Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1917

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
18-221138-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag, veroordeling poging zware mishandeling in vereniging met werkstraf en jeugddetentie

Op 5 augustus 2025 heeft verdachte samen met medeverdachten in Musselkanaal een slachtoffer meerdere malen geslagen en geschopt terwijl het slachtoffer op de grond lag. Verdachte sloeg het slachtoffer met een omzwachtelde vuist op het hoofd en lichaam. De rechtbank achtte het primair ten laste gelegde, medeplegen van poging tot doodslag, niet wettig en overtuigend bewezen en sprak verdachte daarvan vrij.

De rechtbank oordeelde wel dat verdachte medepleegde aan poging tot zware mishandeling. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten die gezamenlijk geweld uitoefenden. Verdachte had voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, aangezien hij bewust de aanmerkelijke kans op zwaar letsel aanvaardde.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de persoon van verdachte en een psychologisch rapport waaruit bleek dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is vanwege ontwikkelingsstoornissen en hechtingsproblematiek. De rechtbank legde een werkstraf van 100 uren op en 63 dagen jeugddetentie waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, onder bijzondere voorwaarden zoals behandeling, begeleiding en contactverboden.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €2.718,75 voor immateriële schade, inclusief een verhoging van 25% vanwege de ernst van het delict. De rechtbank kende dit bedrag toe met wettelijke rente vanaf 5 augustus 2025 en legde verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor de schade samen met medeverdachten.

De bijzondere voorwaarden en toezicht door de jeugdreclassering zijn dadelijk uitvoerbaar gesteld. De rechtbank hechtte aan het belang van begeleiding en het voorkomen van recidive gezien het hoge risico op herhaling.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging doodslag, veroordeeld voor medeplegen poging tot zware mishandeling met werkstraf en deels voorwaardelijke jeugddetentie, en moet schadevergoeding betalen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18-221138-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , ingeschreven te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 mei 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Flach, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Westerhof.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te Musselkanaal, althans in de gemeente Stadskanaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, die [slachtoffer] , naar de grond heeft/hebben gebracht en/of ((vervolgens) - terwijl die [slachtoffer] op de grond lag - meermalen, althans éénmaal tegen het hoofd en/of de rest van het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt, en/of geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te Musselkanaal, althans in de gemeente Stadskanaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] naar de grond heeft/hebben gebracht en/of (vervolgens) toen die [slachtoffer] op de grond lag, meermalen, althans éénmaal op/tegen het hoofd en/of de rest van het lichaam, te slaan en/of te stompen en of te schoppen/slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te Musselkanaal, gemeente Stadskanaal, althans in Nederland, op of aan de openbare weg (te weten, de Willem Diemerstraat), in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
een persoon, te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit (- zakelijk weergegeven -) het naar de grond brengen/werken/trekken (van die [slachtoffer] ) en/of((vervolgens) - terwijl die [slachtoffer] op de grond ligt -) het meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam schoppen en/of slaan (van die [slachtoffer] );
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te Musselkanaal, gemeente Stadskanaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft mishandeld, door (- zakelijk weergegeven -) hem naar de grond te brengen/werken/trekken en/of ((vervolgens) - terwijl die [slachtoffer] op de grond ligt -) meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te schoppen en/of te slaan.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag en veroordeling gevorderd voor het subsidiair ten laste gelegde - medeplegen van poging tot zware mishandeling.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van poging tot doodslag en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het medeplegen van poging tot zware mishandeling.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank -voor zover hier van belang- het volgende vast.
Aangever is op 5 augustus 2025 naar het centrum van Musselkanaal gegaan omdat medeverdachte [medeverdachte 1] met hem wilde praten. Aldaar trof aangever medeverdachte [medeverdachte 1] . Medeverdachte [medeverdachte 2] voegde zich kort daarna bij hen. Ondertussen hield verdachte zich met medeverdachte [medeverdachte 3] op in nabije bosjes. Er volgde een korte discussie tussen aangever en [medeverdachte 2] waarna [medeverdachte 1] aangever een klap in het gezicht gaf en hem naar de grond werkt. Aangever werd meermaals tegen het hoofd geslagen en geschopt, waarna verdachte en [medeverdachte 3] uit de bosjes kwamen en naar aangever liepen. Verdachte kwam erbij terwijl aangever al op de grond lag en al schoppen en klappen had geïncasseerd. Verdachte liep even om het groepje heen. Hij had zichtbaar zijn handen met rood materiaal omzwachteld. De anderen van het groepje schopten en sloegen tegen het hoofd van aangever. Daarna boog verdachte zich ineens naar de in foetushouding liggende aangever op de grond en sloeg hem in een hoog tempo meermaals met zijn rechter omzwachtelde vuist op aangever in. Hij raakte aangever zowel op zijn lichaam als op zijn hoofd.
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van vol opzet op het overlijden van aangever, nu de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte en de verklaring van verdachte daarvoor geen aanknopingspunt bieden. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of er sprake was van voorwaardelijk opzet op het overlijden. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.
Voor zover er al sprake was van een aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop, gelet op de aard en omvang van het geweld dat gericht was op het bovenlichaam en hoofd van het slachtoffer dat op de grond lag, heeft verdachte deze eventuele aanmerkelijke kans naar het oordeel van de rechtbank niet bewust aanvaard. De rechtbank wijst daartoe op verdachtes verklaring dat hij klompen met stalen neuzen droeg en aangever juist om die reden niet had geschopt, nu dat naar verdachtes inschatting wel had kunnen leiden tot de dood van aangever. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag.
De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde medeplegen van poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de daders.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
Uit het dossier en de beschreven camerabeelden volgt dat sprake is geweest van één aaneengesloten geweldssituatie. Aangever werd door medeverdachte [medeverdachte 2] meermalen tegen het hoofd getrapt terwijl hij op de grond lag. Kort daarop en zonder dat sprake was van een duidelijke onderbreking boog verdachte zich over het slachtoffer heen en sloeg hij in hoog tempo meermalen met zijn omzwachtelde vuist op het lichaam en in de richting van het hoofd van aangever. Aangever reageerde daarop met hoorbare pijnkreten. In plaats van zich te distantiëren van het reeds uitgeoefende geweld, heeft verdachte juist actief aan de geweldshandelingen deelgenomen en daaraan een substantiële bijdrage geleverd. De verdachten zijn daarbij gezamenlijk opgetrokken en hebben ieder een eigen aandeel gehad in het geweld, dat zich in korte tijd en in elkaars aanwezigheid heeft voltrokken.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Verdachte en de medeverdachten hebben gezamenlijk geweld uitgeoefend op aangever. De rechtbank zal hieronder beoordelen hoe dat gezamenlijk uitgeoefende geweld gekwalificeerd kan worden.
Opzet
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat aangever door vier personen is geslagen en getrapt. Verdachte was onderdeel van deze groep van vier, zij het dat verdachte zich heeft beperkt tot het meermaals slaan van aangever. Het uitgeoefende geweld was onder andere gericht tegen het hoofd en het gezicht van aangever.
Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van het voorliggende strafdossier niet vast te stellen dat de verdachte vol opzet had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank is van oordeel dat er wel sprake is geweest van voorwaardelijk opzet van verdachte om aan aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en overweegt daartoe het volgende. Van voorwaardelijk opzet is sprake als er een aanmerkelijke kans heeft bestaan op het optreden van zwaar lichamelijk letsel als een gevolg van de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten en dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De rechtbank is van oordeel dat de kans op zwaar lichamelijk letsel als gevolg van het groepsgeweld, dat bestond uit het meermalen met geschoeide voet tegen het hoofd trappen van aangever, die op de grond lag en hem meermaals met vuistslagen te raken op zijn bovenlichaam en hoofd aanmerkelijk is te noemen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar deel van het lichaam is, en dat de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk is als gevolg van grof geweld gericht op het hoofd. Dat het letsel van aangever ondanks de ernst van het geweld relatief beperkt is gebleven tot een hersenschudding en enkele wonden in het gelaat is beslist niet te danken aan terughoudendheid van verdachte en zijn mededaders en kan gelet op de aard en omvang van het geweld gericht op het hoofd/bovenlichaam niet leiden tot de conclusie dat de kans op zwaar lichamelijk letsel niet aanmerkelijk kan worden geacht. Door te handelen als verdachte heeft gedaan, kan het niet anders zijn dan dat hij de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard.
De rechtbank komt gelet op haar overwegingen hiervoor tot wettig en overtuigend bewijs voor het medeplegen van een poging tot zware mishandeling.
De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 mei 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 augustus 2025, opgenomen op pagina 9 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100- 2025210635 d.d. 26 augustus 2025, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 augustus 2025, opgenomen op pagina 44 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 5 augustus 2025 te Musselkanaal, tezamen en in vereniging anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] naar de grond heeft/hebben gebracht en (vervolgens) toen die [slachtoffer] op de grond lag, meermalen, tegen het hoofd en de rest van het lichaam, te slaan en te stompen en te schoppen/slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1.
Subsidiairmedeplegen van poging tot zware mishandeling.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren alsmede 63 dagen jeugddetentie met aftrek waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan deze voorwaardelijke straf dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) met als aanvulling dat er aan voorwaarde 3 maatschappelijke opvang wordt toegevoegd. Daarnaast dienen de contactverboden die reeds gelden in het kader van de schorsing opnieuw te worden opgelegd, voor zover de jeugdreclassering dit nodig acht. Tevens heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie geen passende straf is voor verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het Pro Justitia-rapport van 27 november 2025, het rapport van de Raad van 25 maart 2026, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 april 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft samen met drie medeverdachten fors geweld uitgeoefend op aangever die op de grond lag. Er is door verdachten meermaals geschopt en geslagen tegen het hoofd en bovenlichaam van aangever. Het door verdachten uitgeoefende geweld heeft bij aangever geleid tot een hersenschudding en meerdere wonden in het gezicht. Het feit dat het slachtoffer slechts licht letsel heeft opgelopen, is een gelukkige omstandigheid en niet te wijten aan het handelen van verdachte. Verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Het behoeft geen uitleg dat dusdanig heftig geweld een grote impact heeft op een ieder die dat heeft te verduren.
Verminderd toerekeningsvatbaar
De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de psycholoog drs. L. Aa van 27 november 2025. In dit rapport heeft de psycholoog onder meer geconcludeerd dat sprake is van een complexe combinatie van ontwikkelingsstoornissen (ADHD, ASS en een benedengemiddeld IQ) en vroeg ontstane hechtingsproblematiek, die gezamenlijk hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van een normoverschrijdende gedragsstoornis. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat betrokkene in zijn wilsvrijheid beperkt was, hij de gevolgen van zijn handelen moeilijk kon overzien en niet beschikte over gedragsalternatieven ten tijde van het handelen. Er wordt daarom geadviseerd het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Zonder verdere begeleiding en behandeling wordt het risico op
soortgelijke feiten als matig tot hoog ingeschat.
De rechtbank acht verdachte op grond van de hiervoor genoemde conclusies van de deskundige, die zij overneemt, verminderd toerekeningsvatbaar.
De Raad schat blijkens haar rapport van 25 maart 2025 in als hoog tot zeer hoog. Om het herhalingsgevaar in te perken acht de Raad het van belang dat verdachte behandeling en begeleiding krijgt op een passende woonplek. Daarbij dient er toezicht en begeleiding vanuit de jeugdreclassering te blijven om regie te voeren op de hulpverlening en te zorgen voor duidelijke kaders en regels. De Raad adviseert een werkstraf op te leggen alsmede een voorwaardelijke jeugddetentie. De Raad adviseert daarbij als bijzondere voorwaarden kort gezegd meewerken aan behandeling, begeleiding en hulpverlening, onderwijs of dagbesteding volgen en meewerken aan plaatsing binnen een beschermde woonvorm. Op deze manier kan verdachte ondersteund worden in zijn leven en toewerken richting volwassenheid. De Raad adviseert de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat er een belang is, voor zowel de samenleving als verdachte, om de ontwikkeling van verdachte niet op voorhand te frustreren door het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank is evenwel van oordeel dat gelet op de ernst van het feit het opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie wel aan de orde is, alsmede de oplegging van een werkstraf.
Alles afwegende vindt de rechtbank 63 dagen jeugddetentie met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen zoals geadviseerd door de Raad. Daarbij zullen ook de contactverboden met de medeverdachten worden opgelegd.
Daarnaast acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 100 uren passend en geboden.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon vanwege het door hem gepleegde geweld tegen het slachtoffer. Gelet op het feit dat het herhalingsgevaar als hoog wordt ingeschat is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 2.718,75 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. Dit bedrag is inclusief een verhoging van 25% volgens de aanbevelingen voor de begroting van smartengeld van De Rechtspraak.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk hoofdelijk kan worden toegewezen en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag gematigd dient te worden. Er wordt aansluiting gezocht bij hoofdstuk 13 (licht letsel) van de Rotterdamse schaal b met een bandbreedte tussen 725,00 en 2.175,00 , maar categorie c (een bedrag tot 1.100,00) is ook passend. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank de gevorderde verhoging van 25% niet toe te passen. Verdachte was niet verantwoordelijk voor het delen van de beelden en is verminderd toerekeningsvatbaar. De raadsvrouw verzoekt tevens geen hoofdelijke aansprakelijkheid op te leggen, maar verdachte aansprakelijk te stellen voor een bepaald deel en het overige door te schuiven naar de medeverdachten.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering is voldoende onderbouwd. Bij het bepalen van de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank acht geslagen op de door de rechtsspraak gehanteerde “Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW Pro”, waarin wordt verwezen naar de “Rotterdamse Schaal”.
De rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht bij hoofdstuk 13 (licht letsel) van genoemde Rotterdamse Schaal. De rechtbank constateert dat de benadeelde licht letsel in de vorm van een hersenschudding en meerdere wonden in het gelaat heeft opgelopen. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde kan worden aangenomen dat sprake is van een persoonsaantasting. Bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld weegt de rechtbank de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het verwijt mee.
Het slachtoffer is op klaarlichte dag naar een openbare plek gelokt waar hij uit het niets door meerdere personen in elkaar is geslagen. Er is intentioneel op lafhartige wijze fors geweld op hem uitgeoefend terwijl hij op de grond lag. De normschending van het delict acht de rechtbank dusdanig ernstig dat het een verhoging van 25% rechtvaardigt. Het is daarbij niet van belang dat verdachte niet verantwoordelijk was voor het delen van filmpjes. Dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, is voor de aansprakelijkheid, noch de omvang van de schade van belang.
De rechtbank acht het gevorderde bedrag van 2.718,75 billijk. De vordering zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rechte over dit bedrag vanaf 5 augustus 2025.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.
Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 63 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.
Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot
60 dagenniet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- dat de veroordeelde meewerkt aan behandeling, begeleiding en hulpverlening vanuit Accare of
soortgelijke instelling;
  • dat de veroordeelde onderwijs of dagbesteding volgt;
  • dat de veroordeelde meewerkt aan een plaatsing binnen een beschermde woonvorm of
maatschappelijke opvang indien de jeugdreclassering dat nodig acht;
- dat de veroordeelde geen contact zal hebben met de medeverdachten, zolang de jeugdreclassering dit
nodig acht:
[medeverdachte 2] geboren op [geboortedatum] 2010;
[medeverdachte 1] geboren op [geboortedatum] 2007;
[medeverdachte 4] geboren op [geboortedatum] 2011.
Geeft aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.

Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 2.718,75 (zegge: tweeduizend zevenhonderdachttien euro en vijfenzeventig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.718,75 (zegge: tweeduizend zevenhonderdachttien euro en vijfenzeventig eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Faber, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. R. Baluah en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door J. Kunst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 mei 2026.
Mr. C. Krijger en J. Kunst zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.