Eiseres kocht in 2014 een appartement en droeg in 2018 een onverdeeld aandeel over aan haar partner, waardoor een gemeenschap ontstond. In 2024 werd deze gemeenschap verdeeld en het appartement aan eiseres toegedeeld, waarover overdrachtsbelasting (OVB) werd geheven. Eiseres betwistte deze heffing en voerde aan dat de samenwonersvrijstelling van toepassing is en dat de heffing in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel en haar eigendomsrecht.
De rechtbank stelt vast dat de samenwonersvrijstelling niet geldt omdat de gemeenschap niet is ontstaan door gezamenlijke verkrijging, wat wettelijk vereist is. Dit is een zogenoemde jojo-toedeling, waarbij de wetgever bewust heffing toestaat. De rechtbank verwerpt de beroepen op het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel, omdat de wetgever deze situatie heeft voorzien en het onderscheid tussen samenwoners en gehuwden gerechtvaardigd is.
Wel oordeelt de rechtbank dat de heffing leidt tot een schending van het eigendomsrecht van eiseres, omdat het gezamenlijkheidsvereiste in dit geval disproportioneel is. Echter kan de rechtbank de heffing niet ongedaan maken, omdat het aan de wetgever is om de schending te herstellen. Eiseres kan mogelijk een beroep doen op de hardheidsclausule bij de Minister van Financiën. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de inspecteur moet het griffierecht vergoeden.