Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1737

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
18.312698.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 157 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens opzettelijke brandstichting met levensgevaar in portiekwoning

Op 18 november 2025 stichtte verdachte opzettelijk brand in zijn portiekwoning te Groningen door een tafelkleed aan te steken met een aansteker. De brand veroorzaakte gemeen gevaar voor de inboedel van zijn woning en omliggende woningen, en bracht levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor omwonenden met zich mee.

De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder forensisch onderzoek, verklaringen van de brandweer en de omstandigheden van de woning. De brandweer stelde dat zonder hun tussenkomst de brand zich snel had kunnen uitbreiden, mogelijk overslaand naar bovenburen, mede door een halfgevulde fles butaangas nabij de brandhaard. De rookontwikkeling maakte evacuatie via het trappenhuis gevaarlijk, vooral voor oudere bewoners.

Verdachte verklaarde de brand te hebben gesticht als wanhoopsdaad om hulp af te dwingen, waarbij hij onder invloed was van alcohol en crack. Psychologisch onderzoek wees op een persisterende rouwstoornis en verslavingsproblematiek. De rechtbank rekende het feit verminderd aan verdachte toe, maar achtte het ernstig vanwege het levensgevaar en gemeen gevaar.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden gericht op behandeling van verslaving en rouwproblematiek, waaronder opname in een zorginstelling en controle op middelengebruik. De proeftijd is vastgesteld op twee jaar, met aftrek van voorarrest.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, wegens opzettelijke brandstichting met levensgevaar en gemeen gevaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.312698.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 april 2026 en 13 mei 2026 (sluiting onderzoek). Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Spijker, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H. Veltkamp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 18 november 2025 te Groningen opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een tafeltje en/of een tafelkleed in zijn woning aan te steken met een aansteker, althans met open vuur in aanraking te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de inboedel van die woning, in elk geval gemeen gevaar voor een of meer goederen in die woning en/of (goederen in) de omringende woningen te duchten was en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of meer omwonenden/de bewoners van de omringende woningen te duchten was

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat het feit bewezen kan worden verklaard, maar dat er geen levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het enkele feit dat de brand in een flat plaatsvond onvoldoende is om te stellen dat levensgevaar voor personen te duchten was.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 23 april 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 18 november 2025 heb ik in mijn woning in Groningen brand gesticht door met een aansteker een tafelkleed aan te steken. Ik zag vlammen bij het verlaten van mijn woning.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek woning d.d. 5 januari 2026, opgenomen op pagina 24 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025312932 d.d. 8 januari 2026, inhoudend als relaas van verbalisant:
Gezien de vooraf verkregen informatie en de bevindingen tijdens het onderzoek, kan gesteld worden dat in de woning een brand heeft plaatsgevonden. Het brandbeeld toonde aan dat het ontstaansgebied aan de rechterachterzijde van de woonkamer is geweest, namelijk op of nabij onderzijde van de bijzettafel. De voornaamste brandschade was aan de tafelkleden op de bijzettafel, de poten en onderzijde van het blad van de bijzettafel en de tapijtvloer hieronder. De gordijnen die achter de bijzettafel hingen en een elektriciteitskabel die op de vloer lag, waren door de brand aangetast. Nabij de door brand aangetaste tafel lag op de vloer een metalen fles met daarin, gezien het opschrift, vermoedelijk butaan. Van deze fles was de vulnippel door brand aangetast. Tijdens het onderzoek kon niet worden vastgesteld in hoeverre deze fles heeft bijgedragen aan het ontstaan dan wel verloop van de brand, omdat deze fles nog deels gevuld aanvoelde.
Het ontstaansgebied van de brand zijn vermoedelijk voorwerpen op of nabij de bijzettafel geweest. Het is mij ambtshalve bekend dat deze materialen voldoende brandbaar zijn om met de vlam van een aansteker te doen ontbranden. Gezien de hoeveelheid meubels in de directe omgeving van de brandhaard en in de rest van de woning, kon gesteld worden dat er gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 november 2025, opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
De woning waarin de verdachte woonachtig is betreft een zogenoemde portiekwoning. De woning van de verdachte bevindt zich in de middelste woonlaag. Derhalve bevinden zich onder, boven en links en rechts naast de woning van de verdachte woningen. Voornoemde woningen zijn eigendom van woningbouwvereniging patrimonium en, naar later bleek, voornamelijk bewoond door personen met een hogere leeftijd. Ten tijde van de brand bleken meerdere persoon in hun woning aanwezig, in elk geval recht boven de woning van de verdachte en rechts naast de woning van de verdachte.
Op uitdrukkelijk verzoek van de brandweer werden deze mensen bevolen hun woning weer in te gaan en de ramen en deuren van de woningen te sluiten in verband met de rookontwikkeling. Gezien de rookontwikkeling in het trappenhuis en het feit dat de brandweer de verwachting had de brand snel onder controle te hebben werd besloten dat de personen op dat moment veiliger waren in hun woning dan wanneer deze via het met rook gevulde trappenhuis geëvacueerd werden. In deze beslissing speelde mede de leeftijd en fysieke gesteldheid van de bewoners een rol.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 december 2025, opgenomen op pagina 20 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Ik vroeg de bevelvoerder wat zij aantroffen en wat er was gebeurd als zij niet ter plaatse waren geweest. De bevelvoerder verklaarde het volgende. Op het moment dat de brand niet was geblust was er een grote kans dat de brand zich fors had uitgebreid. De gordijnen en de vloerbedekking waren al aan het branden en er was voldoende zuurstof. Dit ook omdat de voordeur open was. Ook het flesje met butaangas had vermoedelijk veroorzaakt dat de brand sneller uitbreide. De brand was bij het raam. Op het moment dat de hitte voldoende was om het raam te laten knappen zou er een kans bestaan dat de brand naar de bovenburen zou overslaan.
De rookontwikkelingen die zich voordeden in het portiek en dan vooral in het portiek boven de portiek waar de brand zich afpeelde, was gevaarlijk. De rookontwikkeling die er was op het moment dat de brandweer aanwezig was, was dusdanig dat voor medebewoners van het portiek het gevaarlijk was om door de rook naar buiten te gaan.
Bewijsoverweging
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat door de brand levensgevaar voor personen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is vereist dat uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar of dit gevaar voor zwaar lichamelijk letsel inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar of het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte brand heeft gesticht in zijn woning en dat hij vlammen zag bij het verlaten van zijn woning. Dit betreft een portiekwoning met aan alle zijden (onder, boven, links en rechts) omliggende woningen waar voornamelijk personen met een hogere leeftijd wonen. De brand is gesticht rond 16:30 uur in de middag. Dat is een tijdstip waarop, naar algemeen bekend is, de kans zeer groot is dat minstens een deel van de bewoners van de omliggende woningen thuis was en dat was in onderhavige zaak ook daadwerkelijk het geval. Uit de verklaring van de bevelvoerder van de brandweer volgt dat als de brand niet was geblust de kans groot was dat de brand zich fors had uitgebreid en dat de brand zou kunnen overslaan naar de bovenburen als het raam was geknapt door de hitte. De rechtbank weegt ook mee dat door de halfgevulde fles met butaangas de brand zich vermoedelijk snel had uitgebreid. Daarnaast was er sprake van een stevige rookontwikkeling waardoor de bewoners, die het brandalarm hebben gehoord en brandlucht hebben geroken, niet meer veilig via het trappenhuis geëvacueerd konden worden.
Naar het oordeel van de rechtbank staat op grond van deze feiten en omstandigheden vast dat het handelen van verdachte een situatie heeft opgeleverd waarin naar algemene ervaringsregels niet alleen gemeen gevaar voor goederen te duchten was, dat zich ook heeft verwezenlijkt, maar ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 18 november 2025 te Groningen opzettelijk brand heeft gesticht door een tafelkleed in zijn woning aan te steken met een aansteker, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de inboedel van die woning en (goederen in) de omringende woningen te duchten was en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of meer omwonenden/de bewoners van de omringende woningen te duchten was
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
opzettelijk brand stichten terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Als aanvullende bijzondere voorwaarde vordert de officier van justitie de controle op middelengebruik.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft eveneens gesteld dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Zij heeft benadrukt dat een zo spoedig mogelijke start van de klinische opname in het kader van de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden van belang is en heeft daarom gepleit voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van kortere duur dan geëist.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportages van de psycholoog d.d. 23 maart 2026 en de verslavingsreclassering VNN
d.d. 1 april 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst en aard van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting in zijn eigen huurwoning in een portiekflat. Hij heeft de brand overdag gesticht, op een moment waarop een aanzienlijk risico bestond dat bewoners van omliggende portiekwoningen thuis waren en terwijl het risico bestond dat de brand zou overslaan naar andere woningen. De brand bracht dan ook gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor mensen met zich. Bovendien was sprake van een dusdanige rookontwikkeling dat het voor – de veelal bejaarde – medebewoners van het portiek gevaarlijk was om door de rook naar buiten te gaan. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij er geen moment bij heeft stilgestaan dat de gevolgen zo groot konden zijn en dat valt hem aan te rekenen. Het is niet aan verdachte te danken dat de brand niet is overgeslagen en de uiteindelijke gevolgen van brandstichting beperkt zijn gebleven tot materiële schade. Dat laat onverlet dat het hier gaat om een ernstig feit. Het feit is niet alleen voor de direct betrokkenen in de portiekflat zeer verontrustend, maar ook voor de samenleving als geheel.
Omstandigheden waaronder de verdachte brand heeft gesticht
Verdachte heeft tijdens de verhoren bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij de brand heeft gesticht als wanhoopsdaad. Hij wilde op deze wijze de hulp die hij naar eigen zeggen nodig had en niet kreeg, afdwingen. Verdachte nam in de periode voorafgaand aan het ten laste gelegde forse hoeveelheden alcohol tot zich en gebruikte crack. Hij raakte daardoor in toenemende mate de grip op zijn leven kwijt en profiteerde niet van de hulp die hem wel werd geboden. Ter terechtzitting heeft verdachte meermaals spijt betuigd en verklaard dat hij, als hij niet onder invloed was geweest, andere mensen nooit in gevaar zou willen brengen. De rechtbank acht het echter zeer kwalijk dat verdachte door de brandstichting een levensgevaarlijke situatie heeft veroorzaakt, om zo, op manipulatieve wijze, gepoogd heeft een hulpverleningstraject te forceren. Dat verdachte onder invloed van crack en alcohol in verwarde toestand verkeerde, doet daaraan niet af nu hij zichzelf in die toestand heeft gebracht.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 19 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank neemt zijn strafblad dan ook niet in strafverzwarende zin mee bij de bepaling van de straf.
Uit het psychologisch onderzoek naar de persoon van de verdachte, zoals beschreven in het Pro Justitia-rapport van 23 maart 2026, volgt dat bij verdachte sprake is van een persisterende rouwstoornis, een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en een lichte tot matige stoornis in het gebruik van crack, waarvan de laatste twee in remissie door de setting van de detentie. Het middelengebruik kan gezien worden als inadequate coping als onderdeel van een persisterende rouwstoornis. Hiervan was ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde. In de periode voor het tenlastegelegde verloor verdachte in korte tijd zijn geliefde, zijn werk én zijn sociale kring, waardoor hij tevens liefde, steun en structuur in zijn leven kwijtraakte. Verdachte vluchtte in het gebruik van middelen, met maatschappelijke teloorgang tot gevolg. De deskundige adviseert om het tenlastegelegde verminderd aan verdachte toe te rekenen.
Om de kans op recidive te verminderen, acht de deskundige de behandeling van verdachtes verslavingsproblematiek noodzakelijk, met daarbij veel aandacht voor een goed resocialisatietraject waarin verdachte wordt geholpen om zijn leven weer stabiliteit en zin te geven. Behandeling van de persisterende rouwproblematiek, leren gebruiken van adequate copingvaardigheden en op adequate wijze om hulp vragen (en hulp aanvaarden) zijn daarin belangrijke aandachtspunten. De deskundige acht het noodzakelijk dat de behandeling een klinische start heeft en een poliklinisch vervolg krijgt. Daarbij acht de deskundige controle op middelengebruik voor langere tijd van belang. Geadviseerd wordt de behandeling te laten plaatsvinden in een FPA of FVK. Behandeling kan opgelegd worden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf.
Uit het rapport van de reclassering van 1 april 2026 volgt dat de reclassering het risico op recidive – ondanks het feit dat verdachte een zogenoemde first offender is – op gemiddeld inschat. Verder sluit zij aan bij hetgeen geadviseerd is in het Pro Justitia-rapport. Bij een veroordeling adviseert zij om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Verdachte is ten behoeve van een klinische opname geaccepteerd door de FPA te [plaats] en op de wachtlijst geplaatst.
Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven de noodzaak van een behandeling in te zien en bereid te zijn daaraan medewerking te verlenen.
De op te leggen straf
De rechtbank neemt de conclusies en het advies van de reclassering en de Pro Justitia-rapportage over. Gelet op de geconstateerde stoornissen zal de rechtbank het feit in verminderde mate aan verdachte toerekenen en daar in strafmatigende zin rekening mee houden. De rechtbank is verder van oordeel dat bij de strafbepaling de focus moet liggen op het strafdoel van preventie door hulpverlening aan verdachte. Daarom zal de rechtbank een gevangenisstraf in deels voorwaardelijke vorm opleggen, met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van verplicht medicatiegebruik. Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat de controle op middelengebruik als aparte bijzondere voorwaarde wordt opgelegd.
Alles overwegend is de rechtbank, mede gelet op de ernst van het feit, van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden is. De rechtbank zal aldus opleggen een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met daaraan verbonden de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden, en een proeftijd van twee jaren. De rechtbank acht het hierbij van belang dat de verdachte, direct aansluitend op zijn onvoorwaardelijke detentie, wordt opgenomen bij de [instelling] . Het voorwaardelijk strafdeel dient als een forse stok achter de deur om verdachte ertoe te bewegen zich te blijven openstellen voor hulpverlening en niet opnieuw terug te grijpen naar strafbaar gedrag als wanhoopsdaad.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 9 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd op eerste uitnodiging meldt op afspraken bij de reclassering van VNN aan [adres] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
2. dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd voor 12 maanden of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door [instelling] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de verslavingsproblematiek, met daarbij veel aandacht voor een goed resocialisatietraject waarin veroordeelde wordt geholpen om zijn leven weer stabiliteit en zin te geven. Behandeling van de persisterende rouwproblematiek, leren gebruiken van adequate copingvaardigheden en op adequate wijze om hulp vragen (en hulp aanvaarden). Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

Veroordeelde dient op de opnamedag door DV&O te worden vervoerd naar de kliniek [instelling] .

3. dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de AFPB van Mesdag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra de klinische behandeling positief is afgerond. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling.
4. dat veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra de klinische behandeling positief is afgerond. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
5. dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Brouwer, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 mei 2026.