Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiseres tegen een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân voor het verplaatsen en realiseren van bouwwerken en voorzieningen voor een co-/mestvergistingsinstallatie op een perceel te Hantumhuizen.
Eiseres betwistte onder meer de beoordeling van geurhinder, de borging van de mestverhouding tussen eigen mest en mest van derden, en de beschikbaarheid van voldoende eigen mest. De rechtbank oordeelde dat de cumulatie van geurhinder niet hoefde te worden meegenomen omdat het ging om een veranderingsvergunning die alleen wijzigingen aan de co-/mestvergister betrof en dat de geursituatie door de wijzigingen verbetert.
Verder werd geoordeeld dat de mestverhouding van minimaal 60% eigen mest en maximaal 40% mest van derden voldoende was geborgd in het geurrapport dat onderdeel uitmaakt van de vergunning. Ook de stelling dat onvoldoende eigen mest beschikbaar zou zijn, werd verworpen omdat de vergunning een maximum voorschrijft en minder mestinvoer mogelijk is.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de omgevingsvergunning en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 17 april 2026.