ECLI:NL:RBNNE:2026:191

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
LEE23/1396
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke procedure inzake mijnbouwschade aan woning op wierde

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland op 14 januari 2026, wordt het beroep van eiser tegen het besluit van het Instituut Mijnbouwschade Groningen behandeld. Eiser, die schade aan zijn woning op een wierde heeft gemeld, is het niet eens met de schadevergoeding die het Instituut heeft toegekend. De rechtbank oordeelt dat het bewijsvermoeden dat de schade door mijnbouwactiviteiten is veroorzaakt, niet voldoende is weerlegd door het Instituut. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het Instituut op om binnen 16 weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de rechtsgevolgen van het eerdere besluit niet in stand blijven. De rechtbank concludeert dat de schade aan de woning, waaronder scheefstand en scheuren, niet adequaat is beoordeeld en dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de oorzaken van de schade. Eiser krijgt recht op vergoeding van proceskosten en het griffierecht. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor een zorgvuldige beoordeling van schadeclaims in het kader van mijnbouwschade, vooral in gebieden met bijzondere bodemstructuren zoals wierden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/1396

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.R. van der Vorst),
en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut

(gemachtigde: mr. A.G. Sol en S.C Goldbohm).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit op de aanvraag om een vergoeding van geleden schade door mijnbouw aan zijn woning in [woonplaats] . Het Instituut heeft terzake van deze aanvraag in het bestreden besluit een vergoeding van in totaal € 33.946,68 toegekend. Eiser is het daar niet mee eens en vindt dat het bewijsvermoeden niet is weerlegd en dat de schadevergoeding te laag is. Hij voert daar een aantal beroepsgronden gronden voor aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en dat Instituut het bewijsvermoeden ten aanzien van de schades 10, 14, 15, 19, 68, 69, 81 en 82 niet weerlegd heeft kunnen achten, dat de scheefstand onderdeel van de schade uitmaakt en dat het Instituut zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard ten aanzien van de schades 23, 24, 25. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Het Instituut moet de schade alsnog begroten en daarvoor de methode van herstel en de herstelkosten en het daarmee corresponderende bedrag aan schadevergoeding bepalen.

Procesverloop

2. De rechtsvoorganger van eiser, mevrouw [naam] (hierna: [naam] ), heeft op 29 oktober 2019 een aanvraag ingediend bij de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (hierna: Tijdelijke Commissie), thans het Instituut, voor schade veroorzaakt door aardbevingen als gevolg van mijnbouwactiviteiten aan haar woning aan de [adres] .
2.1.
Het Instituut heeft op die aanvraag bij besluit van 27 augustus 2020 een schadevergoeding van € 28.384,54 (inclusief wettelijke rente en bijkomende kosten) toegekend.
2.2.
Bij herzien besluit van 30 november 2022 is een aanvullende vergoeding toegekend van € 1.599,64 in verband met de aanpassing naar het prijspeil van 2020.
2.3.
Bij besluit op bezwaar van 23 januari 2023 heeft het Instituut het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij is besloten dat in totaal een schadevergoeding van
€ 33.946,68 inclusief rente wordt vergoed en dat aan eiser, als koper van de woning, een aanvullende schadevergoeding van € 631,95 wordt toegekend voor de schades 51, 54 en 70 (dat is € 674,16 inclusief wettelijke rente). Dit in verband met het feit dat de vordering aan hem is overgedragen terzake van de eigendomsoverdracht van de woning bij akte van transport van 4 januari 2023. Verder is daarin bepaald dat [naam] een aanvullende vergoeding wordt toegekend van € 3.963,10 (zijnde de bijkomende kosten, een vergoeding voor proceskosten en een extra overlastvergoeding, inclusief rente).
2.4.
Eiser heeft op 3 maart 2023 tegen dit besluit beroep ingesteld en dit aangevuld op 6 februari 2024. Hij heeft daarbij een rapport van Ingenieursbureau Energeo d.d. 30 januari 2024 overgelegd.
2.5.
Op 25 juni 2024 heeft de rechtbank een regiezitting gehouden. Afgesproken is daarbij dat alsnog geotechnisch onderzoek zal worden verricht en tevens dat de schades 88, 89 en 90 alsnog beoordeeld zullen worden.
2.6.
Het Instituut heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift van 5 november 2024, waarbij het Instituut een nader advies heeft overgelegd van deskundige D. Kiestra (hierna: Kiestra) en M. Ottevanger (hierna: Ottevanger) van bureau 10BE. Bij dat advies zit een bijlage van Ir. R.H.G. Loohuis (hierna: Loohuis) d.d. 22 maart 2024 en van LamersWater BV van 19 maart 2024.
Het Instituut heeft de rechtbank in het verweerschrift verzocht het beroep gegrond te verklaren ten aanzien van de geadviseerde aanvullende schadevergoedingen voor de schades 63 en 87 en zelf in de zaak te voorzien door voor deze schades een aanvullende schadevergoeding toe te kennen van € 731,14 (incl. btw) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2019 en om voor het overige het besluit in stand te laten.
2.7.
Eiser heeft daarop op 28 februari 2025 een aanvullende reactie gegeven, onder overlegging van een rapport van Expertisebureau Vergnes d.d. 28 februari 2025 en van Energeo eveneens van 28 februari 2025. Vergnes heeft in dit rapport de herstelkosten van de schade, in het kader van sloop- nieuwbouw, begroot op € 510.578,-.
2.8.
Het Instituut heeft daarop op 27 maart 2025, onder overlegging van een nader advies van Kiestra d.d. 24 maart 2025, met daarin een reactie van Loohuis, gereageerd.
2.9.
Eiser heeft daarop op 14 april 2025 een schriftelijke reactie gegeven, onder overlegging van een memo van Vergnes van 11 april 2025 en een rapport van Energeo van 7 april 2025.
2.10.
De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigden van het Instituut mr. S.C Goldbohm en mr. A.G Sol. Aan de zijde van eiser waren deskundige P.J. Vrieling (hierna: Vrieling), verbonden aan Vergnes en Ir. W.A.B Meiborg (hierna: Meiborg) verbonden aan Energeo aanwezig. Aan de zijde van het Instituut waren de deskundigen Kiestra en Loohuis aanwezig.
2.11.
De rechtbank heeft het onderzoek heropend teneinde een plaatsopneming te gelasten. Op 25 augustus 2025 heeft er een onderzoek ter plaatse plaatsgevonden op het adres van eiser.
2.12.
Eiser heeft overeenkomstig de gemaakte afspraken bij de plaatsopneming bij brief van 29 augustus 2025 opgave gedaan van de gemaakte kosten voor deskundigen. Het Instituut heeft daar bij brief van 5 september 2025 op gereageerd.
2.13.
De rechtbank heeft partijen op 23 oktober 2025 bericht het niet nodig te achten een nieuwe zitting te houden, tenzij partijen dat wensen. Partijen hebben op respectievelijk 29 en 30 oktober 2025 aangegeven daar geen behoefte aan te hebben.
2.14.
De rechtbank sluit het onderzoek.

Beoordeling door de rechtbank

Tijdelijke wet Groningen
3. Op 1 juli 2020 is de Tijdelijke wet Groningen in werking getreden en het Besluit Mijnbouwschade Groningen ingetrokken (Stb. 2020, 184). Met deze wet is de publiekrechtelijke afhandeling van aanvragen om vergoeding van schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningerveld en de gasopslag bij Norg wettelijk geregeld.
3.1.
Met ingang van 1 juli 2020 is tevens het Instituut opgericht en als zelfstandig bestuursorgaan belast met de afhandeling van aanvragen om schadevergoeding. Het Instituut neemt daarmee die taak van de Tijdelijke Commissie over.
3.2.
Hieronder wordt, voorzover van toepassing, onder het Instituut mede de Tijdelijke Commissie begrepen.
Feiten en totstandkoming van het besluit
4. [naam] (tevens familie van eiser) was van 1992 tot 4 januari 2023 eigenaar van de woning op [adres] (hierna: de woning). Zij heeft eerder schade aan deze woning gemeld bij de NAM. Naar aanleiding daarvan is op 31 oktober 2014 en 29 oktober 2015 door Arcadis een adviesrapport opgemaakt. Op 13 november 2015 is haar een schadevergoeding van € 6.957,13 (incl. btw) toegekend.
4.1.
Het betreft hier een vrijstaande woning uit het bouwjaar 1948. Onder een gedeelte van de woning bevindt zich een kelder. De achtergevel van het pand is deels onderdeel van het onderkelderde gedeelte en deels onderdeel van het niet-onderkelderde gedeelte van het pand. De woning is gefundeerd op staal, op een betonnen strokenfundering. De woning staat op de wierde van [woonplaats] . In 1972 is de garage uitgebreid aan de achterzijde. In 1998 is achter de garage een aanbouw gerealiseerd.
4.2.
[naam] heeft de onderhavige aanvraag om schadevergoeding op 29 oktober 2019 ingediend. Bij de aanvraag voor vergoeding van aardbevingsschade is het volgende vermeld:
‘Linkerzijgevel gaat hellen, scheuren worden bij de dag groter. Dit is urgent wij voelen ons niet veilig in onze woning. De schoorsteen is al 2 cm naar buiten gegaan. Boven: dakkapel van de slaapkamer wordt meegetrokken naar de linkergevel. De inbouwkasten die gekoppeld zijn aan de linkerzijgevel willen niet meer dicht.’
4.3.
Op 30 oktober 2019 heeft [naam] melding gemaakt van een acuut onveilige situatie (AOS-melding), omdat de zijgevel naar buiten beweegt en zij zich hierdoor niet meer veilig voelde. De AOS-melding is op 11 november 2019 ongegrond verklaard.
4.4.
Op 27 november 2019 heeft H. Doedel- de Vries (hierna: Doedel) verbonden aan 10BE, de schade aan de woning met een ‘opname light’ visueel opgenomen. In het rapport d.d. 24 december 2019 zijn 80 schades opgenomen. In verband hiermee is een schadevergoeding geadviseerd van in totaal € 27.333,71 voor de schades 1-17, 19, 20, 22, 26-28, 30-44, 46-49, 51-65 en 67-80. Over deze schades staat in het rapport aangegeven: ‘
Overbelasting door trillingen of veranderingen in de ondergrond veroorzaakt door mijnbouw kan invloed hebben gehad op de gemelde schade.’
4.5.
De arbiter bodembeweging (hierna: de arbiter) heeft op 19 december 2019 uitspraak gedaan in de zaak van de buren van eiser woonachtig op [adres] tegen de NAM. De herstelkosten van de door de NAM aan de eigenaren te vergoeden schades is daarbij vastgesteld conform de methode sloop/nieuwbouw.
4.6.
[naam] heeft een zienswijze ingediend op 14 april 2020, aangevuld op 17 juni 2020. Daarin worden bezwaren ten aanzien van de schadebeoordeling aangegeven en tevens wordt gemeld dat bij inspectie door de aannemer is gebleken dat er meerdere grote scheuren in de fundering zitten, onder de schouw in de woonkamer, onder de hobbykamer, in de hoek van de zuidwest gevel met de noordwest gevel en dat de zuidwest gevel naar voren/buiten wijkt. Verder wordt gemeld dat er schade is aan de keukenvloer (scheuren en verzakt), dat er een scheur is in de hobbykamer en in de slaapkamer en dat die zijn ontstaan na de beving in Wagenborgen op 2 maart 2020. Verzocht wordt dat de schade aan de zuidwest kant van het huis en de fundering nader wordt onderzocht en om de schades aan de keukenvloer, hobbykamer en slaapkamer op te nemen en te beoordelen. Tevens is verwezen naar de gemelde uitspraak van de arbiter inzake het buurpand op [adres] .
4.7.
Op 10 augustus 2020 heeft Doedel op verzoek van het Instituut een herzien adviesrapport uitgebracht. Daarin zijn aanvullend de schades 81-87 opgenomen. Geadviseerd wordt voor de schades 81 en 85-87 een schadevergoeding toe te kennen van in totaal € 1.355,85. Ten aanzien van de schades 82, 83 en 84 is Doedel van mening dat deze schades niet als mijnbouwgerelateerde schades kunnen worden aangemerkt. Verder zijn in dit rapport de herstelkosten voor een aantal schades aangepast. Geadviseerd wordt een schadevergoeding toe te kennen van in totaal € 27.333,71.
4.8.
Het Instituut heeft bij besluit van 27 augustus 2020 het herziene adviesrapport van Doedel van 10 augustus 2020 gevolgd en aan [naam] een vergoeding van € 27.384,54 toegekend, te vermeerderen met wettelijke rente en bijkomende kosten, zijnde in totaal
€ 28.384,54.
4.9.
[naam] heeft op 5 oktober 2020 bezwaar gemaakt tegen dit besluit en dat later aangevuld op 29 januari 2021. Daarbij is een contra-expertise van Vergnes d.d. 27 januari 2021 overgelegd.
Vergnes heeft in dat rapport ten aanzien van de schades 10, 14, 15, 68, 69 en 81
erop gewezen dat sprake is van scheurvorming door beide zijden van de fundering die zich onder de hobbykamer bevindt. Ten aanzien van schade 82 wordt aangegeven dat deze schade is veroorzaakt door de scheefstand van het metselwerk (schade 10 en 15) en de scheurvorming in de onderliggende fundering (schade 81). De scheurvorming in de onderliggende fundering staat volgens Vergnes in direct verband met de scheefstand en scheurvorming in de tegelvloer in de keuken. De schades zijn niet te herstellen op de door Doedel gecalculeerde wijze gezien de forse scheefstand van de gevel en de scheurvorming in de fundering. Vergnes adviseert om, gelet op de situatie op locatie, een constructief plan op te laten stellen om de schade duurzaam te laten herstellen. In totaal wordt daarvoor door hem een schadebedrag berekend van € 58.388,72.
4.10.
Het Instituut heeft het bezwaar ter advisering voorgelegd aan de Commissie advisering bezwaarschriften mijnbouwschade Groningen (hierna: de bezwaaradviescommissie). Die heeft aan deskundige Ottevanger gevraagd de resultaten van de trillingstool voor het adres waar de aanvraag op ziet aan te leveren. Ottevanger heeft daarover op 30 juni 2021 rapport uitgebracht.
4.11.
Uit de trillingstool komt naar voren dat de trillingsintensiteit van de beving in Huizinge in 2012 3,49 mm/s (PGV 1%) is geweest. Daarnaast zijn er vijf andere bevingen geweest waarbij de Vtop1% tussen de 2.00 en 3.00 mm/s is geweest en bij acht andere bevingen tussen de 0,74 en 2.00 mm/s.
4.12.
In reactie daarop is van de zijde van [naam] op 3 augustus 2021 gereageerd met een reactie van Vergnes op 2 augustus 2021.
4.13.
Op 1 september 2021 is een eerste hoorzitting in bezwaar geweest. Daarbij waren behalve partijen, ook de deskundigen Dorman van 10BE en Vrieling van Vergnes aanwezig. De bezwaaradviescommissie heeft Dorman aangewezen voor het verrichten van nader onderzoek naar de schades 10, 14, 15, 68, 69 en 81. Daarbij is gevraagd om een aanvullend addendum uit te brengen waarin: a. de resultaten worden neergelegd van zijn onderzoek naar de bodemsamenstelling, de aanlegdiepte van de fundering, de draagkracht van de ondergrond en de grondwaterstand; b. de resultaten van het onder sub a genoemde onderzoek te betrekken bij de beoordeling van deze schades in het herzien adviesrapport; c. de gronden van het bezwaarschrift of hetgeen tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht bij de beoordeling te betrekken.
4.14.
Dorman heeft op 15 februari 2022 een addendum in bezwaar uitgebracht met vijf bijlagen, waaronder het specialistenverslag met bijlagen van ingenieursbureau Archipunt van 4 februari 2022, ingenieursbureau MUG en FUGRO, waarin de resultaten zijn opgenomen van een bij de woning van eiser uitgevoerde grondboring, handsondering en peilbuismeting.
Dorman concludeert in het addendum dat het metselwerk van de achtergevel scheuren vertoont en dat het schadepatroon in de gevel duidt op zetting van de op staal gefundeerde gevel. Dit manifesteert zich ter plaatse van de aansluiting van de achtergevel op de linkerzijgevel, boven de kozijnen en door diagonale scheurvorming. De schade wordt volgens Dorman veroorzaakt door zettingsverschillen door verschillende belasting en funderingsdruk ter plaatse van de fundering op staal van de gevels en de dieper gefundeerde kelder en door zettingsverschil door achtergrondzakking (consolidatie) van de bodem met verschillende grondopbouw. Daarbij wijst hij er op dat uit het bodemonderzoek blijkt dat de ondiepe bodem voornamelijk uit klei in verschillende samenstellingen bestaat. Aan de achterzijde van de woning bevindt zich op ongeveer 70 cm -NAP een veenlaag. Aan de voorzijde bevindt deze laag zich op ongeveer 25 cm -NAP. Klei en veen zijn zeer zettingsgevoelig. Dorman heeft aan zijn bevindingen mede de conclusies van Archipunt ten grondslag gelegd. Daarnaast zorgt volgens Dorman de later na de bouw aangebrachte dakkapel bij de badkamer op de plek waar de geconstateerde schade is vastgesteld, voor extra krachten en spanningen in de achtergevel. De kunststof kozijnen in de achtergevel, in combinatie met de relatief grote gevelopening, zonder dat er een latei is, zijn niet in staat een ondersteunende functie te bieden aan het door zetting vervormende muurwerk. Mijnbouwactiviteiten zijn gelet op de gemeten trillingswaarden, niet van invloed geweest op het ontstaan van zettingen en hebben ook geen invloed gehad op eventuele verergering van de schade in de zin van verdere desintegratie van bestaande scheurvorming. Dorman heeft de scheefstand optisch beoordeeld en niet waargenomen. Hij heeft dit met een grote waterpas gemeten.
4.15.
Op 13 april 2022 heeft [naam] een reactie ingediend op dit addendum in bezwaar, met daarin opmerkingen van Vergnes.
4.16.
Op 25 mei 2022 heeft de bezwaaradviescommissie een tweede hoorzitting gehouden. Daarbij waren [naam] , de voormalige gemachtigde mr. K. Waarheid, en Vrieling namens Vergnes aanwezig en van de zijde van het Instituut mr. H. Jonkman. Ook deskundige Dorman was aanwezig.
4.17.
De bezwaaradviescommissie heeft op 14 juni 2022 geadviseerd het bezwaar tegen schades 51, 54 en 70 gedeeltelijk gegrond te verklaren, zonder toekenning van een aanvullende vergoeding en voor het overige het bezwaar ongegrond te verklaren.
De bezwaaradviescommissie overweegt – voorzover van belang – in de kern als volgt:
- Schades 10, 14, 15, 19 (‘scheuren in het metselwerk van de achtergevel en scheuren in de afwerklaag van de wand van de hobbykamer die is gelegen achter aan de andere kant van de achtergevel’). De bezwaaradviescommissie volgt de beoordeling van Dorman en de specialisten dat de scheuren zijn veroorzaakt door ongelijkmatige verzakking (zetting) van de fundering in de ondiepe ondergrond door een ongelijke funderings- en belastingwijze in verband met zettingsgevoelige of onvoldoende draagkrachtige ondiepe ondergrond. De berekende maximum trillingssnelheid van de bodem door mijnbouw op de locatie van de woning heeft de zetting niet veroorzaakt of verergerd. Daar doet niet aan af dat de dakkapel bij de badkamer niet later is aangebouwd, maar al bij de bouw van de woning in 1948 bestond. Dorman heeft evident en aantoonbaar een andere oorzaak dan bodembewegingen door mijnbouw voor deze schades aangetoond. Het bewijsvermoeden is daarom weerlegd. Nu Doedel de schades wel als mijnbouwschade heeft gekwalificeerd heeft het Instituut de schades onverplicht betaald. Deze onverplicht toegekende herstelkosten kunnen worden verrekend met in bezwaar toegekende aanvullende vergoeding.
- Voor de schades 68, 69 (‘verticale en een diagonale scheur in het pleisterwerk van wand 4 van de hobbykamer’) en 81 (‘scheur in het metselwerk van de kruipruimte’) volgt de bezwaaradviescommissie eveneens de beoordeling van Dorman. Datzelfde geldt voor schade 82 (‘een scheur in een tegel, loszittend voegwerk en de verzakking van de aansluiting van de tegelvloer met de wand van de keuken’).
- Schades 23 tot en met 25 (‘scheuren in het metselwerk van gevel 4’) zijn identiek aan door de NAM eerder beoordeelde schades. Het Instituut is daarom niet bevoegd over deze schades te oordelen.
- Voor schades 35 (‘scheur voegwerk schoorsteen’) en 37 (‘horizontale scheur in raapwerk van wand 2 van de zolder’) is de door Doedel geadviseerde herstelmethode toereikend om de schade deugdelijk te herstellen.
- Voor schades 38, 42, 44, 63, 65 (‘scheuren in het stuc- en sauswerk’) en 87 (‘scheurvorming in het voeg en metselwerk van gevel 4’) is de geadviseerde herstelwijze toereikend om de schade te herstellen.
- Voor de nieuwe schades 88, 89 en 90, die eiser in bezwaar heeft opgevoerd, moet hij een nieuwe aanvraag indienen bij het Instituut.
4.18.
Het Instituut heeft in het bestreden besluit van 23 januari 2023 het advies van de bezwaaradviescommissie gevolgd, behalve voor wat betreft het verrekenen van de aanvullende vergoedingen met de onverplicht betaalde vergoedingen in verband met nieuw beleid. Het Instituut heeft deze schades niet verrekend en het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de schadevergoeding in totaal vastgesteld op € 33.946,68 (zoals hiervoor bij het procesverloop is opgenomen).
4.19.
Eiser is daartegen op 3 maart 2023 in beroep gegaan en heeft bij aanvullend beroepschrift van 6 februari 2024 een onderzoek van Energeo d.d. 30 januari 2024 overgelegd, opgesteld door Meiborg. In dat onderzoek wordt door Meiborg geconcludeerd dat met het addendum in bezwaar van Dorman niet is aangetoond dat het bewijsvermoeden is weerlegd. Verder wordt opgemerkt dat er sprake is van ernstige scheefstand van de woning, waarbij de voorgevel en de zijgevels, maar ook de vloeren binnen ernstige scheefstanden en zettingsverschillen vertonen.
4.20.
Het Instituut heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift van 5 november 2024, waarbij het Instituut een nader advies d.d. 24 oktober 2024 heeft overgelegd van de deskundigen Kiestra en Ottevanger van 10BE, met daarbij de bijlage “Analyse en oorzaken van de opgetreden (verschil)zettingen” van deskundige Loohuis (geotechnicus en hydroloog) van 22 maart 2024 en een rapport van LamersWater van 19 maart 2024. In voornoemd advies van Kiestra en Ottevanger zijn de schades opnieuw beoordeeld, evenals de in bezwaar aangevulde nieuwe schades onder de nummers 88-90. Tevens staat daarin vermeld dat de woning op 47 meter van de rand van de wierde is gelegen met een hoogteverschil van 1,1 meter. Verder zijn door hen de bouwvolumes en afmetingen van de buurpanden op de nummers 13 en 15 met elkaar vergeleken. Geconcludeerd wordt dat de twee woningen veel overeenkomsten in materiaalgebruik, detaillering en vormtaal hebben, maar dat de panden te verschillend zijn om met elkaar te kunnen vergelijken.
Loohuis concludeert in zijn analyse dat de verschilzettingen los staan van mijnbouwactiviteiten en effecten van bodemdaling. Als autonome oorzaken noemt hij oxidatie in organisch materiaal, niet-homogeniteit en variatie in de bodemopbouw bij de woning, gebouwbelastingen en de aanwezigheid van een kelder onder het huis. Loohuis heeft zettingsberekeningen uitgevoerd.
4.21.
Eiser heeft op 28 februari 2025 een aanvullende reactie gegeven op het verweerschrift en het nader advies. Daarbij zijn een aanvullend deskundigenbericht van Vergnes d.d. 28 februari 2025 en een deskundigenbericht van Energeo d.d. 28 februari 2025 overgelegd.
In dit rapport van Vergnes zijn de bevindingen neergelegd van vloerwaterpassing en lintvoegmetingen die zijn uitgevoerd. Vergnes concludeert dat er scheefstand is van de begane grondvloer en verdiepingsvloer en in mindere mate in het metselwerk van de woning. De scheefstand is volgens Vergnes niet te herstellen zonder vervanging van de totale constructie. Voor een duurzame herstelwijze dient de woning, exclusief garage en aanbouw opnieuw te worden opgebouwd. De herstelkosten worden begroot op € 510.578,-.
Meiborg concludeert in voornoemd rapport dat de bevindingen van Loohuis er niet toe kunnen leiden dat het scheuren en verschilzettingen evident en aantoonbaar uitsluitend het gevolg zijn van een andere oorzaak dan bodembeweging door mijnbouw. Hij acht de uitgangspunten in het rapport inhoudelijk onjuist en wijst op extra gevoeligheid voor verschilzettingen door trillingen van aardbevingen van de wierdegrond waarop het niet-onderkelderde deel is gefundeerd. Hij acht herstel in de oorspronkelijke toestand van de woning naar de situatie van voor 2012 alleen mogelijk door sloop en nieuwbouw.
4.22.
Op 27 maart 2025 heeft het Instituut gereageerd op de aanvullende reactie van eiser. Daarbij is een deskundigenadvies van Kiestra d.d. 24 maart 2025 overgelegd, waarin ook een reactie van Loohuis is opgenomen. Kiestra acht de metingen van Vergnes te onzorgvuldig en onnauwkeurig om daarvan uit te gaan. Daarnaast is aangegeven dat het zeer opmerkelijk is dat een vloer die wordt gedragen door een binnenmuur en rust op dezelfde fundering als de buitenmuur, anders zet dan de constructief verbonden buitenmuur.
Loohuis geeft aan dat zijn conclusie niet wijzigt door het rapport van Meiborg omdat gezien vanuit de basistheorie van de grondmechanica tussen het bouwjaar 1948 en 2012 verschilzettingen bij de woning moeten zijn ontstaan door de forse verschillen in veenlaagdikte onder de woning en het feit dat de woning slechts deels is onderkelderd. Daardoor zijn verschillen in zetting in het veen ontstaan.
4.23.
Eiser heeft hier op 14 april 2025 weer op gereageerd. Daarbij is een rapportage van Vergnes van 11 april 2025 overgelegd. Daarin is nader ingegaan op de verrichte metingen (waterpassing en lintvoegen) en een rapportage van Energeo van 7 april 2025. Meiborg concludeert dat het bewijsvermoeden niet is weerlegd door de bevindingen in het laatste rapport van Loohuis omdat ook daarin niet is aangetoond dat de verschilzettingen zijn ontstaan tussen 1948 en 2012.
Het geschil
5. Ter beoordeling ligt voor het bestreden besluit van 23 januari 2023. In geschil is in het bijzonder of ten aanzien van de schades 10, 14, 15, 19, 68, 69, 81 (1 en 2) en 82 het bewijsvermoeden door het Instituut terecht weerlegd is geacht. Tevens staat de hoogte van de herstelkosten ter discussie, waaronder de herstelwijze van de schades 35, 37, 38, 42, 44, 65 en 69 en de vraag of de scheefstand van de woning onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. Ten aanzien van de schades 23, 24, 25 staat ter discussie of het Instituut zich terecht onbevoegd heeft geacht en of de schades 88, 89 en 90 moeten worden vergoed.
6. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunten wijze toetsing bewijsvermoeden
7. Tussen partijen is niet in geschil dat dat de woning in het effectgebied ligt en dat het bewijsvermoeden van toepassing is op de schades aan de woning van eiser. Wel verschillen zij van mening over de vraag of het Instituut het bewijsvermoeden op juiste wijze heeft getoetst.
7.1.
Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat het Instituut de vraag of het bewijsvermoeden is weerlegd ten onrechte volledig aan de ingeschakelde deskundigen heeft over gelaten, zonder dat het Instituut dit op juistheid heeft getoetst en zonder dat de deskundigen hun conclusies op juiste wijze hebben onderbouwd. Het Instituut mag niet volstaan met een marginale toets, maar moet vol toetsen of er in civielrechtelijke zin afdoende bewijs is om het wettelijk bewijsvermoeden weerlegd te achten. Het Instituut heeft door middel van het toepassen van bestuursprocesrechtelijke regels minder rechtsbescherming geboden aan de burger dan diezelfde burger op basis van civielrechtelijke regels jegens de NAM toekomt.
7.2.
Het Instituut stelt voorop dat een aanvaardbare bestuursrechtelijke invulling is gegeven aan het wettelijk bewijsvermoeden. De werkwijze van het Instituut is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) akkoord bevonden. Het Instituut mag in beginsel afgaan op het advies van deskundigen als deze onafhankelijk zijn en het advies inzichtelijke en begrijpelijk is. Voor het weerleggen van het bewijsvermoeden is, anders dan eiser en zijn deskundigen lijken te veronderstellen, geen wetenschappelijke zekerheid vereist.
Beoordelingskader; het bewijsvermoeden in bestuursrechtelijke context
8. Het bewijsvermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, Burgerlijk Wetboek is van toepassing op de schades. Bij fysieke schade aan gebouwen en werken die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld zou kunnen zijn, wordt namelijk vermoed dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.
8.1.
Het Instituut acht het bewijsvermoeden met succes weerlegd als aan de hand van een deskundigenadvies is aangetoond dat de schadeoorzaak aantoonbaar uitsluitend een andere is dan bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk. In dat geval is het voldoende aannemelijk dat de schade niet is veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten.
8.2.
De rechtbank verwijst voor de vraag op welke wijze in mijnbouwzaken voor wat betreft fysieke schade aan gebouwen getoetst moet worden en voor de toepassing van het bewijsvermoeden in bestuursrechtelijke context, in het bijzonder naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631, onder 30-40.
8.3.
Van het Instituut wordt daarbij niet gevraagd dat met 100% zekerheid uitgesloten kan worden dat de schade is ontstaan en/of verergerd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Zie hiertoe de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, onder 69. Het is een voldoende grote mate van zekerheid als de schade zeer waarschijnlijk is veroorzaakt door een andere uitsluitende oorzaak dan mijnbouwactiviteiten. Zie daarvoor de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:96, onder 75.
8.4.
De rechtbank wijst daarnaast en voor de volledigheid nogmaals op gemelde uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, onder 75. Een deskundige kan voor een schade een andere oorzaak dan mijnbouwactiviteiten aanwijzen. Een deskundige mag ook meerdere, al dan niet samenhangende en mijnbouwactiviteiten uitsluitende oorzaken voor het ontstaan van schade aanwijzen. Indien duidelijk is dat een van de genoemde oorzaken de schade heeft veroorzaakt, is voldaan aan het criterium dat voldoende aannemelijk is dat de schade niet door bodembeweging is ontstaan. Als er meerdere oorzaken zijn waaronder mogelijk ook bodembeweging door mijnbouwactiviteiten, dan is het bewijsvermoeden niet weerlegd.
8.5.
Sinds 1 juli 2021 hanteert het Instituut voor de toepassing van het wettelijke bewijsvermoeden een geactualiseerd en aangevuld kader voor de beoordeling van fysieke schade door deskundigen. Dit geactualiseerde beoordelingskader is neergelegd in de “Praktische Uitwerking Tijdelijke wet Groningen voor Deskundigen” (hierna: Praktische Uitwerking Deskundigen). Zie de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, onder 55-58. Als de deskundige heeft geconstateerd dat er een autonome oorzaak voor de schade bestaat, moet hij aanvullend nagaan of het aannemelijk is dat trillingen door aardbevingen de schade toch hebben veroorzaakt of hebben verergerd. Het advies “Over de invloed van trillingen door bevingen op zettingen van gebouwen” van Ir. P.C. van Staalduinen en Ing. H.J. Everts van 16 december 2020 dat ziet op de beoordeling van schade als gevolg van zettingen, heeft terzake een vaste plaats gekregen. Het Instituut geeft hiermee nader invulling aan het wettelijke bewijsvermoeden voor de beoordeling van de vraag of schade uitsluitend een andere oorzaak dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten heeft. Voor de aanvullende beoordeling van schades die niet verband houden met zettingen of die het gevolg zijn van zettingen die niet veroorzaakt zijn door aardbevingen, hanteert het Instituut de SBR Trillingsrichtlijn A; schade aan gebouwen 2017; dit is dus aanvullend op de vraag of er een andere uitsluitende oorzaak bestaat. De Afdeling acht dit aanvaardbaar. Zie wederom de hiervoor genoemde uitspraak van 8 juni 2022, onder 88.
8.6.
Dit geactualiseerde beoordelingskader draagt volgens de Afdeling bij aan een meer uniforme benadering en rechtszekerheid en biedt ook de mogelijkheid tot meer differentiatie van gevallen binnen het effectgebied, omdat daarbinnen de kans op schade in hoge mate uiteenloopt. Volgens de Afdeling wordt hiermee een aanvaardbare invulling gegeven aan het criterium dat de schade uitsluitend veroorzaakt moet zijn door een autonome oorzaak. Daarbij heeft de Afdeling van belang geacht dat het beoordelingskader berust op de huidige wetenschappelijke inzichten en dat daarin door het Instituut meerdere veiligheidspercentages worden gehanteerd.
Beoordeling gronden van beroep
8.7.
De rechtbank zal nu ingaan op afzonderlijke onderdelen van de gronden van het beroep.
Onvoldoende rechtsbescherming?
9. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat aan hem door het toepasselijk zijn van bestuursrechtelijk procesrecht, minder en onvoldoende rechtsbescherming wordt geboden vergeleken met de rechtsgang bij de burgerlijke rechter. In de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022 is op een vergelijkbare stelling uitgebreid gemotiveerd ingegaan. Daarin staat (90-94) onder meer en geparafraseerd het volgende.
9.1.
De Tijdelijke wet Groningen voorziet in een publiekrechtelijke afhandeling van schade met rechtsbescherming door de bestuursrechter. Volgens de Memorie van Toelichting kunnen de inwoners van Groningen daarmee rekenen op een laagdrempelige en onafhankelijke afhandeling van schade met toepassing van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (BW) over aansprakelijkheid en schadevergoeding. Deze procedure is bovendien omkleed met alle waarborgen die de Awb biedt (Kamerstukken II 2018/2019, 35250, nr 3). De Tijdelijke wet Groningen laat overigens ook, desgewenst, de weg naar de burgerlijke rechter open.
9.2.
Het Instituut stelt het recht op schadevergoeding en de hoogte daarvan vast in een besluit. Het Instituut past daarbij de regels van het civielrechtelijke aansprakelijkheidsrecht overeenkomstig toe, waaronder het bewijsvermoeden uit artikel 6:177a, eerste lid, BW, met toepassing van de regels van het bestuursprocesrecht. Daarbij is er door de Afdeling op gewezen dat het vaste jurisprudentie is dat de bestuursrechter bij (de toetsing van) een beslissing om een verzoek tot schadevergoeding aansluiting zoekt bij het civiele recht en het aansprakelijkheidsrecht. Het belang van rechtseenheid laat geen ruimte voor niet te rechtvaardigen verschillen in benadering. Dit betekent dat de bestuursrechter de aansprakelijkheid voor mijnbouwschade vol toetst en dus ook een volle toets hanteert bij de vraag of het bewijsvermoeden is weerlegd. Daarbij betrekt hij de adviezen die door onafhankelijke deskundigen zijn opgesteld die beschikken over specialistische kennis. De vraag of de schade het gevolg is van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten is primair een technische bouwkundige vraag en beantwoording van die vraag vergt specialistische kennis en ervaring. Om die reden is in de Tijdelijke wet Groningen bepaald dat het Instituut hierover een onafhankelijke deskundige om advies kan vragen (artikel 12, eerste lid).
9.3.
De Afdeling heeft daarbij overwogen dat het bewijs vorm krijgt door onafhankelijke deskundigenadvisering, waarbij het Instituut zich bij zijn besluit moet vergewissen van de juistheid van de adviezen. Het Instituut kan het bewijsvermoeden alleen met succes weerleggen als het er in slaagt te bewijzen dat aan de schade uitsluitend een andere autonome oorzaak ten grondslag ligt dan bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Daarbij is door de Afdeling in voornoemde uitspraak van 8 juni 2022 aangegeven dat het wettelijk bewijsvermoeden niet veronderstelt dat het conditio sine qua non verband tussen schade en schadeoorzaak reeds gegeven is, maar dat dit ziet op de bewijslastverdeling. Het wettelijk bewijsvermoeden brengt een omkering van de bewijslast met zich mee en daarmee een verlichting van de bewijslast van de aanvrager. Het bewijsrisico voor het ontbreken van het causaal verband ligt bij het Instituut.
9.4.
Het Instituut mag volgens de Afdeling afgaan op een advies van een door hem ingeschakelde deskundige als het zich van de zorgvuldigheid ervan heeft vergewist en ook is nagegaan of het advies de hoge bewijsmaatstaf haalt en evident een andere oorzaak dan bodembeweging als uitsluitende oorzaak van de schade heeft aangewezen. Het gaat hierbij om een hoge mate van zekerheid en niet 100% of natuurwetenschappelijke zekerheid. Alleen als het Instituut het bewijsvermoeden weerlegt en dus bewijst dat de schade niet door mijnbouwexploitatie is ontstaan of verergerd, gaat het bewijsrisico van het Instituut over op de aanvrager. Als het Instituut het bewijsvermoeden heeft weerlegd, is het vervolgens aan de aanvrager om concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van conclusies daarop naar voren te brengen. De bestuursrechter beoordeelt vervolgens aan de hand van de aangevoerde gronden of het bewijsvermoeden evident en aantoonbaar is weerlegd en dus of het Instituut aan zijn bewijslast heeft voldaan en zijn besluitvorming op de adviezen mocht baseren.
9.5.
Deze jurisprudentie van de Afdeling neemt de rechtbank tot uitgangspunt. Van minder en onvoldoende rechtsbescherming in algemene zin is aldus geen sprake. Deze grond van eiser slaagt daarom niet.
Ingeschakelde deskundigen onafhankelijk?
10. Eiser heeft voorts aangevoerd dat de deskundigen die door het Instituut zijn aangesteld niet onafhankelijk zijn omdat aan hen geen vrijheid wordt gegeven om de oorzaak van de schades zelfstandig vast te stellen, zij een directe bezoldigde afhankelijkheidsrelatie hebben met het Instituut en onvoldoende deskundig zijn op het terrein waarover zij advies hebben uitgebracht. Ten onrechte hebben zij de Gedragscode wetenschappelijke integriteit niet analoog in hun onderzoek toegepast.
10.1.
Het Instituut heeft onder verwijzing naar jurisprudentie betwist dat het zich niet op de adviezen van de ingeschakelde deskundigen zou mogen baseren en dat deze niet onafhankelijk zijn. Er hoeft geen analoge toepassing gegeven te worden aan de Gedragscode wetenschappelijke integriteit.
10.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in meergenoemde uitspraak van 24 februari 2021, onder 49 e.v. ligt het op de weg van het Instituut zich te vergewissen van de onpartijdigheid van de geraadpleegde deskundige. Een onafhankelijk adviseur is een persoon of commissie, die geen deel uitmaakt van of werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan waaraan wordt geadviseerd, en die belast is met de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking en daarbij geen persoonlijk belang heeft. Als de schijn is gewekt dat de door het Instituut benoemde deskundige niet onpartijdig is, mag het bestuursorgaan het advies van deze deskundige niet aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen.
10.3.
Het Instituut zoekt de waarborgen voor onpartijdigheid in de eisen die aan de persoon van de deskundige worden gesteld. Voor deze oplossing is gekozen vanwege het grote aantal benodigde deskundigen. Bijkomende reden daarvoor is dat de omstandigheid dat een adviseur behoort tot een onafhankelijke organisatie, niet zonder meer betekent dat dit ook geldt voor de personen die deel uitmaken van die organisatie. Het Instituut vergewist zich aan de hand van disclosure statements ervan dat de ingeschakelde deskundigen voldoen aan de gestelde eisen en daarmee onpartijdig zijn. Als op één van de op grond van artikel 6, vijfde lid, van het Besluit Mijnbouwschade Groningen vragen het antwoord 'ja' kan worden gegeven, dan is er (schijn van) partijdigheid. Het Instituut zal dan een andere deskundige aanwijzen. Daarnaast bevat de procedure waarborgen voor deskundigheid. Dit uitgangspunt en de criteria die het Instituut daarvoor hanteert zijn door de Afdeling in genoemde uitspraak aanvaardbaar en adequaat geacht.
10.4.
Het Instituut heeft disclosure statements van ingeschakelde deskundigen overgelegd. Het is de rechtbank niet gebleken dat de door het Instituut ingeschakelde deskundigen niet voldoen aan de gestelde eisen van onafhankelijkheid. Daarnaast volgt uit de disclosure statements dat het Instituut zich heeft vergewist dat de deskundigen beschikken over de juiste expertise nu daarin staat welke relevante opleidingen en cursussen zij hebben gevolgd. Hetgeen eiser terzake heeft betoogd acht de rechtbank onvoldoende om op basis daarvan te oordelen dat zij niet zouden kunnen oordelen over mijnbouwschade. Eiser is overigens in zijn reactie na verweerschrift ook niet nader ingegaan op hetgeen het Instituut in dit verband naar voren heeft gebracht.
10.5.
Voor zover eiser stelt dat ten onrechte de Gedragscode wetenschappelijke integriteit niet is toegepast, is de rechtbank van oordeel dat het Instituut terecht heeft opgemerkt dat het hier niet gaat om wetenschappelijk onderzoek dat is uitgevoerd. Daarnaast wijst de rechtbank op hetgeen hiervoor onder 8.6 staat vermeld.
10.6.
Deze grond slaagt op grond van het vorenstaande niet.
Is het bewijsvermoeden weerlegd bij de schades 10, 14, 15, 19, 68, 69, 81 en 82?
11. Ten aanzien van bovengenoemde schades zijn partijen verdeeld over de vraag of het Instituut het bewijsvermoeden terecht weerlegd heeft geacht. Partijen verschillen daarbij in de eerste plaats van mening over de vraag welke schadeoorzaken het Instituut aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd; de rechtbank zal daarom eerst op dat laatste punt ingaan.
Welke schadeoorzaken liggen aan het bestreden besluit ten grondslag?
12. Eiser heeft aangevoerd dat wat Dorman over de dakkapel en de kunststof gevelkozijnen en een ontbrekende latei naar voren heeft gebracht, niet aan het bestreden besluit ten grondslag ligt.
12.1.
Het Instituut heeft betoogd dat Dorman er in zijn rapport dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt op heeft gewezen dat het kunststof kozijn in combinatie met een relatief grote gevelopening en het ontbreken van een latei, niet in staat is een ondersteunende functie te bieden aan het door zetting vervormende metselwerk in de achtergevel. Dit ligt volgens het Instituut mede als oorzaak voor de schade aan het besluit ten grondslag.
12.2.
De rechtbank stelt vast dat het Instituut in het bestreden besluit het advies van de bezwaaradviescommissie van 14 juni 2022 inhoudelijk op het punt van het weerlegd achten van het bewijsvermoeden, integraal heeft gevolgd. De bezwaaradviescommissie heeft aan haar advies twee rapporten en twee addenda ten grondslag gelegd. Het betreft hier een adviesrapport van Doedel van 24 december 2019, een herzien adviesrapport van Doedel van 10 augustus 2020, een addendum van Ottevanger van 30 juni 2021 en een addendum van Dorman van 15 februari 2022, dat vijf bijlagen kent, waaronder het rapport van Archipunt van 4 februari 2022 en de rapporten van MUG en FUGRO.
12.3.
Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het kunststof raamkozijn en de volgens Dorman ontbrekende latei, aan dat besluit niet ten grondslag zijn gelegd. De bezwaaradviescommissie heeft dit gedeelte van de redenering van Dorman namelijk niet meegenomen in haar oordeel en is ook niet ingegaan op hetgeen in bezwaar over het kunststof raamkozijn of de latei van de zijde van [naam] naar voren is gebracht.
12.4.
De bezwaaradviescommissie heeft in genoemd advies wel aangegeven dat de opmerking van Dorman dat de dakkapel later dan de bouw is aangebracht niet op feitelijke juistheid berust nu de dakkapel al bij bouw van de woning in 1948 is aangebracht. Onder overname van de motivering van de bezwaaradviescommisie heeft het Instituut ten aanzien van genoemde schades het bewijsvermoeden weerlegd geacht en het bezwaar ter zake ongegrond verklaard. De rechtbank leidt daaruit af dat de gevolgen die Dorman in zijn advies aan de dakkapel heeft verbonden, namelijk dat er na de bouw van de woning extra spanningen en trekkrachten op de achtergevel zijn ontstaan, daarmee evenmin aan het bestreden besluit en de weerlegging van het bewijsvermoeden ten grondslag liggen.
12.5.
De bezwaaradviescommissie volgt de beoordeling van Dorman en de specialisten waar deze zich op baseert, in hun beoordeling dat de scheuren het gevolg zijn van ongelijkmatige verzakking (zetting) van de fundering in de diepe ondergrond door een ongelijke funderings- en belastingwijze in verband met zettingsgevoelige of onvoldoende draagkrachtige ondiepe ondergrond. De rechtbank zal er bij de verdere beoordeling dan ook van uitgaan dat het deze specifieke schadeoorzaken zijn die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen.
Evidente en andere uitsluitende oorzaak?
Standpunt eiser
13. Eiser betoogt, onder verwijzing naar de adviezen van Vergnes en Meiborg, dat niet vastgesteld kan worden dat de schades onder de hierboven genoemde nummers zijn ontstaan door een evidente en andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Pas na 2012 en na verschillende aardbevingen als gevolg van gaswinning, zijn er scheuren en verschilzettingen in muren en vloeren van de woning ontstaan. Het Instituut heeft in het bestreden besluit slechts op basis van bureaustudies en (onjuiste) aannames een potentiële alternatieve oorzaak aangedragen voor de schade, zonder te controleren of dit overeenkomt met de feiten, zoals het temporele manifestatiemoment van de schade en de omvang van de daadwerkelijke zettingen. De onderzoeken en adviezen waar het Instituut zich op baseert zijn onvolledig en daarom niet bruikbaar.
13.1.
Volgens eiser is het Instituut in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan op hetgeen bij de zienswijze en in bezwaar door [naam] en Vergnes naar voren is gebracht over de aard van de schade en het moment van optreden daarvan. De deskundigen die door het Instituut zijn aangesteld gaan ten onrechte uit van de aanwezigheid van slappe en zettingsgevoelige klei- en veenlagen onder de woning. Als dit de oorzaak van de schade en zetting zou zijn, was dit al veel eerder na de bouw van de woning te zien geweest en niet pas na 2012 zoals [naam] heeft verklaard. Bij een zettingsgevoelige ondergrond moet er namelijk van uitgegaan worden dat de zetting (en mogelijk verschilzettingen als gevolg daarvan) na een periode van maximaal 30 jaren stopt. Meiborg heeft in zijn rapport nader toegelicht dat en waarom de effecten van primaire en secundaire zetting die consolidatie kunnen veroorzaken voor 2012 al zijn uitgewerkt; primaire zetting vindt direct na de bouw van het pand plaats en secundaire zetting vindt in de dertig jaar na de bouw plaats, in dit geval dus in de periode 1948-1978. Dit is een geotechnische vuistregel.
13.2.
Eiser wijst erop dat de door Loohuis uitgevoerde zettingsberekeningen zich niet verhouden tot de door Vergnes feitelijk gemeten verschilzettingen. Er zijn geen andere dan mijnbouwgerelateerde oorzaken die verklaren waarom de schade pas na 2012 op is getreden en die de omvang van de feitelijke verschilzettingen verklaren. Meiborg heeft verder uiteengezet dat en waarom de conclusie van Loohuis dat door verschillen in zetting in het veen tussen 1948 en 2012 zeker verschilzettingen zijn ontstaan, onjuist is. Eiser betoogt dat uit het rapport van Meiborg volgt dat wierdegrond extra gevoelig is voor trillingen door aardbevingen en dat ook bij lichtere trillingen schade kan ontstaan. Daarbij heeft Meiborg onder andere gewezen op de eigenschappen van droge klei en wierdegrond. Daarom moet er volgens eiser vanuit worden gegaan dat door de trillingen van de veertien aardbevingen zoals die blijken uit de trillingstool, de verschilzettingen en scheuren zijn ontstaan.
13.3.
Eiser betoogt verder dat het Instituut te veel waarde heeft gehecht aan de trillingssnelheden die zijn gemeten. Deze zijn door het Instituut toegepast om op voorhand de invloed van trillingen op de schade uit te sluiten. De grenswaarden die zijn genoemd in de notitie van Van Staalduinen en Everts van 16 december 2020 zijn hier niet toepasbaar omdat de woning is gebouwd op een wierde. De notitie ziet bovendien alleen op verweking en verdichting van grondlagen en besteedt geen aandacht aan andere schademechanismen, zoals (in)directe effecten van bodemdaling en tijdelijke effecten van drukgolven en trillingen van aardbevingen. Ook deze mechanismen kunnen leiden tot de verzakkingen, verschilzettingen en scheefstanden waar hier sprake van is. Niet is onderzocht of deze oorzaken (een deel van) de verzakkingsschade hebben kunnen veroorzaken. Evenmin is onderzocht of - als er al een alternatieve oorzaak aanwezig is - de bevingen (een deel van) de verzakkingsschade ook (mede) hebben veroorzaakt.
13.4.
Eiser beroept zich tevens op het gelijkheidsbeginsel en verwijst in verband daarmee naar de uitspraak van de arbiter in de zaak van de eigenaren van de woning op [adres] . Deze woning is op dezelfde wijze gefundeerd als die van eiser. Daarin is overwogen dat uit het verrichte onderzoek is gebleken dat het pand op een wierde is gebouwd en geoordeeld dat de schade aan het pand, waaronder begrepen verzakkingen/scheefstand, gelegen is in het feit dat wierdegrond extra gevoelig is voor aardbevingen en dat de schade daarom mijnbouw gerelateerd is.
Standpunt van het Instituut
13.5.
Het Instituut stelt zich op het standpunt dat het bewijsvermoeden is weerlegd en dat is voldaan aan de vergewisplicht. Dorman heeft, mede op basis van de bevindingen uit het grond- en funderingsonderzoek van Archipunt, geoordeeld dat het metselwerk van de achtergevel scheuren vertoont en dat het scheurenpatroon in de gevel duidt op zetting van de op staal gefundeerde gevel. Dit manifesteert zich ter plaatse van de aansluiting van de achtergevel op de linkerzijgevel en door diagonale scheurvorming. De schade wordt veroorzaakt door zettingsverschillen door verschillende belasting en funderingsdruk ter plaatse van de fundering op staal van de dieper gefundeerde kelder en zettingsverschil door achtergrondzakking (consolidatie) van de bodem met verschillende grondopbouw. Daarbij is van belang dat er sprake is van een zettingsgevoelige (cohesieve) ondergrond. Mijnbouwactiviteiten zijn niet van invloed geweest op de schade.
13.6.
Het Instituut wijst er verder op dat ook uit het rapport van Loohuis is af te leiden dat alle opgetreden verschilzettingen volledig los staan van mijnbouwactiviteiten en van (directe of indirecte) effecten van diepe bodemdaling. De opgetreden verschilzettingen worden veroorzaakt door autonome oorzaken, te weten: niet homogeniteit en variatie in de bodemopbouw bij het pand, de oxidatie van organisch materiaal, gebouwbelastingen en de aanwezigheid van een kelder. Vanwege het feit dat de fundering op staal zich bevindt in een slappe, sterk samendrukbare (en dus sterk zettingsgevoelige) ondergrond, bestaande uit kleilagen en veenlagen en het feit dat slechts een deel van het pand is onderkelderd, ontstaan relatief forse verschilzettingen in de woning. Loohuis heeft aan de hand van zettingsberekeningen onderbouwd dat er sprake is van verschilzettingen door gebouwbelasting tussen het gedeelte van de achtergevel dat op een strokenfundering is gefundeerd en het gedeelte van de achtergevel ter plaatse van de kelder dat dieper is gefundeerd. Het geconstateerde schadebeeld past bij zetting van een beperkte omvang en correspondeert met het zettingsmechanisme uit het rapport van Loohuis. De stelling van eiser dat het zettingsproces na dertig jaar eindigt, klopt gelet op de zettingsberekeningen van Loohuis niet. Dat de schade pas na 2012 is ontstaan, is door eiser verder niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Kiestra en Ottevanger hebben in hun nader advies aangegeven dat aan verschillende voegkleuren en breedtes is te zien dat eerder meerdere herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd aan de gevel.
13.7.
Loohuis heeft aangegeven dat wat Meiborg heeft betoogd over wierdegrond en droge klei, niet relevant is. Gezien vanuit de basistheorie van de grondmechanica moeten tussen het bouwjaar 1948 en 2012 verschilzettingen bij de woning zijn ontstaan door de forse verschillen in veenlaagdikte daaronder.
13.8.
Het Instituut wijst er verder op dat in theorie twee schademechanismen worden gerelateerd aan trillingen door aardbevingen die verband houden met zettingen: verdichting en verweking. In de wetenschappelijke onderzoeken die tot op heden zijn uitgevoerd, wordt als uitgangspunt genomen dat deze schademechanismen zich niet voordoen bij de kracht van de aardbevingen in Nederland tot nu toe. Gelet op het feit dat daarom eigenlijk op voorhand al kan worden uitgesloten dat de hier gemeten trillingen tot de betreffende zetting hebben geleid, behoefde het Instituut geen hoge eisen te stellen aan de onderbouwing van de autonome oorzaak; dat zijn communicerende vaten bij de afweging van het bewijs.
13.9.
Het Instituut verwijst naar het advies van Van Staalduinen en Everts van 16 december 2020 waarin veilige grenswaarden zijn opgenomen waaronder het optreden van verweking en verdichting kan worden uitgesloten. Daarin zijn voldoende veiligheidsmarges ingebouwd, zodat deze ook gehanteerd kunnen worden bij gebouwen op een wierde. Verder wordt door het Instituut nog gewezen op een advies van Van Staalduinen van 28 januari 2022 onder de titel “Advies over de invloed van de (afwijkende) dynamische respons op bevingen bij wierden”. Daarin wordt geadviseerd om vooralsnog geen betekenis toe te kennen aan de invloed van wierden op de trillingsrespons van geïnduceerde bevingen binnen het reguliere gebied waarin het bewijsvermoeden nu al wordt toegepast. Uitzonderingssituaties daarop doen zich hier niet voor nu het gebouw op 47 meter afstand ligt ten opzichte van de rand van de wierde met een hoogte verschil van 1,1 meter ten opzichte van het omliggende land. De Afdeling heeft in de uitspraak van 3 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2233 geoordeeld dat de huidige staat van wetenschappelijk onderzoek bij wierden, geen aanleiding geeft om uit te gaan van een andere beoordelingskader met bijvoorbeeld hogere veiligheidsmarges dan die door het Instituut worden gehanteerd.
13.10.
De rechtbank zal op de kwestie van de evidente en andere uitsluitende oorzaak hierna onder 18 e.v. inhoudelijk ingaan.
Is het bestreden besluit goed gemotiveerd en zorgvuldig tot stand gekomen?
14. De rechtbank zal nu eerst het standpunt van eiser behandelen dat in het bestreden besluit niet voldoende is ingegaan op dat wat in de zienswijze en in bezwaar van de zijde van [naam] , danwel eiser en door hen ingeschakelde deskundigen, naar voren is gebracht.
14.1.
De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat het bestreden besluit op dit punt tekort schiet. In het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende adviezen is niet gemotiveerd ingegaan op de stelling dat als er sprake zou zijn van zettingsgevoelige ondergrond, de schade veel eerder dan pas na 2012 zou zijn opgetreden zoals [naam] in haar aanvraag heeft aangegeven. In het advies van de bezwaaradviescommissie staat namelijk alleen dat uit het uitgevoerde bodemonderzoek genoegzaam de samenstelling van de ondergrond blijkt, te weten dat deze met name uit klei en veen bestaat en dat de ondergrond daarom zettingsgevoelig of onvoldoende draagkrachtig is. Daarbij is niet ingegaan op hetgeen [naam] zowel bij haar aanvraag, bij de AOS-melding als in de zienswijze naar voren heeft gebracht, namelijk dat de schade pas na 2012 is opgetreden, dat er vanaf die periode sprake was van zich verplaatsend metselwerk en dat dit in tijd erger werd. Ook in de rapportages van Archipunt en Dorman is niet nader op het gestelde moment van optreden van de schade ingegaan.
14.2.
In zoverre kleeft een motiveringsgebrek aan het besluit.
14.3.
De rechtbank constateert daarnaast dat [naam] bij haar aanvraag en bij de zienswijze heeft aangegeven dat de linkergevel naar buiten wijkt en dat zij wijst op zettingen. Vergnes heeft er in zijn rapport van 27 januari 2021 op gewezen dat sprake is van scheurvorming bij beide zijden van de fundering die zich onder de hobbykamer bevindt. Ten aanzien van schade 82 wordt door hem aangegeven dat deze schade is veroorzaakt door de scheefstand van het metselwerk (schade 10 en 15) en de scheurvorming in de onderliggende fundering (schade 81). De scheurvorming in de onderliggende fundering staat volgens hem in direct verband met de scheefstand en scheurvorming in de tegelvloer in de keuken. Uit de adviezen van door het Instituut ingeschakelde deskundigen, te weten Doedel (ten aanzien van schade 82), Dorman en Archipunt volgt dat zij er in hun adviezen ook van uitgaan dat er sprake is van zetting en verzakking van de woning. De bezwaaradviescommissie gaat in haar advies ook uit van ongelijkmatige verzakking (zetting) van de fundering. De scheuren worden daar immers aan geweten.
14.4.
De rechtbank stelt vast dat het Instituut desondanks geen onderzoek naar zettingen en verzakkingen heeft laten verrichten. Er is alleen door Dorman met een waterpas naar eventuele scheefstand van de linkerzijgevel en achtergevel gekeken. Het Instituut heeft de verschilzettingen niet zelf laten opnemen naar aanleiding van hetgeen door [naam] en Vergnes naar voren is gebracht. Doedel heeft een louter visuele inspectie uitgevoerd en in haar herzien adviesrapport opgemerkt (bij schade 82) dat het niet nodig was om nader onderzoek te verrichten naar de zetting omdat de gemeten trillingswaarden daarvoor niet hoog genoeg waren.
14.5.
Ter gelegenheid van de plaatsopneming is van de zijde van het Instituut aangegeven dat destijds met een opname ‘light’ is volstaan, maar dat tegenwoordig in een dergelijk geval meer onderzoek verricht zou worden. In dit verband acht de rechtbank van belang dat in de Praktische Uitwerking Deskundigen onder 2.5 en 2.5.6 (versie 4.3 en 4.4) staat dat indien er op “bouwdeel en/of schadeniveau” kenmerken worden waargenomen waaruit blijkt dat er sprake kan zijn van ongelijke zettingen, het voor de deskundige verplicht is de omgevingskenmerken in te vullen. Daarbij wordt verwezen naar “indicatieve kenmerken” voor verschilzettingen, zoals scheefstand, hoogteverschil in vloeren, sprongen in lintvoegen, en de V-vorm van de scheur. De rechtbank constateert dat dit in het geval van de woning van eiser niet is gebeurd.
14.6.
Gevraagd naar de juridische consequentie van het hiervoor gememoreerde standpunt dat tegenwoordig meer onderzoek zou worden verricht, is door het Instituut aangegeven dat het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt op dat punt niet zorgvuldig is geweest en dat het besluit daarom niet in stand kan blijven. De rechtbank deelt dat standpunt. Het Instituut heeft daarbij verzocht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit wel in stand te laten. Op dit laatste zal hierna in 16 e.v. worden ingegaan.
Conclusie ten aanzien van de totstandkoming van het bestreden besluit
15. De rechtbank is al met al van oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eiser heeft concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht voor twijfel aan de totstandkoming van het advies waarop het bestreden besluit is gebaseerd en aan de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering. Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en dat de rechtbank dit zal vernietigen. Deze beroepsgrond is daarom terecht aangevoerd.
Zelf in de zaak voorzien door de rechtbank, kunnen de rechtsgevolgen in stand blijven?
16. In artikel 8:41a van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter het voorgelegde geschil, zoveel mogelijk zelf definitief beslecht. De rechtbank zal met inachtneming van het juiste beoordelingskader bezien of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven. Daarbij betrekt de rechtbank ook het debat zoals dat tussen partijen in beroep is gevoerd en de in dat kader overgelegde adviezen en rapporten.
Op voorhand uitsluiten?
17. Voorzover het Instituut zich op het standpunt heeft gesteld dat aan de hand van staande wetenschappelijke inzichten eigenlijk al op voorhand kan worden uitgesloten dat trillingen tot de betreffende zettingen hebben geleid, wijst de rechtbank erop dat op basis van het geldende ‘bewijsbeleid’ eerst een evidente en aantoonbaar andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten voor het ontstaan van de schade moet worden aangewezen; zie ook de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2232 onder 151. Als de deskundige daar niet in slaagt mogen trillingswaarden, zoals ook blijkt uit het hiervoor genoemde beoordelingskader onder 8, niet worden gebruikt om alsnog het bewijsvermoeden te weerleggen.
Is een evidente en uitsluitende andere oorzaak voor de schade aangewezen?
18. Nu het Instituut het bewijsvermoeden op basis van het geldende bewijsbeleid alleen terecht weerlegd kan achten als er sprake is van een evidente en andere aantoonbare uitsluitende oorzaak voor de schade anders dan door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten, zal de rechtbank beoordelen of van de zijde van eiser zodanig concrete aanleiding voor twijfel is opgeworpen dat op dit punt niet kan worden uitgegaan van de adviezen van de deskundigen die het Instituut heeft ingeschakeld.
18.1.
De rechtbank zal daarbij – in het voetspoor van het debat tussen partijen en de betreffende deskundigenberichten - in het bijzonder achtereenvolgens stil staan bij de bodemopbouw, verzakking woning, kleigrond en veenlagen, wierdegrond, zettingsberekeningen, verschilzettingen in het veen, het ontstaansmoment schade, verrichte herstelwerkzaamheden, trillingen en dan stilstaan bij de eindconclusie betreffende het bewijsvermoeden.
Bodemopbouw
18.2.
Loohuis en Meiborg zijn het er op grond van het eerder uitgevoerde onderzoek door middel van een tweetal handboringen naast de gevel van de woning, over eens dat de bodemopbouw als volgt kan worden gekarakteriseerd:
Het maaiveld bevindt zich juist naast het pand op ongeveer NAP +2meter. Vanaf het maaiveld (ca NAP +2 meter) tot ca 2,2 m onder het maaiveld (ca NAP-0,2m) bestaat de bodem uit klei, sterk siltig, matig humeus, baksteenhoudend.
Vanaf ca 2,2m onder maaiveld (ca NAP -0,2m) tot ca 3,3m onder maaiveld (ca NAP -1,3m) bestaat de bodem uit veen. Daarbij wordt opgemerkt dat de dikte van het veenpakket niet constant is en dat dit volgens de handboringen relatief sterk varieert, te weten van ca 0,5m tot ca 1,0m. Dieper dan 3,3m onder het maaiveld (ca NAP -1,3m) wordt tot de verkende diepte van ca 5 m onder het maaiveld (ca NAP -3m) sterk siltige klei aangetroffen.
Verzakking woning
18.3.
De rechtbank leidt verder uit de rapporten van de diverse deskundigen van beide zijden af dat zij het er over eens zijn dat het niet-onderkelderde deel van de op staal gefundeerde woning een grotere zakking vertoont dan het onderkelderde deel. De ondiepe fundering bevindt zich op 0,95 m onder het maaiveld en de kelder op ca 2 m onder het maaiveld. Verder acht de rechtbank bij de beoordeling van belang dat de achtergevel van de woning deels is onderkelderd en deels niet en dat de woning is verzakt ten opzichte van het gedeelte waaronder de kelder aanwezig is.
18.4.
Uit de rapportages van zowel Loohuis als Meiborg komt naar voren dat het onderkelderde deel van de woning – dat zich min of meer op de hoogte van het oorspronkelijke maaiveld onder de wierde bevindt – “stijf” reageert ten opzichte van het niet-onderkelderde deel. Hoewel de deskundigen van beide zijden het er over eens zijn dat het niet-onderkelderde deel van de woning een grotere zakking vertoont dan het onderkelderde deel dat “stijf” reageert, verschillen de deskundigen van mening over de oorzaken van de zakking van het niet-onderkelderde deel van de woning. De rechtbank acht in dit kader nog van belang dat Loohuis en Meiborg het er wel over eens zijn dat het geotechnisch draagvermogen van de fundering (op staal) van de woning, voldoende groot zal zijn en dat een te gering geotechnisch draagvermogen niet tot verschilzettingen heeft geleid.
Kleigrond en veenlagen
18.5.
De rechtbank stelt daarbij vast dat de door het Instituut geraadpleegde deskundigen doorslaggevende betekenis hebben toegekend aan het feit dat de woning volgens hen op sterk samendrukbare kleigrond en veenlagen zou zijn gesitueerd. Loohuis concludeert in zijn advies dat de oorzaak van de verzakking te maken heeft met het feit dat tijdens de bouw van het pand in 1948 een forse ontlasting van de ondergrond door afgraving heeft plaatsgevonden ter plaatse van de te bouwen kelder. De ondergrond onder de aanzienlijk hoger gelegen strokenfundering reageert daarbij volgens hem aanzienlijk slapper en dus zettingsgevoeliger, dan de ondergrond onder de kelder. Hij wijst erop dat dit in de geo-adviespraktijk een algemeen bekend verschijnsel is. Eveneens is algemeen bekend dat hierdoor relatief forse verschilzettingen bij een pand kunnen ontstaan. Zeker in de situatie met sterk samendrukbare klei- en veenlagen. Loohuis heeft toegelicht dat volgens hem zeker is dat er organisch materiaal is gelegen boven de grondwaterstand. Het is volgens hem waarschijnlijk dat het organisch materiaal juist onder de relatief hoog gelegen fundering meer onderhavig is geweest aan oxidatie dan het aanzienlijk dieper gelegen materiaal onder de kelder. Daardoor heeft dit materiaal volumevermindering ondergaan, met als gevolg zetting van de woning; hierdoor is verschilzetting tussen het niet-onderkelderde deel van het pand en het onderkelderde deel ontstaan. Vanuit de basistheorie van de grondmechanica moeten door de forse verschillen in veenlaagdikte onder de woning tussen het bouwjaar 1948 en 2012 verschilzettingen bij de woning zijn ontstaan. Het Instituut volgt Loohuis in zijn standpunt.
18.6.
Eiser betoogt in navolging van Meiborg dat het niet-onderkelderde deel van de woning zeer wel mogelijk is verzakt in verband met de gevoeligheid van de 400 jaar oude wierdegrond onder de fundering van het niet-onderkelderde deel van de woning. Meiborg wijst erop dat wierden door mensen gedurende vele eeuwen aangebrachte kunstmatige ophogingen van klei, puin, mest, riet etc zijn; in eerste instantie om vee een droge ondergrond te bieden, maar deze wierdegrond bleek later een prima ondergrond om zettingsvrij te bouwen. De wierdegrond is echter veel gevoeliger gebleken voor verzakkingen als gevolg van trillingen door aardbevingen en/of directe en indirecte effecten van bodemdaling door gaswinning. De diverse opeenvolgende bevingen hebben een cumulerend effect op schade bij wierdegrond. Daardoor is het volgens Meiborg mogelijk dat er verzakkingen en verschilzettingen zijn ontstaan in de woning, terwijl de kelder niet zakt door trillingen van aardbevingen. Dat is volgens hem te verklaren doordat droge klei hard en (veel) minder zettingsgevoelig is onder belasting van een woning. De oorspronkelijke ondergrond is daarvoor niet gevoelig. De fundering onder het niet onderkelderde deel van de woning, zal als gevolg van de stijve eigenschappen van droge klei veel sneller dan 30 jaar zijn eindzetting hebben bereikt. Meiborg wijst er op dat het slootpeil van de op 45 meter afstand van de woning gelegen sloot zich op -0,27 NAP bevindt en dus op het niveau van het oorspronkelijke maaiveld voordat de wierde was aangebracht. De wierde bevindt zich daarmee volledig boven het grondwater. Dat maakt het erg aannemelijk dat deze al meer dan 400 jaar droog is geweest. In droge klei vindt geen oxidatie van organisch materiaal plaats; de klei is nagenoeg luchtdicht. De kleigrond in de wierde is droog en gecementeerd en gedraagt zich veel stijver onder gebouwbelasting vergeleken met kleilagen die zich altijd onder grondwater bevinden. Meiborg heeft ter onderbouwing van zijn visie nog verwezen naar het “TR-17 Technisch rapport voor Dijken” van Technische Adviescommissie voor de Waterkeringen uit 1996.
Meiborg heeft verder aangegeven dat de conclusie van Loohuis dat door verschillen in zetting in het veen tussen 1948 en 2012 zeker verschilzettingen zijn ontstaan, onjuist is. Niet benoemd is waardoor de verschillen in zettingen zijn ontstaan en of het hierbij gaat om veenoxidatie of het gewicht van de woning op de ondergrond. De verschillen in laagdiktes in de veenlaag waar Loohuis naar verwijst, bevinden zich op respectievelijk 2,70 m en 2,25 m onder het maaiveld en daarmee al meer dan 400 jaar onder de wierde met een hoogte van meer dan 2,20 meter. Daardoor zijn de klei- en veenlagen onder de woning sterk geconsolideerd. Het gewicht daarvan heeft nooit aanleiding gegeven voor verschilzettingen in de woning van eiser tussen 1948 en 2012. Zettingen in veenlagen op een diepte van meer dan 2.00 meter onder het maaiveld en altijd onder grondwater zijn uitgesloten. Deze veenlaag is altijd nat en op deze diepte kan niet voldoende zuurstof optreden om veenoxidatie te veroorzaken.
18.7.
Het Instituut betoogt (in navolging van Loohuis) dat wat van de zijde van eiser en Meiborg over wierden en droge klei is aangevoerd, in het geval van eiser niet van belang is. Ter onderbouwing van de juistheid van die stelling is met name verwezen naar de door Loohuis uitgevoerde zettingsberekeningen met betrekking tot de gebouwbelasting.
Wierdegrond
18.8.
Niet in geschil is dat de woning is gelegen op de wierde van [plaats] . Het Instituut heeft verder niet betwist, ook niet door middel van de rapporten van de aangestelde deskundigen, dat de hiervoor beschreven bodemsamenstelling (klei, sterk siltig, matig humeus en baksteenhoudend) tot 2,2 m onder het maaiveld, wijst op wierdegrond, zoals Meiborg heeft aangegeven.
18.9.
Eiser heeft zijn stelling dat wierdegrond gevoeliger is voor aardbevingen nader onderbouwd met een verwijzing naar het advies van het Panel van deskundigen van 22 januari 2019 (hierna: Paneladvies). De rechtbank constateert dat daarin op p. 7 en 15 staat dat bij de opstelling van criteria op grond waarvan aangenomen kon worden dat het wettelijk bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW van toepassing is, mogelijk een uitzondering moet worden gemaakt in zeer uitzonderlijke situaties, waarbij ondermeer gebouwen en werken in wierdendorpen zijn genoemd. Daarnaast heeft eiser erop gewezen dat het Instituut in gemelde Praktische Uitwerking Deskundigen in 3.2.3 een uitzondering hanteert op het huidige effectgebied. Daar staat dat er gebouwen of werken zijn die vallen onder de categorie “bijzonder kwetsbare object”. Bij dergelijke objecten gaat het om een gebouw of werk dat, gelet op de aard van de locatie van dit werk, al dan niet in combinatie met de bijzondere constructiekenmerken van dat gebouw, gevoeliger is voor aardbevingen dan andere gebouwen of werken. Wat betreft de “uitzonderlijke categorie gevoelige gebouwen of werken” moet worden gedacht aan “gebouwen of werken in wierdendorpen (…)”.
De rechtbank acht verder de in 13.9 gemelde notitie “Advies over de invloed van de (afwijkende) dynamische respons op bevingen bij wierden” van 28 januari 2022 van belang. Het Instituut heeft lopende de procedure op dit advies gewezen. In dit advies staat op p. 1 dat geometrische onregelmatigheden in het landschap, zoals ophogingen in de vorm van wierden, plaatselijk invloed hebben op de sterkte van trillingen die door geïnduceerde bevingen in de bodem ontstaan. In deze notitie wordt ingegaan op resultaten van beschikbaar onderzoek, waarin deze invloed voor de Groninger omstandigheden is nagegaan. In een van de onderzoeken wordt met name ingegaan op het verschil in dynamische respons van de bodem in geval van een wierde als gevolg van de afwijkende bodemopbouw daarvan. In dat onderzoek wordt er op gewezen dat de bovenste bodemlagen van wierden antropogeen zijn en deze daardoor afwijkende eigenschappen hebben en dat de conclusie kan worden getrokken dat de invloed van de afwijkende bodemsamenstelling bij de wierde “tot een grotere respons” zal leiden. Hoewel de respons aan de rand groter zal zijn, geldt dit blijkens genoemd onderzoek voor hele wierde (zie p. 4 en 5 van genoemde advies).
De rechtbank is van oordeel dat voornoemde stukken de stelling van eiser in beginsel onderstrepen dat wierdegrond extra gevoelig is voor aardbevingen door gaswinning.
Zettingsberekeningen
18.10.
De rechtbank zal thans beoordelen of de zettingsberekeningen van Loohuis maken dat aan de stellingen van eiser over wierdegrond voorbij moet worden gegaan en of deze berekeningen de door het Instituut aangenomen evidente en uitsluitende andere oorzaak of combinatie daarvan kunnen staven. Volgens deze zettingsberekeningen is als gevolg van het gewicht van de achtergevel in de periode 1948-2023 een verschilzetting in de achtergevel ontstaan van tenminste ca 32 mm en stopt het zettingsproces van de achtergevel ter plaatse van het niet-onderkelderde deel van de achtergevel niet. Volgens bedoelde berekeningen is voorts in de eerste 30 jaar na de bouw (dus in de periode 1948-1978) de verschilzetting die in de achtergevel is ontstaan, ruim 20 mm. Loohuis acht het waarschijnlijk dat hierdoor in deze periode schade is opgetreden en dat het aannemelijk is dat deze schade in de periode 1948-1978 meerdere keren geheel of gedeeltelijk is hersteld.
18.11.
De rechtbank constateert primair dat in het advies van Loohuis alleen zettingsberekeningen met betrekking tot gebouwbelasting zijn uitgevoerd voor de achtergevel van de woning. In dat onderzoek is niet meegenomen dat de woning is verzakt richting de linker zijgevel aan de voorzijde. De rechtbank merkt voor de duidelijkheid nog op dat de meeste schades zich weliswaar voor een groot deel in of rond de achtergevel bevinden, maar dat een deel van schade 81 zich in de fundering van de linkerzijgevel bevindt.
18.12.
Naar aanleiding van de zettingsberekeningen van Loohuis heeft Vergnes metingen met betrekking tot de woning uitgevoerd. Op grond van die metingen wordt geconcludeerd dat het zettingsverschil van de begane grondvloer van de woning in de woonkamer met name in de hoek van de linkerzijgevel optreedt. Dit duidt er volgens Vergnes op dat de betreffende vloer met name vanaf de overgang tussen hal en woonkamer scheef loopt in de richting van de linker voorhoek van de woning. Uit de metingen op de eerste verdieping volgt volgens Vergnes dat er een niveauverschil is in de richting van de voorgevel en zijgevel (slaapkamer linksvoor) ten opzichte van het vloerverschil op de overloop en dat dit beeld grotendeels overeen komt met de vloerpassing zoals uitgevoerd op de begane grond.
Verder is er een lintvoegwaterpasmeting rondom de woning uitgevoerd waarbij zettingsverschillen in het voegwerk inzichtelijk zijn gemaakt. Vergnes concludeert dat de lintvoegmetingen het zettingsbeeld zoals dat uit de vloerpassingen is gebleken, bevestigen. Er is namelijk een hoogteverschil waar te nemen tussen het nulpunt bij de entreedeur van de woning (rechterzijgevel) ten opzichte van de voorzijde van de woning op de hoek met de linkerzijgevel. Volgens de lintvoegmeting treedt het grootste zettingsverschil van de woning met name in de richting van de linkerzijgevel aan de voorzijde op ten opzichte van de rechterzijgevel nabij de voordeur. Afsluitend wordt door Vergnes geconcludeerd dat de scheefstand en zakking van de woning zoals waargenomen, met name tot uiting komt in de scheefstand van de begane grondvloer en in mindere mate in het metselwerk van de woning.
18.13.
Het Instituut heeft zelf geen metingen laten uitvoeren of tegenover die van Vergnes laten stellen. In eerste instantie is door het Instituut met name volstaan met het verwijzen naar het rapport van Kiestra van 24 maart 2025. Daarin worden opmerkingen gemaakt over de door Vergnes gehanteerde meetmethode en waarom de gemeten waarden niet konden kloppen. Daarop is weer gereageerd door Vergnes die uiteen heeft gezet hoe en met welke apparatuur is gemeten; dit is ter zitting ook nader toegelicht. Ter gelegenheid van die zitting is van de zijde van de deskundigen die door het Instituut zijn aangesteld, alsnog aangegeven dat de vloerwaterpasmetingen wel zouden kunnen kloppen.
De rechtbank constateert dat de bevindingen van Vergnes passen in het beeld zoals dat is gerezen uit de eerdere deskundigenonderzoeken. Daaruit komt naar voren dat er sprake is van een verzakking van het niet-onderkelderde deel van de woning ten opzichte van het onderkelderde deel. Dat volgde ook uit de test met rollende knikkers die ter gelegenheid van de plaatsopneming zowel op de begane grond als de vloerverdieping is gedaan. Voorzover Kiestra heeft aangegeven dat de vloermetingen niet kunnen kloppen, is er van de zijde van eiser en Meiborg op gewezen dat uit het onderzoek van Archipunt volgt dat de vloer apart van de gevels is gefundeerd op stiepen en balken op de ondergrond. De rechtbank is al met al van oordeel dat er geen aanleiding is aan de metingen en bevindingen van Vergnes te twijfelen.
18.14.
De rechtbank stelt vast dat de verschilzettingen die Loohuis in zijn rapport heeft berekend als gevolg van gebouwbelasting bij de achtergevel van de woning, niet overeenkomen met de bevindingen van Vergnes. De door Loohuis berekende verschilzettingen in de (deels onderkelderde) achtergevel zijn namelijk feitelijk niet vastgesteld. Integendeel, uit de bevindingen van Vergnes volgt dat er geen noemenswaardige verschilzetting is in de achtergevel. Ter gelegenheid van de plaatsopneming is dit beeld verder bevestigd; de achtergevel staat min of meer recht en ten aanzien van de linkerzijgevel is een afschot naar voren. Wel volgt daaruit dat de woning is verzakt richting de linkerzijgevel aan de voorzijde. Nu er geen noemenswaardige verschilzettingen in de achtergevel zijn geconstateerd, kan dit naar het oordeel van de rechtbank ook niet de oorzaak zijn van de scheuren in de achtergevel. De veel grotere verschilzettingen in andere delen van de woning worden in het rapport van Loohuis verder niet verklaard. De zettingsberekeningen staven dan ook niet de door het Instituut aangenomen evidente en andere uitsluitende oorzaak.
Verschilzettingen in het veen
18.15.
Loohuis heeft als evidente en andere uitsluitende oorzaak vervolgens aangegeven dat de bodemopbouw niet homogeen is en dat er forse verschillen in veenlaagdikte aan de orde zijn. Hierdoor zijn volgens hem, onder andere door verschillen in zetting in het veen, in de periode tussen 1948 en 2012 verschilzettingen ontstaan.
De rechtbank volgt Meiborg evenwel in zijn opmerking dat in het advies van Loohuis niet duidelijk is benoemd of het hier gaat om zetting door veenoxidatie of door het gewicht van de woning op de ondergrond. Het Instituut heeft in zijn reactie aangegeven dat het hier gaat om oxidatie van het “humeus materiaal” in de wierdegrond zelf. De rechtbank gaat aan dit laatste voorbij. Er is niet gemotiveerd ingegaan op hetgeen Meiborg op dit punt over wierdegrond en droge klei naar voren heeft gebracht. Hiervoor is al aangegeven dat wierdegrond afwijkende eigenschappen heeft als gevolg van afwijkende bodemsamenstelling. Verder verhoudt genoemd standpunt van het Instituut zich niet tot de “forse veenlaagdiktes” waar Loohuis zijn stelling op baseert. Die forse veenlagen zijn namelijk blijkens voormeld onderzoek naar de bodemopbouw, onder het maaiveld gelegen en niet in de wierdegrond zelf.
18.16.
Meiborg heeft aangegeven dat hij ervan uitgaat dat Loohuis het heeft over zettingen in de veenlagen als gevolg van de belastingen door het gewicht op de ondergrond. Hij betoogt in dit verband, onder verwijzing naar het rapport “Bouwen op slappe bodem” van Deltares uit 2008, dat het uitgangspunt bij funderingen op staal bij zettingsgevoelige ondergronden, zoals klei en veen, is dat ervan uit moet worden gegaan dat de eindzetting (en mogelijke verschilzettingen als gevolg daarvan) na ongeveer 30 jaar wordt bereikt. Vanaf 1978 kunnen daarom geen zettingen en zettingsverschillen in de veenlaag meer zijn veroorzaakt door belasting van het gewicht van de woning op de ondergrond; het gewicht heeft ook nooit aanleiding gegeven voor verschilzettingen tussen 1948 en 2012; de schade is blijkens de verklaringen van [naam] na 2012 ontstaan.
18.17.
Het Instituut stelt zich op het standpunt dat aan de stelling dat de eindzetting bij zettingsgevoelige gronden na 30 jaar eindigt, voorbij moet worden gegaan nu eiser niet heeft onderbouwd dat de schade pas na 2012 is opgetreden.
Ontstaansmoment schade
18.18.
De rechtbank acht in het kader van deze tussen partijen gevoerde discussie van belang dat in het Paneladvies staat (p. 16): “
Vanzelfsprekend moeten deze verschillende hiervoor genoemde oorzaken wel overeenstemmen met de periode waarin de fysieke schade aan het gebouw of werk zich manifesteert”. De rechtbank wijst er tevens op dat in de “Reactie op commentaar W.A.B. Meiborg over de notitie Zettingen” van 16 december 2020 van Van Staalduinen en Everts, onder 3.3 en 5.1 staat dat bij het onderbouwen van de andere oorzaken van de schade het tijdsaspect altijd van belang zal zijn. Er wordt aldaar op gewezen dat bij het overzicht van te inventariseren relevante omstandigheden voor het ontstaan van schade ook de tijdcontext van belang is. Toegelicht wordt dat de notitie beoogt door middel van onderzoek op een betrouwbare wijze de grootte van de zakkingen en scheefstanden te bepalen en daarmee de oorzaak voor het ontstaan van zettingen te traceren en dat hierin ook het tijdsaspect wordt meegenomen. Opgemerkt wordt daarbij dat historisch opgetreden verschilzettingen meestal te meten zijn aan de hand van het niveau van lintvoegen, waarmee de zettingen - behoudens uitzonderingsgevallen na het opnieuw metselen van muren en het horizontaal leggen van vloeren - traceerbaar zijn. De rechtbank stelt vast, zoals hiervoor ook al is overwogen, dat het Instituut niet zelf opdracht heeft gegeven de lintvoegen en de opgetreden verschilzettingen te meten.
18.19.
Nog los hiervan, is de rechtbank van oordeel dat eiser zijn stelling over het ontstaansmoment van de schade wel degelijk voldoende heeft onderbouwd. [naam] heeft van meet af aan in de procedure verklaringen ingebracht waaruit afgeleid kan worden dat de schade van na 2012 dateert en dat die mettertijd toenam. De rechtbank verwijst in dit verband naar de inhoud van de aanvraag waarin zij heeft aangegeven dat de linkerzijgevel gaat hellen en dat de scheuren met de dag groter worden en dat de dakkapel wordt meegetrokken naar de linker zijgevel, de zienswijze waarbij zij dit heeft herhaald en de AOS-melding die er is geweest. Eiser heeft terecht aangevoerd dat de schades op grotendeels goed zichtbare plekken zitten. In 2014 zijn in opdracht van de NAM naar aanleiding van eerdere schademeldingen door [naam] schaderapporten opgemaakt. Daarin worden de schades die nu tussen partijen aan de orde zijn (met uitzondering van schade 23-25), toen (kennelijk) niet genoemd en/of meegenomen. De rechtbank ziet niet in waarom goed zichtbare schades, als die toen al aanwezig waren, daarin niet meegenomen zouden zijn. De rechtbank volgt het Instituut ook om die reden niet in het standpunt dat het ontstaansmoment door eiser niet is onderbouwd.
18.20.
De rechtbank is van oordeel dat het Instituut hetgeen over de ontstaansdatum van de schade door [naam] en eiser naar voren is gebracht, ten onrechte niet mee heeft betrokken in de beantwoording van de vraag of er sprake is van een evidente en andere uitsluitende oorzaak van de schade en daarmee de vraag of het bewijsvermoeden weerlegd moet worden geacht. Het beroep is op dit punt gegrond.
Verrichte herstelwerkzaamheden
18.21.
Loohuis heeft er weliswaar en ter onderbouwing van de juistheid van zijn conclusie nog op gewezen dat er herstelwerkzaamheden aan de achtergevel moeten zijn verricht en in het nader advies van Kiestra en Ottevanger wordt er op gewezen dat aan de verschillende voegkleuren en breedtes is te zien dat er herstelwerkzaamheden aan de woning zijn uitgevoerd. De rechtbank is echter met eiser van oordeel dat dit hoe dan ook onvoldoende is onderbouwd; onvoldoende duidelijk is namelijk welke (herstel)werkzaamheden het hier betreft en wanneer die dan zouden zijn uitgevoerd. Weliswaar is in het rapport van Kiestra en Ottevanger, mede naar aanleiding van het rapport van Archipunt, aangegeven dat sprake is van verschillende voegkleuren onder de dakkapel, maar daarover is van de zijde van eiser aangevoerd dat aan het metselwerk aldaar geen wijzigingen zijn aangebracht en dat dit enkel optisch zo lijkt door de voeg. De rechtbank acht de conclusie van deze beide deskundigen die ter plaatse ook niet hebben gekeken, op dit punt onvoldoende geconcretiseerd onderbouwd en gaat daar aan voorbij. Bij de beoordeling is verder van belang dat er na de bouw in 1948 geen sprake kan zijn geweest van extra spanning en trekkrachten op de achtergevel. De dakkapel was immers al bij de bouw van de woning in 1948 aangebracht.
Trillingen
18.22.
Hiervoor is al overwogen dat voorzover het Instituut zich op het standpunt heeft gesteld dat aan de hand van staande wetenschappelijke inzichten eigenlijk op voorhand al kan worden uitgesloten dat trillingen tot de betreffende zettingen hebben geleid, dat standpunt niet juist is. Eerst moet op basis van meergenoemd bewijsbeleid namelijk een evidente en andere uitsluitende oorzaak voor de schade worden aangewezen dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Als de deskundige daar niet in slaagt mogen de trillingswaarden niet gebruikt worden om alsnog het bewijsvermoeden te weerleggen. De notitie van Van Staalduinen en Everts “Over de invloed van trillingen door bevingen op zettingen van gebouwen” van 16 december 2020 heeft in het toetsingskader dan ook pas een plaats nadat is vastgesteld dat er een andere uitsluitende oorzaak voor het optreden van de schade is aangewezen. Reeds daarom snijdt dat standpunt van het Instituut geen hout.
18.23.
Overigens heeft eiser er terecht op gewezen dat laatstgenoemde notitie ziet op verweking en verdichting en niet op andere mechanismes. In de reactie op het commentaar van Meiborg over de notitie Zettingen, van Van Staalduinen en Everts van 16 december 2020 staat op p. 2 dat de notitie focust op de invloed van bevingen op zettingen met als belangrijkste mechanismen verdichting en verweking. Daarbij wordt tevens vermeld dat de notitie niet beoogt dat de beoordeling van de schade door zettingen moet worden beperkt tot alleen deze mechanismen en dat daarmee alle andere mechanismen die het gevolg zijn van mijnbouwactiviteiten buiten beschouwing mogen worden gelaten. In dit verband acht de rechtbank van belang dat eiser heeft betoogd dat er in zijn geval andere relevante mechanismes zijn die de schade hebben veroorzaakt omdat zijn woning op een wierde ligt. Hiervoor is ook al gewezen op het advies van Van Staalduinen van 28 januari 2022 dat gaat over de invloed van de (afwijkende) dynamische respons op bevingen bij wierden.
18.24.
Voorzover het Instituut heeft betoogd dat uit voornoemd advies van Van Staalduinen volgt dat er geen betekenis toekomt aan de feit dat de woning van eiser op een wierde ligt, volgt de rechtbank dit niet. Daarin staat namelijk op p. 5 dat het advies is om vooralsnog geen betekenis toe te kennen aan de invloed van wierden op de trillingsrespons van geïnduceerde bevingen binnen het reguliere gebied waarin het bewijsvermoeden door het Instituut nu al wordt toegepast en dat de besproken onderzoeken geen aanleiding geven om de ruimere interpretatie van het gebied waarin het bewijsvermoeden geldt, aan te passen. Naar het oordeel van de rechtbank ziet dit gelet op de verdere tekst van dat advies op het empirisch model dat primair gebruikt wordt voor de afbakening van het gebied waar het bewijsvermoeden geldt. Dit betekent niet dat de invloed van wierden bij de weerlegging van het bewijsvermoeden geheel buiten beschouwing kan worden gelaten. Dat volgt ook niet uit de ligging van de woning op 47 meter van de rand. Zie in dit verband ook 18.9.
Eindconclusie bewijsvermoeden
19. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat eiser concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies en de begrijpelijkheid van de redenering naar voren heeft gebracht en dat het Instituut niet aan de vergewisplicht heeft voldaan. Slotsom is dat het Instituut er niet in is geslaagd om met een voldoende grote mate van zekerheid aan te tonen dat de schade is veroorzaakt door een evidente en andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Dat betekent dat het bewijsvermoeden niet weerlegd is te achten. Daarom kan ook de verwijzing van het Instituut naar de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2022 het Instituut niet baten, omdat het Instituut in die zaak volgens de Afdeling een evidente en andere uitsluitende oorzaak had aangewezen. Dat is in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, niet het geval. Hetgeen door het Instituut nog is aangevoerd over veiligheidsmarges en staande wetenschappelijke inzichten, speelt pas een rol ná het vast stellen van een evidente en andere uitsluitende oorzaak, in het kader van het geactualiseerde aanvullende beoordelingskader.
19.1.
Overigens wijst de rechtbank erop dat ten aanzien van de woning gelegen op het adres nummer 13 door de arbiter eveneens is geoordeeld dat het bewijsvermoeden niet is weerlegd. Niet betwist is dat deze woning op dezelfde wierde ligt, op dezelfde wijze is gefundeerd als de woning van eiser en dat deze woning eveneens scheefstand kent.
19.2.
De rechtbank ziet geen reden om het Instituut alsnog in de gelegenheid te stellen om opnieuw of aanvullend onderzoek te laten doen. De zaak loopt inmiddels al zeer langdurig en het Instituut heeft ruimschoots de gelegenheid gehad andere onderzoeken te laten uitvoeren, om welke onderzoeken door eiser ook steeds is gevraagd.
De rechtbank ziet evenmin aanleiding terzake zelf nog een deskundige in te schakelen, nu al vele deskundigen zich daarover hebben uitgelaten en het in deze zaak nu met name neer komt op de juridische beoordeling van de vraag of het bewijsvermoeden op goede gronden weerlegd is te achten. De rechtbank komt tot de conclusie, zoals in het vorenstaande uitgebreid is toegelicht, dat dit laatste niet het geval is. Daarom kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand blijven.
19.3.
Zoals hierna nog in 22 zal worden gemotiveerd komt de rechtbank tot het oordeel dat de herstelkosten nader moeten worden begroot. In dat kader zal eerst worden stilgestaan bij de vraag of scheefstand als schade moet worden meegenomen en of dat ook geldt voor de schade 23, 24 en 25 en de schades 88, 89 en 90.
Scheefstand als schade meenemen?
20. Eiser betoogt dat de scheefstand van de woning ten onrechte niet als separate schade is aangemerkt terwijl deze wel onderdeel uitmaakt van de procedure. Hij wijst er daarbij ondermeer op dat de schade aan de fundering die verband houdt met de scheefstand (schade 81) wel als schade is aangemerkt.
20.1.
Het Instituut heeft ter zake primair aangevoerd dat er geen sprake is van scheefstand en er subsidiair op gewezen dat de schade ziet op scheuren en meer subsidiair aangegeven dat deze schade niet is beoordeeld en buiten de onderhavige procedure valt en dat eiser daarvoor een nieuwe aanvraag kan indienen. Ter gelegenheid van de zitting bij de rechtbank is door het Instituut overigens aangegeven dat de scheefstand van de vloeren, wel meegenomen kon worden, maar dat ook hiervoor het bewijsvermoeden weerlegd moet worden geacht.
20.2.
De rechtbank acht in dit verband van belang dat in de Praktische Uitwerking Deskundigen onder 1.2.1 staat vermeld dat het Instituut het begrip fysieke schade als volgt definieert: “
Onder fysieke schade wordt verstaan: een fysieke aantasting, die zich manifesteert in een blijvende verandering van vorm of structuur of stand c.q. verzakking, die naar verkeersopvatting de gaafheid kenmerkt. Verder is daarbij vereist dat de fysieke schade is ontstaan aan een ‘gebouw’ of ‘werk’.” Dit staat ook zo gedefinieerd in voornoemd Paneladvies uit 2019 op p. 9. Eiser heeft er terecht op gewezen dat uit het Paneladvies volgt dat fysieke schades, die bestaan uit verzakkingen, verschilzettingen, scheefstanden en scheuren, schades zijn die naar hun aard redelijkerwijs zouden kunnen zijn veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van de gaswinning in het Groningenveld. Deze schades staan ook niet op de lijst van fysieke schades die op basis van alleen hun uiterlijke kenmerken worden uitgesloten van enige relatie met bodembewegingen door mijnbouwexploitatie.
20.3.
Voorts staat in de Praktische Uitwerking Deskundigen onder 2.5.6 dat alle door de aanvrager gemelde schade wordt vastgelegd en van een technische toelichting wordt voorzien. De deskundige dient dus alle schade op te nemen die de bewoner bedoeld heeft te melden en/of waarvan de bewoner van mening is dat er sprake is van mijnbouwschade. Daarbij is vermeld het de deskundige onder geen beding is toegestaan om een opname van schade achterwege te laten, omdat hij van mening is dat er geen sprake is van mijnbouwschade, wanneer de aanvrager meent dat die wel voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen.
20.4.
Dat er sprake is van verzakking en verschilzetting is, zoals hiervoor is overwogen, niet in discussie. Hiervoor is al aangegeven dat er onvoldoende aanleiding is om te twijfelen aan de bevindingen van Vergnes op basis van de uitgevoerde metingen. Eiser heeft er verder terecht op gewezen dat de schade 81 aan de fundering, die zich ook onder de linkerzijgevel bevindt, als schade is aangemerkt. Gelet op het vorenstaande en alsmede al bij de initiële aanvraag om schadevergoeding is aangegeven dat er sprake is van scheefstand en gevraagd is dit bij het onderzoek te betrekken, is de rechtbank van oordeel dat de scheefstand deel uitmaakt van onderhavige procedure. Eiser hoeft daarvoor geen nieuwe aanvraag in te dienen. Ook ten aanzien van de scheefstand is het bewijsvermoeden naar het oordeel van de rechtbank niet weerlegd. Het beroep is op dit punt gegrond.
Schades 23, 24 en 25; bevoegdheid van het Instituut
21. De schades 23, 24 en 25 betreffen scheurvorming in (het metselwerk van) de gevels aan de west- en hoofdzijde (23), de noordzijde (24) en de west- en noordzijde (25) van de aanbouw. In geschil is of het Instituut zich terecht op het standpunt heeft gesteld onbevoegd te zijn ten aanzien van deze schades.
21.1.
Het Instituut is op grond van artikel 2, vierde lid, van de Tijdelijke wet Groningen, niet bevoegd een aanvraag tot vergoeding van schade te behandelen, indien deze schade betreft waarvoor voor 31 maart 2017 een schademelding of claim is voorgelegd aan het Centrum Veilig Wonen of de exploitant.
21.2.
Het Instituut betoogt dat genoemde schades identiek zijn aan schades die eerder bij de NAM in behandeling zijn geweest. Schade 23 en 24 zijn volgens het Instituut gelijk aan schade 6 uit het rapport dat Arcadis in opdracht van de NAM op 29 oktober 2015 heeft uitgebracht en schade 25 aan schade 5 uit dat rapport. Het Instituut beroept zich daarbij op de adviezen van Doedel, Kiestra en Ottevanger.
21.3.
Eiser betwist dat de schades identiek zijn; op de afbeelding in het herziene adviesrapport van Doedel (figuren 19a en 19b) is te zien dat deze schades zich op meer en andere plaatsen bevinden dan op de door Arcadis waargenomen NAM-schades 5 en 6.
21.4.
De rechtbank is van oordeel dat wat het Instituut naar voren heeft gebracht onvoldoende is om te oordelen dat het hier schade betreft waarvoor al een schademelding is gedaan. [naam] heeft namelijk verklaard dat de schades opnieuw zijn ontstaan nadat ze eerder waren hersteld. Dorman heeft ter gelegenheid van de hoorzitting in bezwaar op 1 september 2021 in eerste instantie ook aangegeven dat de schades opnieuw zijn ontstaan nadat deze waren hersteld. Dorman heeft zich daarna achter de beoordeling van Doedel geschaard en het Instituut heeft dat overgenomen, maar naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gemotiveerd waarom door Dorman is terug gekomen op het oorspronkelijke standpunt dat de schades opnieuw zijn ontstaan. De conclusie is daarom dat het Instituut zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard om deze schades te behandelen.
Schades 88-90
21.5.
Tijdens de bezwaarprocedure heeft [naam] in het rapport van Vergnes van 27 januari 2021 foto’s ingediend van schades die daarin zijn aangeduid als schades 88-90. Naar aanleiding van het beroepsschrift hebben Kiestra en Ottevanger zich alsnog over deze schades uitgelaten. Daarbij hebben zij aangegeven dat schade 88 al is beoordeeld als schade 7 in het adviesrapport van 24 december 2019 en dat voor deze schade reeds een vergoeding is toegekend. Over schade 89 hebben zij aangegeven dat er sprake is van een bakscheur in een gevelsteen en dat dit naar zijn aard geen mijnbouwschade betreft en schade 19 is volgens hen dezelfde als de schade die eerder door Arcadis is behandeld in het rapport NAM0023523 onder nummer 17.
21.6.
De rechtbank stelt vast dat eiser dit in wezen niet heeft weersproken en er enkel op heeft gewezen dat deze schades zich in de zuidwest gevel bevinden en dat kosten daarom in het kader van sloop en nieuwbouw dienen te worden meegenomen. De rechtbank acht deze schades op zichzelf onvoldoende betwist en daarom nu niet toewijsbaar.
Herstelkosten en methode van herstel
22. Bij de begroting van vermogensschade is het uitgangspunt van het aansprakelijkheidsrecht dat degene die schade heeft geleden zoveel als mogelijk moet worden terug gebracht in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis zich niet zou hebben voorgedaan, zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2010, ECLI:HR:2010:BL0539. De Afdeling heeft dit uitgangspunt gevolgd in de uitspraak van 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2203 onder 64.
22.1.
Bij zaaksschade begroot het Instituut de schade aan de hand van de kosten die de aanvrager zou moeten maken om de schade te herstellen om te komen in een toestand die minimaal gelijkwaardig is aan de toestand waarin het gebouw zich bevond voordat het werd beschadigd. Het Instituut gaat hierbij uit van zowel cosmetisch als constructief herstel. De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat het Instituut deze benadering mag hanteren om gemelde schades op uniforme wijze te herstellen, zie de uitspraken van 24 februari 2021, ECLI:RVS:2021:374 en 1 december 2021, ECLI:RVS:2021:2682.
22.2.
De rechtbank stelt vast dat in de rapportages van Doedel is uitgegaan van herstel van scheuren. Daarbij is met name uitgegaan van cosmetisch herstel en niet van constructief herstel. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende concrete twijfel aan de juistheid van dit advies voor wat betreft de kosten voor herstel naar voren heeft gebracht, nu er ook sprake is van scheefstand en verschilzettingen zoals hiervoor is overwogen. Het vorenstaande brengt mee dat de rechtbank nu niet in zal gaan op de afzonderlijke schadeposten onder de nummers 38, 42, 44, 63, 65 en 87.
22.3.
Dat laat onverlet dat de rechtbank op basis van de deskundigenrapporten die zich nu in het dossier bevinden, niet op voorhand het betoog van eiser kan volgen dat sloop- nieuwbouw moet plaatsvinden. Dat gaat immers in beginsel verder dan herstel in oude toestand en daarvoor moet eerst meer onderzoek gedaan worden naar de methode van herstel en de kosten voor herstel. In het rapport van 24 oktober 2024 van Kiestra en Ottevanger en ter gelegenheid van de zitting is ook betwist dat dit de enige mogelijkheid voor herstel zou zijn. Daarbij komt dat ter gelegenheid van de regiezitting ook van de zijde van eiser is aangegeven dat gekeken zou moeten worden naar de kosten voor herstel en dat van de zijde van eiser in een door hem aangeleverde contra-expertise in eerste instantie is uitgegaan van een veel lager bedrag aan herstelkosten dan sloop en nieuwbouw; overigens is daarbij wel bepleit dat gekeken moest worden naar constructief herstel.
22.4.
Al met al acht de rechtbank het aangewezen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2203, dat de schade nu begroot gaat worden. Het Instituut moet daarvoor de methode van herstel en de herstelkosten en het daarmee corresponderende bedrag aan schadevergoeding bepalen. Daarbij dient hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen over de schade, in acht te worden genomen
.

Conclusie en gevolgen

23. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene Wet Bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet, zoals hiervoor is overwogen, geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.
23.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het Instituut een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het Instituut hiervoor 16 weken.
23.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het Instituut het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het Instituut moet deze vergoeding betalen.
Proceskosten rechtsbijstand
23.3.
Eiser heeft voorts verzocht om het Instituut in de volledige juridische kosten te veroordelen. Het Instituut heeft er bij brief 5 september 2025 op gewezen dat de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) moeten worden beoordeeld. De rechtbank overweegt in dit kader dat het Bpb een forfaitair vergoedingenstelsel kent. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die een afwijking van dit stelsel rechtvaardigen; vgl. de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1329.
23.4.
De vergoeding is met toepassing van het Bpb als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling met een zwaarte van 1 een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt). Daarna zijn aanvullende gronden ingediend, alsmede twee schriftelijke reacties op processtukken van het Instituut met deskundigenberichten. De rechtbank zal daarvoor 3 keer 0,5 punten toekennen (1,5 punt).
Daarnaast heeft de gemachtigde aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt), aan de regiezitting (0,5 punt) en aan de plaatsopneming (0,5 punt).
De rechtbank begroot deze kosten op grond van het Bbp in totaal op 4,5 punt met een waarde van € 934,- per punt per punt. De proceskostenvergoeding voor de rechtsbijstand door de gemachtigde bedraagt dan in totaal € 4.203,-.
Kosten deskundigen
23.5.
Eiser heeft conform de bij de plaatsopneming gemaakte afspraak, bij brief van 29 augustus 2025 de gemaakte kosten van de deskundigen aan de rechtbank toegezonden. Deze kosten zijn nader toegelicht in het proceskostenformulier naar aanleiding van de op 24 april 2025 gehouden zitting. De totale kosten inclusief de zitting en de plaatsopneming zijn door eiser begroot op een bedrag van € 20.579,14. Het betreft hier nota’s van Vergnes en van Energeo. Eiser heeft dit bedrag onderbouwd door middel van het overleggen van diverse facturen.
Het Instituut heeft in de brief van 5 september 2025 aangegeven zich ten aanzien van deze kosten te refereren. De rechtbank zal deze kosten toewijzen nu daartegen verder geen verweer is gevoerd en deze kosten de rechtbank ook overigens en gelet op de uitgevoerde onderzoeken, niet bovenmatig voorkomen.
Totale proceskostenvergoeding
24. De totale proceskostenvergoeding dient te worden gesteld op een bedrag van € 24.782,14 (€ 4.203 + € 20.579,14).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 23 januari 2023;
- draagt het Instituut op binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het Instituut het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het Instituut tot betaling van € 24.782,14 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Schuiling, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L. Brandes-Boers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.