ECLI:NL:RBNNE:2026:1656
Rechtbank Noord-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bijstand op grond van Participatiewet wegens onvoldoende aannemelijkheid
Verzoekers hebben een aanvraag om bijstand ingediend op grond van de Participatiewet, welke door het college is afgewezen wegens het niet kunnen vaststellen van het recht op bijstand. Dit was het gevolg van het schenden van de inlichtingen- en medewerkingsplicht door verzoekers, die onvoldoende openheid van zaken gaven over hun financiële situatie, waaronder activiteiten op een escortsite en handelsactiviteiten in drugs.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om een voorlopige voorziening en concludeerde dat er weliswaar een spoedeisend belang was, maar dat verzoekers niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij recht hadden op bijstand. De bewijslast rust op verzoekers om feiten en omstandigheden aan te tonen die hun bijstandbehoevendheid onderbouwen, wat zij niet voldoende deden.
De rechter overwoog dat het college gebonden was aan de wet en verplicht was de aanvraag af te wijzen indien het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, wat betekent dat verzoekers geen voorschot op bijstand ontvangen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij recht hebben op bijstand.