Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1797

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
25/550
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 DagloonbesluitArt. 5 DagloonbesluitArt. 18 DagloonbesluitArt. 6:22 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling juistheid berekening dagloon WW-uitkering door UWV

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een geschil over de hoogte van de WW-uitkering van eiser, waarbij hij bezwaar maakte tegen de door het UWV vastgestelde berekening van zijn dagloon.

Eiser betwistte onder meer de gehanteerde referteperiode en het niet meenemen van opgebouwde vakantiedagen in de dagloonberekening. De rechtbank overwoog dat het UWV de referteperiode conform het Dagloonbesluit juist had vastgesteld en dat de toepassing van dit besluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden waren onvoldoende om hiervan af te wijken.

Voorts oordeelde de rechtbank dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat de waarde van zijn opgebouwde vakantiedagen niet was meegenomen in de polisadministratie. Ook het motiveringsgebrek in het bestreden besluit werd door de rechtbank gepasseerd omdat het UWV het besluit later voldoende had toegelicht en eiser daardoor niet benadeeld was.

Het beroep werd ongegrond verklaard, maar het UWV werd wel veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De rechtbank wees het verzoek tot vergoeding van proceskosten af wegens gebrek aan bewijs van gemaakte kosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de berekening van het dagloon voor de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/550

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[naam uit woonplaats] , eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

(gemachtigde: M. Hoogeveen).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de hoogte van de uitkering van eiser op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft hem over de periode van 1 februari tot en met 30 juni 2024 een WW-uitkering toegekend. [1] Eiser is het niet eens met de berekening van het dagloon voor deze WW-uitkering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv het dagloon juist heeft vastgesteld.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat dit het geval is
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Eiser heeft het Uwv gevraagd om de hoogte van het dagloon te corrigeren. Met het besluit van 4 juli 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv het dagloon gecorrigeerd van € 193,95 naar € 194,97 en de WW-uitkering van eiser herzien. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het herziene dagloon.
1.1.
Met het bestreden besluit van 9 december 2024 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij het primaire besluit gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het Uwv.
Het toetsingskader
2. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

3. Deze zaak gaat in de kern om de vraag of het Uwv het dagloon voor de aan eiser toegekende WW-uitkering juist heeft berekend. Volgens eiser is dat niet het geval, omdat het Uwv een afwijkende referteperiode had moeten hanteren en omdat het Uwv in de berekening van het dagloon ten onrechte geen rekening heeft gehouden met door hem opgebouwde vakantiedagen.
Had het UWV een afwijkende referteperiode moeten hanteren?
3.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het Uwv de referteperiode conform artikel 2, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) heeft vastgesteld van 1 januari tot en met 31 december 2023.
3.2.
Eiser heeft – onder verwijzing naar artikel 2, vierde lid, van het Dagloonbesluit - als beroepsgrond aangevoerd dat het Uwv de maand januari 2023 buiten beschouwing had moeten laten, omdat hij in die maand weliswaar een klein bedrag aan loon heeft ontvangen van een werkgever (€ 75,33), maar er in die maand ook negatief loon bij hem in rekening is gebracht door een andere werkgever (€220,86). Volgens eiser was zijn loon over de maand januari 2023 per saldo dan ook nihil.
3.3.
Artikel 2, vierde lid, van het Dagloonbesluit is alleen van toepassing als in de referteperiode in het geheel geen recht op loon bestond of geen loon is genoten. Daar is in deze zaak geen sprake van. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond aldus dat eiser een beroep op artikel 5, vijfde lid, van het Dagloonbesluit doet.
3.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In artikel 5, vijfde lid, van het Dagloonbesluit is bepaald dat de kalendermaanden in de referteperiode waarin geen loon is genoten buiten beschouwing worden gelaten bij de vaststelling van het dagloon. Deze bepaling kan in deze zaak niet worden toegepast, omdat eiser in de maand januari 2023 wel degelijk een klein bedrag aan loon heeft ontvangen. Bovendien heeft het Uwv terecht gesteld dat het negatieve loon dat in deze maand bij eiser in rekening is gebracht moet worden toegerekend aan de maand december 2022. Dit was ook de aanleiding voor het Uwv om het dagloon te corrigeren tot een hoger bedrag. Het negatieve loon is daarmee niet langer onderdeel van de referteperiode. De vraag of negatief loon kan worden ‘verrekend’ met ontvangen loon, zoals door eiser is gesteld en door het Uwv is weersproken, kan daarmee onbeantwoord blijven.
Is de strikte toepassing van artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
3.5.
Eiser heeft ook als beroepsgrond aangevoerd dat een strikte toepassing van artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel is, omdat het vastgestelde dagloon geen redelijke weerspiegeling is van zijn welvaartsniveau ten tijde van het intreden van de werkloosheid. Het Uwv is het niet eens met deze beroepsgrond. Volgens het Uwv is er geen reden om af te wijken van het Dagloonbesluit, omdat hier een bewuste afweging van de regelgever aan ten grondslag ligt.
3.6.
De rechtbank overweegt dat sprake is van een gebonden besluit dat is gebaseerd op een algemeen verbindend voorschrift, namelijk het Dagloonbesluit. Volgens vaste jurisprudentie [2] is er in dergelijke gevallen slechts een beperkte ruimte om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Concreet moet ‘onder de streep’ worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de toepassing van het Dagloonbesluit in deze zaak tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Het gaat dan alleen om de evenwichtigheid. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor de betrokkene onredelijk bezwarend is.
3.7.
De rechtbank oordeelt dat er in deze zaak geen aanleiding is om een schending van het evenredigheidsbeginsel aan te nemen. Het is namelijk niet gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het besluit voor eiser onredelijk bezwarend is. In dat verband is van belang dat de regelgever bij de totstandkoming van artikel 5, vijfde lid, van het Dagloonbesluit bewust heeft gekozen om alleen de maanden waarin een werknemer in het geheel geen loon heeft ontvangen buiten beschouwing te laten. Aan deze keuze ligt een politiek-bestuurlijke afweging ten grondslag, waarbij inherent aan die keuze is dat werknemers die maar een klein bedrag aan loon hebben ontvangen geen beroep kunnen doen op deze uitzondering en hiervan financiële nadelen ondervinden. [3] Dit enkele feit kan dus niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.
Is de vaststelling van de referteperiode anderszins in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
3.8.
Eiser heeft ook als beroepsgrond aangevoerd dat de wetgever de referteperiode om praktische redenen wat verder in het verleden heeft gelegd. Hiervoor is volgens eiser gekozen omdat de gegevens over het laatste tijdvak voor het intreden van de werkloosheid op het moment van de uitkeringsaanvraag vaak nog niet in de polisadministratie van het Uwv beschikbaar zijn. Eiser stelt dat dit gegeven voor hem erg nadelig is. Dat komt volgens eiser omdat hij in de maand voor het intreden van de werkloosheid – deze maand valt dus buiten de referteperiode – veel meer loon heeft ontvangen dan in januari 2023, de eerste maand van de referteperiode. Om die reden is het bestreden besluit volgens eiser ook in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
3.9.
De rechtbank oordeelt dat ook ten aanzien van deze omstandigheid geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zoals hiervoor al is overwogen, is er slechts ruimte voor de toepassing van het evenredigheidsbeginsel als sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de toepassing van het algemeen verbindende voorschrift ‘onder de streep’ onevenredig is. Er is niet gebleken dat er in deze zaak sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. Het enkele feit dat eiser in de eerste maand van de door het Uwv correct vastgestelde referteperiode een lager loon heeft genoten dan de maand voor het intreden van de werkloosheid volstaat in dat verband niet.
Moest het Uwv artikel 18 van Pro het Dagloonbesluit toepassen?
3.10.
Eiser heeft ook als beroepsgrond aangevoerd dat het Uwv artikel 18 van Pro het Dagloonbesluit had moeten toepassen. Deze bepaling voorziet in een afwijkende referteperiode voor starters en herintreders.
3.11.
Deze beroepsgrond slaagt ook niet, omdat dit artikel alleen betrekking heeft op de vaststelling van het WIA- en WAO-dagloon. Dit volgt uit het gegeven dat dit artikel in hoofdstuk 3 van het Dagloonbesluit is opgenomen. Deze bepaling geldt dus niet in deze zaak die over een WW-uitkering gaat.
Tussenconclusie: Het Uwv heeft de referteperiode juist vastgesteld
3.12.
Gelet op bovenstaande is de conclusie dat het Uwv de referteperiode juist heeft vastgesteld en dat de (strikte) toepassing van het Dagloonbesluit niet maakt dat het Uwv in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld.
Heeft het Uwv het dagloon juist berekend?
3.13.
Eiser heeft ook als beroepsgrond aangevoerd dat het Uwv in de berekening van de hoogte van het dagloon ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door hem in de referteperiode opgebouwde vakantiedagen. Volgens eiser maken deze vakantiedagen onderdeel uit van het Arbeidsvoorwaardenbedrag (AVWB) in de zin van artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit en moet het dagloon om die reden worden verhoogd.
3.14.
Het Uwv heeft weersproken dat het de hoogte van het dagloon onjuist heeft vastgesteld en heeft aangevoerd dat het dagloon is vastgesteld op basis van de loongegevens die in de polisadministratie zichtbaar zijn, waaronder de bedragen die door de werkgevers van eiser zijn ingevoerd in de kolom EPS/AVWB. [4] Volgens het Uwv mag het uitgaan van de juistheid van deze gegevens en is het aan eiser om aan te tonen dat deze gegevens niet correct zijn. Dit heeft eiser volgens het Uwv niet gedaan.
3.15.
Volgens vaste rechtspraak mag het Uwv inderdaad uitgaan van de juistheid van de gegevens in de polisadministratie en is het aan een betrokkene om aan te tonen dat deze gegevens niet correct zijn. [5] Daarin is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Hij heeft weliswaar gesteld dat de waarde van de opgebouwde vakantiedagen niet is meegewogen, maar heeft dit standpunt niet onderbouwd. Hij heeft bijvoorbeeld niet inzichtelijk gemaakt waaruit de bedragen die staan opgesomd in de kolom EPS/AVWB volgens hem bestaan, hoeveel vakantiedagen hij heeft opgebouwd (en opgenomen) tijdens de referteperiode en wat de financiële waarde was van deze dagen. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of de werkgevers van eiser de waarde van de opgebouwde vakantiedagen in de polisadministratie hebben ingevoerd en dus ook niet of de waarde van deze vakantiedagen onderdeel is van het door het Uwv vastgestelde dagloon. De – meer principiële – vraag of vakantiedagen naar hun aard onder de definitie van het begrip AVWB in artikel 1, eerste lid, van het Dagloonbesluit vallen, kan daarmee onbeantwoord blijven.
Heeft het Uwv het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd?
3.16.
Eiser heeft tot slot als beroepsgrond aangevoerd dat het Uwv het bestreden besluit niet afdoende heeft gemotiveerd, omdat het Uwv bijvoorbeeld geen wetsartikelen heeft genoemd waar het bestreden besluit op is gebaseerd. Op de zitting heeft het Uwv erkend dat de motivering in het bestreden besluit summier was. Volgens het Uwv is deze motivering in het verweerschrift en ter zitting echter zodanig aangevuld dat er geen motiveringsgebrek meer is.
3.17.
De rechtbank overweegt dat het Uwv in het bestreden besluit niet is ingegaan op de bezwaargronden van eiser. Er is volstaan met de stelling dat eiser niets heeft aangevoerd dat zou moeten leiden tot de conclusie dat het aangepaste dagloon onjuist is vastgesteld. Pas in het verweerschrift heeft het Uwv alsnog, onder verwijzing naar de relevante regelgeving, gemotiveerd waarom niet tot een correctie van het dagloon is overgegaan en op de zitting heeft het Uwv nog een nadere uitleg gegeven. Dit neemt niet weg dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd door het Uwv. Dit motiveringsgebrek zal de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) passeren, omdat niet aannemelijk is dat eiser door het gebrek in de motivering is benadeeld. Ook indien het motiveringsgebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou het Uwv een besluit met gelijke uitkomst hebben genomen. Het Uwv heeft het dagloon naar het oordeel van de rechtbank immers juist vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

3.18.
Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat het Uwv pas na het instellen van het beroep tot een afdoende motivering van het bestreden besluit is gekomen, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht van € 53,00 vergoeden. Er is geen aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten in de zin van artikel 8:75 van Pro de Awb, omdat de rechtbank niet is gebleken dat eiser zulke kosten heeft gemaakt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
  • draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 53,00 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Veenema, voorzitter, en mr. C.H. de Groot en mr. P.G. Wijtsma, leden, in aanwezigheid van M. Lammerts-Rannenburg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te tekenen
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke regelgeving
Dagloonbesluit werknemersverzekeringen
Artikel 1. Definities
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
[…]
d.
arbeidsvoorwaardenbedrag:het aan de werknemer toegekende en in geld uitgedrukte toekomstige loonbestanddeel, niet zijnde een afzonderlijke opbouw van vakantiebijslag, dat is opgebouwd ingevolge afspraken in de individuele of collectieve arbeidsovereenkomst, voor zover dit toekomstige loonbestanddeel kan leiden tot loon als bedoeld in artikel 16 van Pro de Wfsv;
[…]
Artikel 2. Referteperiode voor WW
1. Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies is ingetreden.
[…]
4. In afwijking van het eerste lid is de referteperiode voor een reguliere WW-uitkering korter dan een jaar, indien er in de referteperiode, bedoeld in het eerste lid, geen recht op loon bestond of geen loon is genoten. In dat geval is de referteperiode de periode vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot de dag waarop het arbeidsurenverlies is ingetreden.
[…]
Artikel 5. WW-dagloon
1. Het dagloon van een uitkering op grond van de WW is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261 indien de referteperiode een duur van één jaar heeft. Indien er sprake is van een afwijkende referteperiode staat D voor het aantal dagloondagen in de referteperiode.
[…]
5. Indien de referteperiode voor de dagloonvaststelling van een reguliere WW-uitkering een of meer kalendermaanden kent waarin geen loon is genoten anders dan vanwege verlof of werkstaking, dan staat D, in afwijking van het eerste lid, voor het aantal dagloondagen van de kalendermaanden waarin loon is genoten of waarin geen loon is genoten vanwege verlof of werkstaking. Het in een aangiftetijdvak genoten loon wordt, voor zover het binnen de referteperiode is genoten, toegerekend aan de kalendermaand waarin de laatste dag van het aangiftetijdvak ligt. Een kalendermaand ligt binnen de referteperiode, indien één of meer dagloondagen van de kalendermaand binnen de referteperiode vallen.
[…]

Voetnoten

1.Het Uwv heeft de WW-uitkering na een correctie van het arbeidsverleden uiteindelijk tot 31 augustus 2024 toegekend en uitgekeerd.
2.Zie bijvoorbeeld CBB 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, en CRvB 25 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1537.
3.Zie in dit verband CRvB 2 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2033.
4.EPS staat voor Extra PeriodeSalaris.
5.Zie bijvoorbeeld CRvB 30 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2455.