gekeken naar hoofdstuk 13 van de Rotterdamse schaal, te weten licht letsel. Dat gaat uit van een bandbreedte tussen 725,- tot 2.175,- bij een herstelperiode van twee tot vier maanden. Voor wat betreft de gebitsschade wordt verwezen naar de hoogste categorie van hoofdstuk 9 sub F, maar dient er te worden aangesloten bij categorie 4 of 5. Dat ligt op een bandbreedte van 500,- en 2.500,-.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 27 september 2025.
Naar het oordeel van de rechtbank is ook voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van lichamelijk letsel immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Bij het vaststellen van de omvang van de geleden schade zoekt de rechtbank aansluiting bij de Rotterdamse schaal. Ten aanzien van de schedelbeschadiging sluit de rechtbank aan bij de categorie II van beschadiging van tanden. Twee voortanden missen stukken en de snijtand linksboven is niet meer te redden. De rechtbank acht een schadebedrag van 6.000,- passend.
De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van 6.323,94 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 302 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 60 uren zal worden toegepast.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang.

Benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 6.323,94 (zegge: zesduizend driehonderddrieëntwintig euro en vierennegentig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 september 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 6.323,94 (zegge: zesduizend driehonderddrieëntwintig euro en vierennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 323,94 aan materiële schade en 6.000,- aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.B.W. Venema en mr.
S.R. Huisman, rechters, bijgestaan door J. Kunst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2026.
Mr. S.R. Huisman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.