Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2070

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
11847761 \ CV EXPL 25-5056
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:253 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering huurprijsverhoging wegens ontbreken aangetekende herinnering verhuurder

Tussen verhuurder Acantus en huurders bestaat een huurovereenkomst voor een woning. Acantus heeft meerdere keren een huurprijsverhoging voorgesteld, maar de huurders hebben deze verhogingen niet betaald en slechts de oorspronkelijke huurprijs voldaan.

Acantus vordert betaling van de vermeende huurachterstand, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. De huurders voeren verweer dat zij conform artikel 7:253 BW Pro hebben gehandeld door geen bezwaar te maken en dat Acantus niet aan haar verplichting heeft voldaan om binnen drie maanden na de ingangsdatum van de huurverhoging een aangetekende herinnering te sturen.

De kantonrechter oordeelt dat Acantus niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichting tot het sturen van aangetekende herinneringen, waardoor de voorgestelde huurprijsverhogingen geen rechtsgevolg hebben. De huurders hebben steeds de oorspronkelijke huurprijs betaald, er is geen huurachterstand en de vordering wordt afgewezen. Acantus wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot betaling van huurachterstand wegens huurprijsverhogingen wordt afgewezen omdat de verhuurder niet aan de wettelijke herinneringsplicht voldeed.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 11847761 \ CV EXPL 25-5056
Vonnis van 2 juni 2026
in de zaak van
de stichting
STICHTING ACANTUS,
gevestigd te Veendam,
eiseres,
hierna te noemen: Acantus,
gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonende te [plaats] ,
2.
[gedaagde sub 2],
wonende te [plaats] ,
gedaagden,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en samen te noemen [gedaagden].,
procederende in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;
- de akte uitlating producties van Acantus.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen Acantus als verhuurder en [gedaagden]. als huurders bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan [adres] (hierna: de woning) De laatstelijk door Acantus in rekening gebrachte huurprijs bedraagt sinds 1 juli 2025 € 705,14 per maand. De huur moet telkens uiterlijk op de eerste dag van iedere maand worden voldaan.
2.2.
Acantus heeft [gedaagde sub 1] bij brief van 28 april 2023 medegedeeld dat de huurprijs van de woning vanaf 1 juli 2023 met 2,70% wordt verhoogd tot een bedrag van
€ 639,56 per maand.
2.3.
Acantus heeft [gedaagde sub 1] bij brief van 18 april 2024 medegedeeld dat de huurprijs van de woning vanaf 1 juli 2024 met 5,3% wordt verhoogd tot een bedrag van
€ 673,42 per maand.
2.4.
Acantus heeft [gedaagde sub 1] bij brief van 15 april 2025 bericht dat de huurprijs van de woning vanaf 1 juli 2025 met 4,7% wordt verhoogd tot een bedrag van
€ 705,14 per maand.
2.5.
[gedaagden]. hebben vanaf juli 2023 tot en met juli 2025 de door Acantus in rekening gebrachte huurverhogingen niet voldaan. Zij hebben in deze periode iedere maand een bedrag van € 622,57 aan huur aan Acantus betaald. Dit bedrag komt overeen met de tot 1 juli 2023 verschuldigde huur.
2.6.
Partijen hebben in 2023/2024 een procedure bij de Huurcommissie gevoerd, waarbij [gedaagde sub 1] de Huurcommissie heeft gevraagd om uitspraak te doen over een klacht over gedragingen van Acantus als verhuurder. De Huurcommissie deze klacht ongegrond verklaard bij uitspraak van 21 maart 2024.

3.Het geschil

3.1.
Acantus vordert dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden]. veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.049,85, te vermeerderen met de wettelijke rente over de openstaande hoofdsom (huurachterstand tot en met de maand juli 2025) gerekend vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagden]. in de proceskosten.
3.2.
Acantus legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagden]. hebben nagelaten om de vanaf 1 juli 2023 jaarlijks in rekening gebrachte huurverhogingen te voldoen. Hierdoor is er een huurachterstand is ontstaan, die ten tijde van de dagvaarding in totaal
€ 896,65 bedroeg. Acantus stelt zich op het standpunt dat het niet zo kan zijn dat [gedaagden]. zonder enig bericht van hun kant de voorgestelde huurprijsverhogingen niet verschuldigd zouden zijn. Zij hebben nagelaten om actief bezwaar hiertegen te maken ondanks het feit dat zij op de hoogte waren van de verhoogde huurprijs. Naast de huurachterstand maakt Acantus aanspraak op betaling van een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 96,80 en wettelijke rente over de huurachterstand.
3.3.
[gedaagden]. voeren - samengevat weergegeven en voor zover van belang - het volgende als verweer aan. Allereerst vragen zij zich af wat de grondwettelijke basis is voor het voeren van deze procedure met betrekking tot een huurachterstand. In dat kader wijzen zij op het bepaalde in artikel 7:253 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW), waaruit volgt dat (ook) bezwaar kan worden gemaakt tegen voorgestelde huurprijsverhogingen door geen bezwaar te maken. [gedaagden]. hebben in het onderhavige geval conform dit wetsartikel gehandeld, net zoals zij in het verleden hebben gedaan. Acantus was hiermee dus bekend. [gedaagden]. hebben de verschuldigde huur van € 622,57 altijd tijdig aan Acantus betaald. Er is volgens hen dan ook geen sprake van een huurachterstand. Toch zijn zij door Acantus gedagvaard, hetgeen de vraag oproept of sprake is van onrechtmatig handelen van Acantus. Verder voeren [gedaagden]. aan dat Acantus de uitspraak van de huurcommissie heeft aangegrepen om een vermeende huurachterstand te kunnen incasseren, terwijl de procedure bij de huurcommissie betrekking had op het gedrag van Acantus als verhuurder en niet op de jaarlijkse huurverhoging.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter overweegt allereerst dat zij niet het standpunt van [gedaagden]. deelt dat Acantus de procedure die partijen bij de huurcommissie hebben gevoerd heeft aangegrepen om de onderhavige huurachterstand te kunnen incasseren. Weliswaar heeft Acantus in de dagvaarding verwezen naar de procedure bij de huurcommissie en heeft zij de uitspraak van de huurcommissie aan de dagvaarding gehecht, maar Acantus heeft vervolgens voldoende uitgelegd waarom zij dat gedaan heeft, namelijk omdat zij in de
- achteraf onjuist gebleken - veronderstelling verkeerde dat [gedaagden]. de voorgestelde huurprijsverhogingen niet betaalden in verband met de procedure bij de huurcommissie. Er bestaat daarom naar het oordeel van de kantonrechter geen verband tussen de procedure bij de huurcommissie en de voorliggende vordering van Acantus tot betaling van een huurachterstand.
4.2.
De door Acantus gevorderde huurachterstand van € 896,65 bestaat in zijn geheel uit niet-betaalde jaarlijkse huurprijsverhogingen vanaf 1 juli 2023. In geschil is of [gedaagden]. gehouden zijn om de door Acantus vanaf die datum in rekening gebrachte huurprijsverhogingen te voldoen. De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Daartoe overweegt zij het volgende.
4.3.
Artikel 7:253 BW Pro regelt de gevolgen wanneer de huurder, zoals hier, niet schriftelijk heeft ingestemd met door de verhuurder gedane voorstellen tot huurprijsverhoging. Als de huurder voorafgaand aan de voorgestelde ingangsdatum van de huurprijsverhoging geen schriftelijk bezwaar daartegen heeft gemaakt, dan moet de verhuurder ingevolge artikel 7:253 lid 2 sub b BW Pro binnen drie maanden na de ingangsdatum van de voorgestelde huurprijsverhoging de huurder bij aangetekende brief aan zijn voorstel herinneren. [1] Nadien kan de huurder, indien hij niet met de voorgestelde huurprijsverhoging instemt, binnen vier maanden na de voorgestelde ingangsdatum de huurcommissie verzoeken om een uitspraak te doen over de redelijkheid van het voorstel.
4.4.
De kantonrechter stelt vast dat Acantus [gedaagden]. bij brieven van 28 april 2023, 18 april 2024 en 15 april 2025 in kennis heeft gesteld van het voorstel om de huurprijs met ingang van 1 juli van het betreffende jaar te verhogen met de in deze brieven genoemde percentages. Vast staat dat [gedaagden]. naar aanleiding van deze brieven geen bezwaar hebben gemaakt tegen de daarin voorgestelde huurprijsverhogingen. Het lag bij die stand van zaken naar het oordeel van de kantonrechter vervolgens op de weg van Acantus, om
- zoals artikel 7:253 lid 2 sub b BW Pro voorschrijft - [gedaagden]. telkens bij aangetekende brief binnen drie maanden na de ingangsdatum van de voorgestelde huurprijsverhogingen aan haar voorstellen te herinneren, waarna het aan [gedaagden]. was om de huurcommissie eventueel een uitspraak te vragen over de redelijkheid van de voorgestelde huurprijsverhogingen. [2] De kantonrechter is het tegen deze achtergrond niet met Acantus eens dat [gedaagden] c.s. de voorgestelde huurprijsverhogingen reeds verschuldigd zijn vanwege het uitblijven van bezwaar daartegen. Dit betoog wordt dan ook verworpen.
4.5.
Gesteld noch gebleken is dat Acantus de hiervoor bedoelde aangetekende brieven aan [gedaagden]. heeft gestuurd nadat zij geen bezwaar van [gedaagden]. tegen de voorgestelde huurprijsverhogingen had ontvangen. Daarmee heeft zij niet voldaan aan haar wettelijke verplichting daartoe. Zonder deze aangetekende brieven wordt naar het oordeel van de kantonrechter ook niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:253 lid 3 BW Pro dat bepaalt dat een huurverhogingsvoorstel waarmee niet wordt ingestemd, als overeengekomen kan worden beschouwd als de huurder daar tenminste een aangetekende herinnering voor heeft gekregen en de huurder dan niet zelf een verzoek doet bij de huurcommissie.
4.6.
Naar het oordeel van de kantonrechter hebben de opeenvolgende huurprijsverhogingsvoorstellen van Acantus aan [gedaagden]. door het niet verzenden van aangetekende herinneringen toen bezwaar tegen deze huurprijsverhogingen uitbleef hun effect verloren en is er zodoende vanaf 1 juli 2023 tot en met 1 juli 2025 geen huurprijsverhoging tot stand gekomen. [3] De conclusie moet daarom zijn dat vanaf 1 juli 2023 tot en met 1 juli 2025 de tot 1 juli 2023 geldende huurprijs van € 622,57 tussen partijen is blijven gelden. Vast staat dat [gedaagden]. dit bedrag vanaf 1 juli 2023 iedere maand aan Acantus hebben betaald. Er is daarmee geen sprake van een huurachterstand. Dit betekent dat de daarop gebaseerde vordering van Acantus moet worden afgewezen, evenals de mede gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. Hetgeen partijen voor het overige nog hebben aangevoerd, kan hiermee onbesproken blijven.
4.7.
Acantus zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten worden aan de zijde van [gedaagden]. op nihil vastgesteld nu zij in persoon procederen en alleen schriftelijk verweer hebben gevoerd.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering van Acantus af;
5.2.
veroordeelt Acantus in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagden]. vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Boerlage-van den Bosch en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
520/MP

Voetnoten

1.De verhuurder kan deze herinnering achterwege laten wanneer het voorstel tot huurprijsverhoging bij aangetekende brief is verzonden (zie artikel 7:253 lid 5 BW Pro).
2.De situatie van artikel 7:253 lid 5 BW Pro is hier niet aan de orde, nu Acantus de voorstellen tot huurprijswijziging niet bij aangetekende brief aan [gedaagden]. heeft verstuurd.
3.Vgl. Gerechtshof Amsterdam 4 augustus 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3179.