ECLI:NL:RBNNE:2026:167

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
18/388023-24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 63 SrArt. 157 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor brandstichting in penitentiaire inrichting met gemeen gevaar voor goederen

Op 2 april 2024 stichtte verdachte brand in zijn cel in een penitentiaire inrichting door met een aansteker een gordijn aan te steken, waarna het vuur oversloeg op het dekbed en schade veroorzaakte aan muren en vloer. De rechtbank achtte het primair ten laste gelegde brandstichtingsfeit wettig en overtuigend bewezen, mede door de duidelijke bekentenis van verdachte.

Verdachte gaf aan de brand te hebben gesticht als uiting van onvrede en een schreeuw om aandacht, maar erkende dat dit niet de juiste manier was. De rechtbank nam ook zijn persoonlijke omstandigheden mee, waaronder zijn eerdere veroordelingen, zijn positieve gedragsverandering, en zijn plannen voor een BBL-opleiding. Tegelijkertijd wees de reclassering op een hoog recidiverisico en onderliggende psychische problematiek.

Gezien de ernst van het feit en het gemeen gevaar voor goederen, maar ook de prille positieve ontwikkeling van verdachte, legde de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf van 200 uren op. Bij niet-nakoming geldt vervangende hechtenis van 100 dagen. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 200 uren wegens brandstichting met gemeen gevaar voor goederen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/388023-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 januari 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L.C. de Lange, advocaat te Utrecht. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Potijk.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 april 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , In de Penitentiaire Instelling [instelling] , gevestigd aan [adres] alhier, opzettelijk brand heeft gesticht door in de/zijn cel [nummer] op afdeling [afdeling] met een vuuraansteker open vuur in aanraking te brengen met een gordijn en/of dekbed, althans open vuur in aanraking te bremgen met enig goed in genoemde cel, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten gevaar voor andere in die cel aanwezig goederen en/of de vloer en/of voor de muren en/of ra(a)m(en van genoemde cel te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 april 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , in de Penitentiaire Instelling [instelling] , in de/zijn cel [nummer] op de afdeling [afdeling] , opzettelijk en wederrechtelijk een gordijn en/of een dekbed en/of de vloer en/of muren en/of ramen van genoemde cel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Penitentiaire Afdeling [instelling] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of (tijdelijk) onbruikbaar gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 23 mei 2024 (met fotobijlagen), opgenomen op pagina 2 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024116364 d.d. 27 november 2024, inhoudend de verklaring van
[getuige] .
Verdachte heeft met behulp van een aansteker het gordijn op zijn cel aangestoken. Dat gordijn heeft vlam gevat en dat is vervolgens overgeslagen op het dekbed. Ook de muren en de vloer zijn beschadigd geraakt door de vlammen. Ten tijde van het aansteken van het gordijn was het te duchten gevaar voor de andere goederen op zijn cel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar. Omdat verdachte heeft verklaard dat hij
het gordijn heeft aangestoken, waarna dit vlam vatte en het vuur is overgeslagen op het dekbed, komt de rechtbank niet tot bewijs dat verdachte het dekbed met open vuur in aanraking heeft gebracht.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 2 april 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , in de Penitentiaire Instelling [instelling] , gevestigd aan [adres] , opzettelijk brand heeft gesticht door in zijn cel [nummer] op afdeling [afdeling] met een vuuraansteker open vuur in aanraking te brengen met een gordijn, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten gevaar voor andere in die cel aanwezig goederen en de vloer en voor de muren en raam van genoemde cel te duchten was.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
primairopzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en hij heeft aangevoerd dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Ook verzoekt de raadsman er rekening mee te houden dat de door de brand ontstane vorm van gevaarzetting tot een minimum beperkt is gebleven. Verdachte had al emmers water klaar staan om de band te blussen.
Daarnaast past een op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet nu dit de positieve ontwikkeling van verdachte, waaronder huisvesting bij Wender en zijn werk, zal doorkruisen. De raadsman heeft tevens gepleit om aan verdachte geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden nu verdachte niet openstaat voor reclasseringstoezicht.
De raadsman acht oplegging van een taakstraf, waarvan een deel voorwaardelijk, passend. Daarbij heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met de hoogte van de taakstraf, omdat verdachte een BBL-opleiding, waarbij hij zal werken en leren, wil gaan volgen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de -in het kader van vorige strafzaken opgemaakte- rapportages van de reclassering van
26 mei 2025 en 28 augustus 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 januari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft brand gesticht op zijn cel in de PI waar hij verbleef. Verdachte zegt dit te hebben gedaan als uiting van onvrede en als een schreeuw om aandacht. Hij heeft uiteindelijk toegegeven dat dit niet de juiste weg was om dit voor elkaar te krijgen en zegt te begrijpen dat zijn gedrag fout is geweest. De rechtbank stelt echter ook vast dat verdachte ter zitting vooral heeft gesproken over wat hem allemaal is aangedaan en de schuld vooral ook buiten zichzelf lijkt te leggen.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie over verdachte van 13 januari 2026, waaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld, onder andere wegens vernieling, bedreiging en vermogensdelicten.
Uit hetgeen ter terechtzitting van 13 januari 2026 is besproken is gebleken dat verdachte gemotiveerd lijkt om tot een positieve gedragsverandering te komen, zodat hij een stabiel leven kan opbouwen en niet meer in aanraking komt met politie en justitie. Het uittreksel uit de justitiële documentatie laat ook zien dat verdachte in het jaar 2025 niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen. Verdachte ziet de noodzaak van de op dit moment in gang gezette hulpverlening vanuit het WIJ-team en werkt mee aan budgetbeheer met behulp vanuit de Gemeentelijke Kredietbank. Verdachte heeft huisvesting bij Wender en werkt als vrijwilliger bij een kringloopwinkel. Hij wil een BBL-opleiding gaan volgen.
De rechtbank heeft daarentegen ook geconstateerd dat de reclassering in haar rapporten van 26 mei en 28 augustus 2025 een zorgelijk beeld schetst over verdachte. De reclassering ziet op alle leefgebieden problemen en schat het recidive risico en het risico op letsel als hoog in. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risicos of het gedrag van verdachte te veranderen. Er zijn sterke aanwijzingen van onderliggende psychische problematiek.
De straf
Brandstichting is een ernstig strafbaar feit waarbij ook wanneer het is gebleven bij gevaar voor goederen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de rede ligt. De rechtbank zal verdachte echter gezien de prille positieve ontwikkeling in het leven van verdachte een kans geven door verdachte niet een gevangenisstraf op te leggen, maar een forse taakstraf. De rechtbank zal gezien het strafblad van verdachte rekening houden met het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Ook weegt de rechtbank mee dat het feit bijna twee jaar geleden is gepleegd, in april 2024.
De rechtbank komt, alles afwegende en conform de eis van de officier van justitie, tot oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf van 200 uren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 63, 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 200 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. R. Baluah en
G.C. Koelman, rechters, bijgestaan door mr. D. Flanderijn griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 januari 2026.
Mr. Koelman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.