Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2028

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
C/18/256346 / KG ZA 26-188
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking bezoektijden vader in AZC wegens onrechtmatig verblijf niet proportioneel

De zaak betreft een vordering van een vrouw die ruimere bezoektijden voor haar man, die onrechtmatig in Nederland verblijft, eist om haar en hun pasgeboren zoon in een AZC te bezoeken. De vrouw is rechtmatig in Nederland en verblijft in het AZC, terwijl de man geen verblijfsrecht heeft en door het COA beperkt wordt toegelaten vanwege veiligheids- en gedragsproblemen.

De voorzieningenrechter erkent het recht op family life tussen partijen en stelt vast dat de huidige bezoekregeling een inbreuk vormt op dit recht. COA heeft een legitiem doel met de beperking, namelijk het waarborgen van veiligheid en orde in het AZC. De rechter weegt dit af tegen het belang van de vrouw en oordeelt dat de beperking niet proportioneel is in de gegeven omstandigheden.

De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen: de man mag vanaf 29 mei 2026 tot zes weken na de geboorte vijf dagen per week drie uur aaneengesloten bezoeken brengen. Verdere verruiming wordt afgewezen omdat de man geen recht heeft op verstrekkingen en de belangen van COA zwaar wegen. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De rechtbank beveelt COA om de man vijf dagen per week drie uur aaneengesloten te laten bezoeken in het AZC, met voorwaarden, en wijst het meer gevorderde af.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/256346 / KG ZA 26-188
Vonnis in kort geding van 28 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.W.J.L. Loonen,
tegen
CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,
te Den Haag,
gedaagde partij,
hierna te noemen: COA,
advocaat: mr. T.O. Jorissen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de akte indiening nadere productie aan de zijde van [eiser] ;
- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van COA.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is van Iraakse nationaliteit en heeft op 23 juni 2025 asiel aangevraagd in Nederland. Op deze aanvraag is nog niet beslist. Zij verblijft rechtmatig in Nederland en heeft recht op en geniet verstrekkingen door COA. [eiser] is gehuwd met de heer [naam] (hierna: [naam] ). Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding was [eiser] zwanger van hun kind. Inmiddels is zij op 11 mei 2026 bevallen van een zoon.
2.2.
[eiser] wordt momenteel opgevangen in de geboortezorgafdeling van COA-opvanglocatie te [plaats] (hierna: het AZC). [eiser] en haar kind mogen
gedurende de kraamperiode – tot ongeveer zes weken na de bevalling – op de
geboortezorgafdeling van het AZC verblijven. [eiser] verbleef hiervoor in de gemeentelijke(crisis)noodopvanglocaties voor vluchtelingen te [plaats] .
2.3.
[naam] is eveneens van Iraakse nationaliteit en heeft in 2012 een asielaanvraag ingediend in Duitsland, waar hij in 2015 een verblijfsvergunning heeft gekregen. Zijn
verblijfsvergunning is in 2020 ingetrokken, omdat hij in 2018 terug was gegaan
naar Irak. Van 2020 tot 2025 heeft [naam] zonder verblijfsstatus in
Duitsland gewoond en gewerkt. [naam] heeft net als [eiser] op 23 juni 2025 asiel
aangevraagd in Nederland. Bij besluit van 14 oktober 2025 is zijn asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Dit besluit staat in rechte vast. [naam] verblijft onrechtmatig in Nederland en heeft op dit moment geen recht op verstrekkingen jegens het COA.
2.4.
COA heeft [naam] in verband met de zwangerschap van [eiser] toegestaan om [eiser] maximaal twee keer per week en maximaal drie uur per keer te bezoeken.
2.5.
[naam] is bij de bevalling aanwezig geweest. In de eerste week na de bevalling heeft [naam] tijdelijk een ruimere bezoekregeling van COA gekregen (elke dag drie uur van 16:00-19:00) teneinde meer tijd door te brengen met [eiser] en hun pasgeboren zoon.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert om bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. COA te bevelen om [naam] met onmiddellijke ingang toe te laten tot de opvanglocatie te [plaats] teneinde bij [eiser] te verblijven en haar bij te staan gedurende de laatste fase van haar zwangerschap en de periode voor en na de bevalling;
II. COA te bevelen om iedere beperking op het contact tussen [eiser] en [naam] waaronder frequentie- en tijdsbeperkingen, te staken en gestaakt te houden, althans deze zodanig te verruimen dat feitelijke uitoefening van het gezinsleven mogelijk is;
III. COA te verbieden om, louter wegens de aanwezigheid van [naam] bij [eiser] op de opvanglocatie, melding te doen bij de vreemdelingenpolitie, de Dienst Terugkeer en Vertrek of enige andere instantie, althans een zodanig verbod te formuleren als U, Voorzieningenrechter, in goede justitie vermeent te behoren;
IV. te bepalen dat COA een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft aan het onder I t/m III bepaalde te voldoen, met een maximum van € 50.000,00;
V. COA te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis.
3.2.
COA voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in haar vorderingen, althans tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiser] - uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vijftiende dag na de datum van het vonnis en met veroordeling van [eiser] in de nakosten conform liquidatietarief.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang voortvloeit uit het feit dat [eiser] op 11 mei 2026 is bevallen van haar zoon en zij met haar vordering ruimere bezoektijden voor [naam] – de vader van haar zoon – wil krijgen, zodat hij meer bij haar en hun pasgeboren zoon kan zijn. Het spoedeisend belang is door COA ook niet betwist.
Mondelinge vermindering van eis
4.2.
Op de mondelinge behandeling heeft mr. Loonen namens [eiser] haar eis verminderd in die zin dat vordering III niet langer wordt gehandhaafd. Ook heeft mr.Loonen verzocht om de vorderingen enkel nog te beoordelen op grond van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Voor zover in de dagvaarding andere grondslagen zijn genoemd, zullen deze onbesproken blijven.
Juridisch kader
4.3.
Artikel 8 EVRM Pro richt zich blijkens de tekst van het artikel in de eerste plaats tot de lidstaten. De Hoge Raad heeft echter overwogen dat artikel 8 EVRM Pro ook werking tussen burgers onderling kan hebben (HR 9 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5500). Waar moet worden aangenomen dat artikel 8 EVRM Pro ook werking heeft tussen burgers onderling, en een inbreuk op dit recht in beginsel een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW Pro oplevert, moet worden vastgesteld dat, in aansluiting op artikel 8 lid 2 EVRM Pro, uit geschreven of ongeschreven recht een rechtvaardigingsgrond voor een inbreuk op dat recht kan voortvloeien. De vraag of zich een rechtvaardigingsgrond voordoet, kan slechts worden beantwoord door een afweging, in het licht van de omstandigheden van het geval en de eventueel toepasselijke wettelijke bepalingen, van de ernst van de inbreuk tegen het belang dat met de inbreuk wordt gediend. Zo moeten in dit geval tegen elkaar worden afgewogen de ernst van de inbreuk op het recht op ‘family life’ van [eiser] door het beperken van het bezoekrecht van [naam] tegen het belang dat met die weigering wordt gediend.
Vordering I
4.4.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil dat tussen [eiser] en [naam] ‘family life’ bestaat in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Tevens is niet in geschil dat COA door een bezoekregeling aan te bieden die beperkter is dan de reguliere bezoektijden, [1] een inbreuk maakt op dit recht. Vraag is of zich een rechtvaardigingsgrond voordoet als bedoeld in artikel 8 lid 2 EVRM Pro.
Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
4.5.
In de eerste plaats geldt de eis dat COA met de maatregel om het [naam] slechts beperkt toe te staan [eiser] te bezoeken, een legitiem doel dient na te streven. Voorts dient de maatregel proportioneel te zijn: er dient een redelijke verhouding te bestaan tussen het beoogde doel van de maatregel en de inbreuk op het recht aan de zijde van [eiser] . Daarnaast moet er zijn voldaan aan de subsidiariteitseis: er dient geen andere, minder ingrijpende manier te bestaan om het doel te bereiken.
4.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat COA een legitiem doel heeft, namelijk het borgen van de veiligheid op het AZC. Dit is noodzakelijk voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
4.7.
Tussen partijen is ook niet in geschil dat COA gerechtigd is om de bezoektijden te bepalen en te beperken. COA stelt dat de beperkte bezoekregeling van [naam] gerechtvaardigd is, omdat [naam] geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, niet opvanggerechtigd is en verplicht is om Nederland te verlaten. Daarnaast werd zijn aanwezigheid op de opvanglocatie in Odoorn volgens COA als overlastgevend ervaren, omdat [naam] zich niet houdt aan de huisregels, terwijl hij daartoe wel verplicht is. COA heeft meldingen ontvangen over overlastgevend gedrag waaronder het roken van marihuana en het nuttigen van alcohol binnen de opvanglocatie, het veroorzaken van onrust binnen de woningen en het niet naleven van afspraken omtrent verblijf en overnachtingen binnen de locatie. Naast dat dit gedrag niet is toegestaan is dergelijk gedrag zeker op of nabij de geboortezorgafdeling van het AZC niet wenselijk, omdat zich daar doorgaans kwetsbare personen bevinden, aldus COA.
4.8.
[eiser] stelt zich echter op het standpunt dat de inbreuk niet proportioneel is. Daartoe voert zij aan dat het belangrijk is dat de vrouw in de eerste periode na de geboorte van haar kind bijstand heeft van haar partner en vader van het kind. [eiser] betwist dat [naam] alcohol heeft gedronken en marihuana heeft gerookt. Ook voert zij aan dat de bezoeken van [naam] gedurende de kraamtijd goed zijn verlopen. Dit heeft COA op de mondelinge behandeling ook bevestigd. In het licht van deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de beperking van de bezoeken tot twee dagen per week, drie uur per dag (aaneengesloten) in dit specifieke geval niet proportioneel en dus onrechtmatig is. Daarentegen is de voorzieningenrechter ook van oordeel dat de vordering van [eiser] te ver strekt in tijd en omvang, waarbij van belang is dat [naam] zelf geen recht heeft op verstrekkingen van COA. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het mindere toe te wijzen. COA zal daarom vanaf 29 mei 2026 worden bevolen om [naam] tot zes weken na de geboorte van zijn zoon toe te laten op het AZC (de opvanglocatie te [plaats] ), teneinde [eiser] te bezoeken, met dien verstande dat bezoek zal zijn toegestaan gedurende vijf dagen per week, drie uur (aaneengesloten) per dag. Gelet op de door COA gestelde mindere bezetting in het weekend, dient het bezoek plaats te vinden op maandag tot en met vrijdag. Vanwege de beheersbaarheid dient het bezoek aaneengesloten plaats te vinden. Dit betekent dat [naam] de locatie niet tussentijds mag verlaten en later (diezelfde dag) weer binnen mag komen. [naam] dient zich tijdens zijn bezoeken uiteraard – net als iedere andere bezoeker – aan het bezoekersreglement te houden.
Vordering II
4.9.
De vordering onder II zal worden afgewezen, omdat [eiser] hierbij geen zelfstandig belang (meer) heeft. Door de gedeeltelijke toewijzing van het van onder I gevorderde, wordt immers reeds ruimere toegang in het AZC aan [naam] verleend. Verder contact tussen [eiser] en [naam] wordt door COA ook niet beperkt. Het staat [eiser] en [naam] vrij om buiten de opvanglocatie af te spreken, dan wel contact te hebben via andere communicatiemiddelen.
Vordering III
4.10.
Deze vordering is op de mondelinge behandeling ingetrokken en behoeft daarom geen bespreking meer.
Vordering IV
4.11.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om, zoals door [eiser] onder III gevorderd, een dwangsom toe te wijzen.
Proceskosten
4.12.
Omdat [eiser] een vergaande vordering heeft ingestoken die slechts voor een deel wordt toegewezen en [eiser] daarnaast op de mondelinge behandeling nog vorderingen heeft ingetrokken, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
beveelt COA om [naam] vanaf 29 mei 2026 tot en met 22 juni 2026 vijf dagen per week (maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag), drie uur aaneengesloten per dag toe te laten tot de opvanglocatie te Musselkanaal teneinde [eiser] te bezoeken;
5.2.
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
wijst af het meer of anders gevorderde;
5.4.
compenseert de proceskosten.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Boerlage-van den Bosch en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.
711/lw

Voetnoten

1.De reguliere bezoektijden zijn dagelijks van 8.00u - 22.00u.