ECLI:NL:RVS:2022:2232
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schadevergoeding mijnbouwschade woning Groningen na toepassing bewijsvermoeden en gelijkheidsbeginsel
Appellant, eigenaar van een woning in Groningen, vordert vergoeding van schade veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten. De minister kende een beperkte schadevergoeding toe. Het Instituut Mijnbouwschade stelde zich onbevoegd voor schades die eerder door NAM waren beoordeeld en weerlegde het bewijsvermoeden voor andere schades door aan te tonen dat deze het gevolg waren van zettingsschade door bodemgesteldheid en grondwaterdaling.
Appellant voerde onder meer aan dat het Instituut onterecht geen volledige nulmeting verrichtte, onjuist het bewijsvermoeden toepaste, de bevoegdheid miste en het gelijkheidsbeginsel schond door lagere vergoeding toe te kennen dan aan vergelijkbare woningen. De Afdeling oordeelde dat het Instituut de nulmeting light juist toepaste, de schades terecht als identiek aan eerdere NAM-beoordelingen aanmerkte en het bewijsvermoeden juist weerlegde met een hoge mate van zekerheid.
Het geactualiseerde beoordelingskader voor trillingsschade werd correct toegepast, waarbij een lichte overschrijding van grenswaarden niet leidde tot toerekening van schade aan mijnbouw. Het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat woningen niet vergelijkbaar zijn door verschillen in bouwjaar, fundering, schadebeeld en omgeving. De bestuursrechtelijke procedure biedt voldoende rechtsbescherming en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; schadevergoeding beperkt toegekend en schades eerder beoordeeld door NAM niet opnieuw behandeld.