Appellant diende op 13 juni 2022 een aanvraag om bijstand in, waarbij hij verklaarde geen inkomen te hebben en te leven van leningen. Het college onderzocht zijn woon- en financiële situatie en concludeerde dat appellant onvoldoende inzicht gaf in zijn inkomsten en uitgaven, mede door het ontbreken van medewerking aan een huisbezoek en onduidelijke contante geldstromen.
Na bezwaar en nader onderzoek handhaafde het college de afwijzing van de aanvraag. Appellant voerde aan open kaart te hebben gespeeld en deed een beroep op dringende redenen en het evenredigheidsbeginsel. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt van wie, wanneer en onder welke voorwaarden hij geld had geleend en dat hij geen bewijs had geleverd voor de contante betalingen.
Verder oordeelde de Raad dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor bijstand en dat het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet slaagde omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond. Het hoger beroep werd afgewezen, waarmee de afwijzing van de bijstandsaanvraag in stand bleef.