Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1567

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
LEE 26/1185
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting kamer op grond van artikel 13b Opiumwet

De burgemeester van Stadskanaal heeft op grond van artikel 13b van de Opiumwet besloten een kamer te sluiten voor drie maanden vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid cocaïne en aanwijzingen voor drugshandel. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening tegen deze sluiting.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting en dat de sluiting in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid. De sluiting is geschikt en noodzakelijk gelet op de aangetroffen hoeveelheid harddrugs, verpakkingsmateriaal en contant geld, en de meldingen over drugshandel. De evenwichtigheid van de maatregel is beoordeeld tegen de belangen van verzoeker, die onder meer medische aandoeningen aanvoert, maar onvoldoende heeft aangetoond dat hij daardoor een bijzondere binding met de kamer heeft.

Wel is geoordeeld dat de burgemeester ten onrechte geen begunstigingstermijn heeft gehanteerd, waardoor verzoeker niet de gelegenheid kreeg zijn bezittingen, waaronder medicatie, uit de kamer te halen. Dit gebrek leidt echter niet tot het treffen van een voorlopige voorziening, mede omdat niet is gebleken dat verzoeker nog belang heeft bij het ophalen van spullen. Het verzoek wordt daarom afgewezen en de sluiting blijft van kracht.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de kamer wordt afgewezen en de sluiting blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1185
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1 uit plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. G.G. Compagner),
en

de burgemeester van de gemeente Stadskanaal

(gemachtigde: mr. K.H.K. Nuweif).

Als derde-partij neemt aan het geding deel [naam 2 uit plaats] .

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van een kamer aan [adres] (de kamer) op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor de duur van drie maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 2 april 2026 heeft de burgemeester aangekondigd de kamer gedurende 3 maanden te sluiten en gesloten te houden, ingaande 3 april 2026 om 15:00 uur. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Niet in geschil is dat verzoeker, gelet op de aard van de zaak, een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek aan de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Bij een beoordeling van een woningsluiting op grond van artikel 13b Opiumwet geldt op basis van de rechtspraak een beoordelings- en toetsingskader. Allereerst moet worden vastgesteld of de burgemeester bevoegd is om tot sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet over te gaan. Vervolgens moet worden beoordeeld of de sluiting evenredig is. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet in dit kader worden beoordeeld of sluiting van een pand geschikt en noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat ter plaatse en het herstel van de openbare orde. Als de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, dient hij zich er ten slotte van te vergewissen dat de sluiting evenwichtig is, ook als de sluitingsduur zoals in dit geval in overeenstemming is met de duur die volgt uit de van toepassing zijnde beleidsregel. [1]
Was de burgermeester bevoegd om de kamer te sluiten?
5. Niet in geschil is dat de burgemeester bevoegd is om tot sluiting van de kamer over te gaan. Deze bevoegdheid vloeit voort uit het aantreffen van een handelshoeveelheid cocaïne (opgenomen in lijst I van de Opiumwet).
Is de sluiting in overeenstemming met het gemeentelijke beleid?
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat de sluiting van de kamer voor de duur van drie maanden in overeenstemming is met de “Beleidsregels sluiting en heropening panden / woningen [plaats] 2025” (de Beleidsregels). Volgens hoofdstuk 1 wordt voor woningen bij een sluiting in beginsel uitgegaan van een sluitingsperiode van drie maanden.
Heeft de burgemeester gebruik kunnen maken van de sluitingsbevoegdheid?
7. Over het gebruikmaken van de bevoegdheid overweegt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de AbRS) in de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025 [2] dat de last onder bestuursdwang een herstelmaatregel is voor het beëindigen, tenietdoen of voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van de woning en de duur ervan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid, wat betekent dat de burgemeester de betrokken belangen af moet wegen. De bestuursrechter toetst aan de hand van de verzoeksgronden of de burgemeester tot zijn besluit heeft mogen komen. Omdat een woningsluiting een forse inbreuk kan maken op grondrechten van de bewoners, zal de toetsing bij woningsluitingen doorgaans indringend zijn. Uit het evenredigheidsbeginsel vloeit voort dat onnodig zware gevolgen voorkomen moeten worden. De beoordeling van de evenredigheid vergt daarom van zowel het bestuur als de bestuursrechter een scherp inzicht in alle relevante feiten en omstandigheden en een afgewogen en deugdelijk gemotiveerd oordeel over de vraag welke gevolgen voor welke belanghebbenden (nog) wel of juist niet (meer) evenredig zijn.
Is de sluiting van de kamer een geschikt middel om de beoogde doelen te bereiken en was de sluiting van de kamer noodzakelijk?
8. Over de geschiktheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat tijdsverloop tussen de constatering van de overtreding en de sluitingsdatum ertoe kan leiden dat de sluiting redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen van de sluiting. Door tijdsverloop kan het zijn dat de onrechtmatige situatie al is hersteld. Ook kan het zijn dat beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. De burgemeester moet beoordelen of de sluiting gelet op het tijdsverloop en op de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt.
8.1.
Over de noodzakelijkheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat de vraag aan de orde is of de burgemeester met een minder ingrijpend middel, als een last onder dwangsom of een waarschuwing, had kunnen en moeten volstaan. De burgemeester betrekt de effecten op de omgeving van de overtredingen van de Opiumwet. Verschillende omstandigheden zijn van belang, waaronder de aard en de hoeveelheid van de aangetroffen drugs, de risico’s daarvan op verdere criminaliteit, of het gaat om hard- of softdrugs, of de drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, de feitelijke bekendheid als drugspand, de toeloop, overlast en (gevoelens) onveiligheid in de omgeving, of er in de nabije omgeving al vaker drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit hebben voorgedaan, of aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel en of de woning eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. Ten slotte dient de burgemeester, net als bij de geschiktheid, ook bij de beoordeling van de noodzakelijkheid het tijdsverloop te betrekken.
9. Verzoeker betoogt dat er sprake is van een geringe hoeveelheid cocaïne en dat deze hoeveelheid gezien kan worden als een gebruikershoeveelheid. Voor de burgemeester geldt er dan een verzwaarde motiveringsplicht. De burgemeester heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de sluiting van de kamer noodzakelijk is. Daarnaast heeft verzoeker aangegeven dat er concrete bewijzen ontbreken die tot de conclusie kunnen leiden dat er sprake is van handel in verdovende middelen. Hiertoe heeft verzoeker aangegeven dat het gaat om een kamer in een pand met meerdere bewoners waardoor het niet duidelijk is of de meldingen over drugshandel ook daadwerkelijk zien op de kamer van verzoeker.
10. Ten aanzien van de noodzakelijkheid heeft de burgemeester in het bestreden besluit overwogen dat er een groot aantal meldingen over verzoeker en zijn kamer bij de politie zijn gedaan waarin wordt gesproken over handel in verdovende middelen, dat sprake is van een handelshoeveelheid harddrugs, dat er in dit pand eerder is opgetreden tegen handel in verdovende middelen oftewel dat de kamer in een voor drugscriminaliteit kwetsbaar pand ligt. Gelet hierop is de noodzaak voor de sluiting, overeenkomstig het beleid, voor de duur van drie maanden gegeven.
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester in dit geval, gelet op de feiten en omstandigheden die volgen uit het dossier, op goede gronden heeft kunnen beslissen dat de noodzaak bestond om de kamer te sluiten voor drie maanden. Er is namelijk een hoeveelheid harddrugs aangetroffen die de gebruikershoeveelheid overschrijdt. Daarbij komt dat er sprake is van verschillende in de Beleidsregels beschreven handelsindicaties bij harddrugs, zoals de aangetroffen verpakkingsmaterialen en het contante geld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester gelet daarop de sluiting van de kamer geschikt heeft kunnen achten. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat verzoeker zijn standpunt dat het verpakkingsmateriaal van iemand anders is niet heeft onderbouwd en dat verzoeker ook voor wat betreft het aangetroffen contante geld in de kamer geen verklaring heeft gegeven. Voor zover verzoeker heeft aangegeven dat de MMA-meldingen onvoldoende concreet zijn overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De MMA-meldingen zijn niet heel recent en van overlast of feitelijke drugshandel vanuit de kamer van verzoeker blijkt uit deze meldingen niet. Wel blijkt uit deze meldingen dat verzoeker in verband wordt gebracht met handel in drugs. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester deze meldingen als ondersteunend bewijs voor de handel kunnen gebruiken.
Was de sluiting van de kamer evenwichtig?
12. Over de evenwichtigheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat bij de beoordeling van de evenwichtigheid de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid, dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Wel dient de burgemeester aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning - die een inmenging in het in artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht kan vormen - een zwaar gewicht toe te kennen bij beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt.
12.1.
Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van de degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste dient de burgemeester zich er rekenschap van te geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. En ook dat de huurder door sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio.
13. Verzoeker betoogt dat de sluiting voor hem ingrijpende gevolgen heeft. Hij verliest zijn woonruimte en loopt daardoor het risico op dakloosheid. Ook heeft verzoeker diabetes mellitus en is hij hypogevoelig. Hij is afhankelijk van insuline en dit dient in de koelkast bewaard te worden.
14. Met betrekking tot de evenwichtigheid heeft de burgemeester in het bestreden besluit – onder meer en samengevat – overwogen dat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij (medisch) is gebonden aan deze kamer. Daarnaast heeft de burgemeester aangevoerd dat niet is gebleken dat verzoeker inspanningen heeft geleverd om een vervangend onderkomen te vinden. Hierbij heeft de burgemeester aangegeven dat het primair verzoeker zijn eigen verantwoordelijkheid is om vervangende woonruimte te vinden. De burgemeester heeft zelf ook op internet het aanbod van huurwoningen / kamers bekeken en daaruit is gebleken dat er wel huurwoningen worden aangeboden. Ook zijn er binnen de gemeente verschillende makelaars die een wisselend aanbod van beschikbare huurwoningen hebben en is er een vakantiepark waar verzoeker mogelijk tijdelijk terecht kan. Ook kan verzoeker contact opnemen met Welstand Stadskanaal. Deze organisatie kan ondersteuning bieden bij het vinden van een vervangend onderkomen. Ten slotte heeft de burgemeester aangegeven dat verzoeker in het uiterste geval terecht kan bij een maatschappelijke opvang voor een tijdelijk verblijf.
15. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door verzoeker benoemde omstandigheden niet maken dat de sluiting van de kamer niet evenwichtig is. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
15.1.
Allereerst overweegt de voorzieningenrechter dat het inherent is aan een sluiting van een pand, dat het pand enige tijd niet kan worden gebruikt en dat dit voor de betrokkene(n) tot nadeel leidt. Dit levert op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op die de sluiting onevenredig maakt. Daarbij komt dat niet is gebleken dat vanwege de medische situatie van verzoeker er sprake is van een bijzondere binding met deze kamer. Er zijn geen speciale aanpassingen in de kamer verricht. Verzoeker heeft toegelicht dat hij diabetes mellitus heeft en dat hij zijn insuline dient te bewaren in de koelkast. Dit maakt, aldus verzoeker, dat het voor hem van groot belang is om in een stabiele en veilige woonomgeving te leven zodat hij regelmatig kan eten, zijn bloedsuiker kan controleren en zijn insuline tijdig kan toedienen. Daar tegenover staat het algemene belang bij het herstel en behoud van de openbare orde, dat de burgemeester voorstaat. Door de sluiting wordt de kamer uit het criminele milieu onttrokken. Hiermee kunnen potentiële, openbare orde verstorende situaties worden voorkomen. Dit belang heeft de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder mogen laten wegen.
15.2.
Voor zover verzoeker heeft betoogt dat door de sluiting van zijn kamer dakloosheid dreigt overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De burgemeester dient bij het besluit tot sluiting van de kamer de gevolgen van deze sluiting voor verzoeker mee te wegen in het kader van de evenwichtigheid van het besluit. Uit de gedingstukken blijkt dat de burgemeester dit heeft gedaan. Verder kan aan het betoog van verzoeker niet de waarde worden toegekend die verzoeker hieraan graag toegekend zou zien. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker ter zitting heeft verklaard dat er nog geen contact is geweest met de verhuurder van de kamer. Ook heeft verzoeker niet aangetoond dat hij – gelet op zijn financiën – niet in staat is om vervangende woonruimte te vinden. Verder is niet gebleken dat verzoeker heeft geprobeerd om vervangende woonruimte te vinden en dat hij hierin niet is geslaagd. Ten slotte betrekt de voorzieningenrechter bij zijn oordeel dat de burgemeester erop heeft gewezen dat verzoeker zich voor hulp bij het vinden van vervangende woonruimte kan wenden tot Welstand Stadskanaal en dat – bij dreigende dakloosheid – verzoeker ook contact kan opnemen met een maatschappelijke opvang voor een tijdelijk verblijf, zoals een instelling van het Leger des Heils.
15.3.
Gelet op het bovenstaande acht de voorzieningenrechter de sluiting van de kamer evenwichtig.
Begunstigingstermijn
16. De voorzieningenrechter stelt vast dat het besluit tot sluiting van de kamer dateert van 2 april 2026 en dat de kamer op 3 april 2026 om 15:00 uur daadwerkelijk is gesloten. Ter zitting heeft verzoeker aangegeven dat hij op 3 april 2026 door een buurman werd gebeld dat zijn kamer werd verzegeld. Voor dit telefoontje wist verzoeker niet dat op deze datum zijn kamer zou worden gesloten. Hierbij heeft verzoeker aangegeven dat hij het besluit bij aankomst bij zijn kamer heeft aangetroffen in de brievenbus die zich bevind in de centrale hal en dat hij niet meer in de gelegenheid is gesteld om belangrijke spullen, waaronder zijn medicatie, uit de kamer te halen. De gemachtigde van de burgemeester heeft deze gang van zaken ter zitting niet betwist.
16.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester in dit geval ten onrechte geen begunstigingstermijn in acht genomen voordat tot sluiting van de kamer is overgegaan. Dit mag van een redelijk handelend bestuursorgaan wel worden verwacht. Zeker nu de burgemeester op de hoogte was van de medische situatie van verzoeker. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat door het opnemen van een begunstigingstermijn de betreffende bewoner van de woning in de gelegenheid wordt gesteld om zijn bezittingen tijdig uit de woning te halen. Verzoeker heeft deze gelegenheid niet gehad. Ook betrekt de voorzieningenrechter bij zijn beoordeling dat de huiszoeking op 26 januari 2026 heeft plaatsgevonden en dat het voornemen dateert van 5 maart 2026 waarbij in het voornemen geen datum van sluiting is opgenomen. Gelet op dit tijdsverloop bestond er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisende reden om de kamer zonder begunstigingstermijn te sluiten. Nu niet is gesteld nog is gebleken dat verzoeker nog belang heeft bij het ophalen van spullen uit de kamer ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om, gelet op dit gebrek in het besluit, op dit moment een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het besluit niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de AbRS van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1911.