Betrokkene kreeg een boete van €499 opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) voor het rijden met een voertuig waarbij losse lading niet deugdelijk was afgedekt, wat gevaar opleverde. Betrokkene stelde zich op het standpunt dat hij geen schuld had en dat de trailer-lader dezelfde boete moest krijgen. In zijn beroepschrift gebruikte hij echter schuttingtaal en uitte hij een indirecte bedreiging aan het adres van de verbalisant.
De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter. Tijdens de zitting was betrokkene niet aanwezig. De kantonrechter oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens schending van het beginsel van behoorlijke procesvoering, omdat betrokkene ongepaste en bedreigende taal gebruikte en geen gebruik maakte van de geboden mogelijkheid om dit te herstellen.
De griffie had betrokkene per brief gewezen op zijn proceshouding en hem de kans gegeven een nieuw beroepschrift zonder ongepaste uitlatingen in te dienen, maar betrokkene heeft dit nagelaten. De kantonrechter verklaarde daarom het beroep niet-ontvankelijk. Tegen deze beslissing kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.