ECLI:NL:RBNNE:2026:1998
Rechtbank Noord-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering herziening IVA-uitkering
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het UWV van 8 december 2025 waarin een verzoek tot herziening van zijn IVA-uitkering werd afgewezen. Het bezwaar van verzoeker tegen dit besluit werd op 2 maart 2026 eveneens afgewezen. Verzoeker stelde dat hij onder het bestaansminimum is gezakt en schulden heeft, waardoor er sprake zou zijn van een spoedeisend belang.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 april 2026 mondeling behandeld, waarbij verzoeker en zijn echtgenote aanwezig waren, maar het UWV zich had afgemeld. De voorzieningenrechter oordeelde dat de door verzoeker aangevoerde financiële situatie onvoldoende concreet en verifieerbaar was om een actueel spoedeisend belang aan te nemen dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
Verder benadrukte de voorzieningenrechter dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet bedoeld is om de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen door middel van kortsluiting. De afwijzing van het verzoek betekent dat de bodemprocedure moet worden afgewacht. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van herziening van de IVA-uitkering wordt afgewezen wegens gebrek aan actueel financieel spoedeisend belang.