Appellant ontving nabetalingen van het UWV wegens correctie van het te laag vastgestelde dagloon voor WW, ZW en WIA-uitkeringen. Hij vorderde schadevergoeding voor nadelige financiële gevolgen, waaronder een belastingnavordering en gemiste studiefinanciering.
De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en het UWV veroordeeld tot schadevergoeding, maar sloot de kosten van een aanmaning en dwangbevel van €1.160,- uit wegens vermeende vermijdbaarheid. Appellant stelde in hoger beroep dat deze kosten wel vergoed moesten worden omdat hij geen middelen had om tijdig te betalen.
De Raad oordeelt dat het bedrag van €1.160,- niet als schade kan worden toegerekend aan het onrechtmatige besluit van het UWV, omdat de belastingaanslag niet betrekking heeft op de nabetalingen en er geen direct oorzakelijk verband is. Wel oordeelt de Raad dat de rechtbank ten onrechte geen proceskosten heeft toegekend voor de tweede zitting en wijst deze toe.
De Raad vernietigt het deel van de uitspraak dat de proceskosten voor de tweede zitting niet toekent, bevestigt het overige en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant in hoger beroep.