ECLI:NL:RBNNE:2026:2001
Rechtbank Noord-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bijzondere bijstand voor gedetineerde na tweede aanvraag binnen vijf jaar
Verzoeker, die sinds januari 2022 op een adres woont en twee periodes in detentie heeft doorgebracht, heeft op 20 januari 2026 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor doorbetaling van vaste lasten tijdens zijn detentie. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân wees deze aanvraag op 27 januari 2026 af, omdat verzoeker reeds eerder binnen vijf jaar gebruik had gemaakt van deze regeling.
Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht vervolgens op 14 april 2026 de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening in de vorm van een renteloze lening om zijn vaste lasten te kunnen voldoen tijdens de bezwaarfase. De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a. van de Participatiewet gedetineerden geen recht hebben op bijstand, en dat het college een beleidsregel heeft vastgesteld die slechts één keer in vijf jaar een uitzondering toestaat.
Omdat verzoeker al eerder bijzondere bijstand ontving voor doorbetaling van vaste lasten tijdens detentie, voldeed hij niet aan de voorwaarden van de beleidsregel. De voorzieningenrechter zag geen reden om af te wijken van het beleid en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De uitspraak is zonder zitting gedaan en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor bijzondere bijstand tijdens detentie wordt afgewezen omdat verzoeker niet voldoet aan de beleidsregel die slechts één keer in vijf jaar bijzondere bijstand toestaat.