Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1798

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
25/551
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 WWArt. 33d WSUWIArt. 6:19 AwbArt. 3:2 AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing correctieverzoek arbeidsverleden WW en schadevergoeding afgewezen

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen het UWV inzake een correctieverzoek van zijn arbeidsverleden over 2017 en 2018 in het kader van zijn WW-uitkering. Het UWV corrigeerde het arbeidsverleden over 2017, maar wees correctie over 2018 af omdat eiser niet voldeed aan de norm van 208 uren loon per kalenderjaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk omdat dit was vervangen door het tweede besluit, en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.

Eiser voerde aan dat hij meer dan 208 uren had gewerkt in 2018, maar de rechtbank oordeelde dat het arbeidsverleden wordt vastgesteld op basis van het aantal uren waarover loon is ontvangen, niet het aantal gewerkte uren. Aangezien eiser slechts over 203 uren loon ontving, was correctie niet gerechtvaardigd. Daarnaast stelde eiser dat het UWV zijn onderzoeksplicht en motiveringsplicht had geschonden door alleen de polisadministratie te gebruiken, maar dit werd verworpen omdat het UWV mocht uitgaan van de juistheid van deze gegevens.

Eiser vorderde ook een schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit en ervaren rechtsonzekerheid. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij materiële of immateriële schade had geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. De vermogensrechtelijke schade was gecompenseerd door nabetaling met wettelijke rente. Immateriële schade werd niet toegekend vanwege het ontbreken van concrete onderbouwing. Ook werd geen proceskostenvergoeding toegekend omdat eiser zich niet had laten vertegenwoordigen.

De rechtbank wees het beroep tegen het eerste besluit af wegens niet-ontvankelijkheid en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, en droeg het UWV op het griffierecht aan eiser te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland op 8 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit is niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, en er is geen schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/551

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[naam uit woonplaats] , eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

(gemachtigde: M. Hoogeveen).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het correctieverzoek van eiser om gegevens van zijn arbeidsverleden over de jaren 2017 en 2018 te wijzigen. Het Uwv heeft dit verzoek aanvankelijk over beide jaren afgewezen en heeft gedurende de beroepsprocedure het besluit gewijzigd in die zin dat het arbeidsverleden over het jaar 2017 wel is gecorrigeerd, maar over het jaar 2018 niet. Eiser is het hiermee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan en maakt bovendien aanspraak op betaling van een schadevergoeding.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk is en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Ook heeft hij naar het oordeel van de rechtbank geen recht op een schadevergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Met het primaire besluit van 27 juni 2024 heeft het Uwv het verzoek van eiser om de gegevens van zijn arbeidsverleden over de jaren 2017 en 2018 te corrigeren, afgewezen. Met het besluit van 9 december 2024 (het bestreden besluit I) op het bezwaar van eiser is het Uwv bij de afwijzing gebleven.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I.
1.2.
Met een besluit van 27 mei 2025 (het bestreden besluit II) heeft het Uwv naar aanleiding van de beroepsgronden van eiser een gewijzigd besluit genomen waarin het correctieverzoek voor het jaar 2017 alsnog is toegewezen. De uitkeringsduur van de WW-uitkering van eiser is als gevolg van deze correctie met een maand verlengd.
1.3.
Eiser heeft zijn beroep naar aanleiding van het bestreden besluit II niet ingetrokken.
1.4.
Het Uwv heeft op 23 juli 2025 een verweerschrift ingediend en op 16 februari 2026 een aanvullend verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het Uwv.

Het toetsingskader

2. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wetgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt voorop dat het beroep van eiser op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege ook betrekking heeft op het bestreden besluit II, omdat dit besluit niet helemaal aan de bezwaren van eiser tegemoetkomt.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen procesbelang meer bij de beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit I, omdat dit besluit is vervangen door het bestreden besluit II. Het beroep tegen het bestreden besluit I is daarom niet-ontvankelijk.
3.2.
De omvang van het geschil is na de wijziging van het bestreden besluit I beperkt. In de kern gaat dit geschil nog over de vraag of het Uwv het arbeidsverleden van eiser over het jaar 2018 had moeten corrigeren, of het Uwv de afwijzing van dit correctieverzoek zorgvuldig heeft voorbereid en goed heeft gemotiveerd en of eiser aanspraak kan maken op een schadevergoeding.
Had het Uwv het arbeidsverleden over het jaar 2018 moeten corrigeren?
3.3.
Eiser heeft als beroepsgrond aangevoerd dat het Uwv het arbeidsverleden over het jaar 2018 ten onrechte niet heeft gecorrigeerd. Volgens eiser is dat het geval, omdat hij in het jaar 2018 meer dan 208 uren heeft gewerkt en het jaar daarom mee zou moeten tellen voor zijn arbeidsverleden. Hij heeft aangevoerd dat in de polisadministratie van het Uwv over het jaar 2018 in totaal 203 SV-uren zijn geregistreerd, maar dat ten onrechte geen rekening is gehouden met door hem verricht overwerk.
3.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 42, zesde lid, van de Werkloosheidswet (WW) wordt het arbeidsverleden vastgesteld door samentelling van het aantal kalenderjaren [1] waarin de werknemer over 208 of meer uren loon heeft ontvangen. Het gaat er dus niet om hoeveel uren zijn gewerkt in een bepaald jaar, maar over hoeveel uren loon is ontvangen. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in het jaar 2018 over in totaal 203 uren loon heeft ontvangen. Dit betekent dat de norm die in artikel 42, zesde lid, van de WW is gesteld in dat jaar niet is gehaald en dat er voor het Uwv dus geen reden was om het arbeidsverleden over dat jaar te corrigeren.
Heeft het Uwv de afwijzing zorgvuldig voorbereid en goed gemotiveerd?
3.5.
Eiser heeft ook aangevoerd dat het Uwv in strijd met de onderzoeksplicht van artikel 3:2 van Pro de Awb en de motiveringsplicht van 3:46 van de Awb heeft gehandeld door de afwijzing van het correctieverzoek over 2018 alleen te baseren op de gegevens in de polisadministratie van het Uwv. Volgens hem is ten onrechte geen rekening gehouden met zijn stelling dat hij in 2018 meer arbeid heeft verricht dan is geregistreerd in de polisadministratie.
3.6.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het Uwv heeft terecht gesteld dat het gebruik mag maken van gegevens die in de polisadministratie zijn verwerkt. Volgens vaste rechtspraak mag het Uwv ook uitgaan van de juistheid van deze gegevens, tenzij eiser aantoont dat de gegevens niet correct zijn. [2] Eiser heeft dit niet aangetoond.
3.7.
Zoals hiervoor al is overwogen gaat het bij de vaststelling van het arbeidsverleden niet om het aantal gewerkte uren, maar om het aantal uren waarover loon is ontvangen. Omdat gesteld noch gebleken is dat eiser over het volgens hem verrichte overwerk loon heeft ontvangen, was dit overwerk niet relevant voor de vaststelling van het arbeidsverleden. Het Uwv mocht het besluit tot afwijzing van het correctieverzoek dus ook in dit specifieke geval baseren op de gegevens uit de polisadministratie en heeft het gestelde overwerk naar het oordeel van de rechtbank terecht niet in de besluitvorming of de motivering betrokken.
Heeft eiser recht op een schadevergoeding?
3.8.
Eiser maakt aanspraak op een schadevergoeding van het Uwv. De aanleiding hiervoor is het bestreden besluit II, waarin het Uwv naar aanleiding van het beroep alsnog deels aan zijn correctieverzoek tegemoet is gekomen. Volgens eiser staat de onrechtmatigheid van het bestreden besluit I daarmee vast en heeft hij recht op een schadevergoeding. De schade bestaat volgens eiser met name uit door hem ervaren rechtsonzekerheid. Volgens hem was het schadelijk voor hem dat hij feitelijk werd gedwongen om een procedure te starten om zijn gelijk te halen. Eiser heeft verder als schade aangevoerd dat hij veel tijd heeft moeten besteden aan het voeren van de bezwaar- en beroepsprocedure en dat er gedurende een lange periode onjuiste gegevens in de polisadministratie van het Uwv hebben gestaan over zijn arbeidsverleden over 2017.
3.9.
Het Uwv heeft gesteld dat er geen aanleiding is om aan eiser een schadevergoeding toe te kennen. Het Uwv heeft onweersproken aangevoerd dat het gevolg van het bestreden besluit II is dat de duur van eisers WW-uitkering met één maand is verlengd tot 31 augustus 2024 en dat deze uitkering op 6 juni 2025 is uitbetaald. Omdat het Uwv bij deze betaling ook de wettelijke rente heeft voldaan, is de vermogensrechtelijke schade van eiser volgens het Uwv gecompenseerd en heeft eiser het bestaan van andere schade niet aannemelijk gemaakt.
Het beoordelingskader
3.10.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 8:91 van Pro de Awb kan de rechtbank in deze procedure oordelen over het verzoek tot vergoeding van schade. Eiser heeft mogelijk recht op een schadevergoeding, omdat het bestreden besluit I als onrechtmatig besluit moet worden aangemerkt. Dit besluit kon naar oordeel van het Uwv immers niet in stand blijven en is in de loop van deze beroepsprocedure gewijzigd en vervangen door het bestreden besluit II. De vraag die moet worden beantwoord is of eiser schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt.
3.11.
Volgens vaste jurisprudentie is het aan eiser om aannemelijk te maken dat hij schade heeft geleden en dat er een causaal verband is tussen het onrechtmatige besluit en die schade. [3] De bestuursrechter moet daarbij zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. In dat verband komen alleen schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. [4] Hierbij geldt als uitgangspunt dat de schadevergoeding eiser zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou hebben verkeerd als het onrechtmatige besluit niet zou zijn genomen. Dit uitgangspunt brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking te maken van de toestand zoals deze in werkelijkheid is, met de toestand zoals die zou zijn geweest als het onrechtmatige besluit niet was genomen. [5]
3.12.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij materiële schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. Als het Uwv het onrechtmatige besluit niet had genomen, was de WW-uitkering van eiser meteen toegekend tot 31 augustus 2024 en was de nabetaling op 6 juni 2025 niet nodig geweest. Het onrechtmatige besluit heeft daarmee een vermogensrechtelijk nadeel opgeleverd, omdat eiser door de onjuiste beslissing pas later over het uitkeringsbedrag kon beschikken. Dit nadeel is echter door het Uwv gecompenseerd door bij de nabetaling de wettelijke rente te vergoeden. Dat eiser andere materiële schade heeft geleden is gesteld noch gebleken.
3.13.
De andere schadeposten die eiser heeft aangevoerd, te weten de rechtsonzekerheid die hij heeft ervaren en het feit dat er gedurende een zekere tijd onjuiste gegevens in de polisadministratie van het Uwv hebben gestaan, worden door de rechtbank aangemerkt als immateriële schadeposten. De drempel om een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen ligt hoog.
3.14.
In het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht heeft een benadeelde bijvoorbeeld recht op vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. [6] Van de aantasting ‘op andere wijze’ is bijvoorbeeld sprake als de benadeelde partij psychisch letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij die hier een beroep op doet, zal dit met voldoende concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat heeft eiser niet gedaan, zodat hem ten aanzien van deze omstandigheden geen schadevergoeding toekomt.
3.15.
De omstandigheid dat eiser veel tijd heeft besteed aan het voeren van de bezwaar- en beroepsprocedure levert ook geen recht op schadevergoeding op, omdat daarvoor de proceskostenvergoeding van artikel 8:75 van Pro de Awb in het leven is geroepen. Eiser heeft hier echter op grond van artikel 1, aanhef en sub a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) geen recht op, omdat hij zich niet heeft laten vertegenwoordigen in de bezwaar- en de beroepsprocedure.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep tegen bestreden besluit I is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen bestreden besluit II is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Ook kent de rechtbank geen schadevergoeding toe aan eiser.
4.1.
Omdat de rechtbank niet is gebleken dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Bpb kunnen worden vergoed, zal hiervoor geen vergoeding worden toegekend. Het Uwv moet het griffierecht van € 53,00 wel aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond;
  • draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 53,00 aan eiser te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Veenema, voorzitter, en mr. C.H. de Groot en mr. P.G. Wijtsma, leden, in aanwezigheid van M. Lammerts-Rannenburg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te tekenen
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving

Artikel 42 Werkloosheidswet Pro

1De uitkeringsduur is ten minste drie maanden en ten hoogste 24 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan.
2Indien de werknemer:
o
a.aantoont in de periode van vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in ten minste vier kalenderjaren over 52 of meer dagen per kalenderjaar respectievelijk over 208 of meer uren per kalenderjaar loon te hebben ontvangen, waarbij voor 1 januari 2013 52 of meer dagen bepalend is en vanaf 1 januari 2013 208 of meer uren; of
o
b.(…)
is de uitkeringsduur een maand voor ieder kalenderjaar arbeidsverleden voor zover het arbeidsverleden niet meer dan tien kalenderjaren is; en
(…)
(…)
6Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend door samentelling van:
o
a.het aantal kalenderjaren, vanaf en met inbegrip van 2013 tot en met het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, waarin de werknemer over 208 of meer uren loon heeft ontvangen;
(…)
7Een kalenderjaar wordt in aanmerking genomen bij de berekening, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en b, indien volgens de informatie, bedoeld in artikel 33d van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de werknemer in dat kalenderjaar over 52 of meer dagen loon heeft ontvangen respectievelijk over 208 of meer uren loon heeft ontvangen.

Artikel 33d Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen

1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt ten aanzien van de werknemer, bedoeld in de Werkloosheidswet en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, van wie door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gegevens worden verwerkt op grond van deze wetten, gegevens vast waarbij is aangegeven of hij in een kalenderjaar over 52 of meer dagen respectievelijk over 208 of meer uren loon heeft ontvangen als bedoeld in artikel 42 of Pro 42a van de Werkloosheidswet en artikel 15 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen informeert de werknemer op de wijze, bedoeld in artikel 33c, over deze arbeidsverledengegevens.

Voetnoten

1.Specifiek de jaren vanaf en met inbegrip van 2013 tot en met het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen.
2.Zie bijvoorbeeld CRvB 30 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2455.
3.Bijvoorbeeld CRvB 25 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:754, en CRvB 15 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:102
4.Vergelijk CRvB 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:446.
5.Vergelijk Hoge Raad 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0539.
6.Artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek.