De rechtbank Noord-Nederland heeft op 10 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een veroordeelde die is veroordeeld voor gewoontewitwassen. Gelijktijdig met de strafzaak vond op 17 februari 2026 de terechtzitting plaats waarin de officier van justitie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel indiende.
De officier van justitie stelde aanvankelijk een bedrag van €123.976,68 vast, maar heeft dit tijdens de zitting bijgesteld naar €122.764,68 op basis van een aangepast scenario voor leasekosten. De verdediging heeft primair verzocht de vordering af te wijzen en subsidiair om matiging van het bedrag.
De rechtbank baseerde haar oordeel op het vonnis van 10 maart 2026 en een ontnemingsrapport van 4 januari 2024, waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel werd berekend via een kasopstelling. De rechtbank wijkt af van het rapport door een ander scenario voor leasekosten te hanteren en de waarde van merkkleding te verlagen naar €25.000, conform het standpunt van de verdediging.
Uiteindelijk stelt de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €108.817 en legt zij de verplichting op aan veroordeelde om dit bedrag aan de staat te betalen. Tevens wordt de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1080 dagen. De maatregel heeft een reparatoir karakter en beoogt de vermogenspositie van veroordeelde te herstellen tot de situatie vóór het strafbare feit.