Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2074

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
18/104773-23 ontneming
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak witwassen en afwijzing vordering ontneming wegens onvoldoende bewijs

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 1 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, geboren in 1993, inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en de tenlastelegging van (gewoonte)witwassen.

De officier van justitie had een vordering tot ontneming ingediend van €60.846,16, later bijgesteld naar €57.920,07, gebaseerd op een vermeend onverklaarbaar vermogen uit de exploitatie van een winkel over de jaren 2020 tot en met 2022. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat het dossier onvoldoende feiten en omstandigheden bevat om een vermoeden van witwassen aan te nemen, mede omdat de onderliggende boekhouding van de winkel ontbrak, waardoor de discrepanties tussen opgegeven omzet en geldstromen niet betrouwbaar konden worden beoordeeld.

Hoewel uit het dossier bleek dat verdachte zich in de tenlastegelegde periode met drugshandel bezighield, was dit op zichzelf onvoldoende om de vermogensverschillen aan een misdrijf te koppelen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van witwassen. Omdat de ontnemingsvordering gebaseerd was op dezelfde financiële gegevens als de verdenking van witwassen, wees de rechtbank ook deze vordering af.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, en is een einduitspraak in deze strafzaak.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van witwassen en de vordering tot ontneming is afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/104773-23
Beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 1 juni 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de BRP: [adres] ,
hierna: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft op 20 april 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting
zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 60.846,16 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/04773-23 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 18 mei 2026. De veroordeelde, zijn raadsman mr. A.D. Kloosterman en de officier van justitie mr. G.R. Stoeten zijn op de vordering gehoord.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 18 mei 2026 gevorderd dat in afwijking van de schriftelijke vordering ten voordele van verdachte dient te worden uitgegaan van het bedrag van 57.920,07, onder verwijzing naar de berekening in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2023, opgenomen op pagina 789 e.v. van het onderliggende strafdossier.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 18 mei 2026 in de zaak met parketnummer 18/104773-23 vrijgesproken van (gewoonte)witwassen. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van witwassen van een onverklaarbaar vermogen van 57.920,08 vanuit verdachtes [winkel] over de jaren 2020 tot en met 2022. Daartoe is in het dossier een vergelijking gemaakt tussen enerzijds de bij de Belastingdienst opgegeven bedrijfsopbrengsten van de [winkel] en anderzijds de geldstromen vanuit de [winkel] die zichtbaar zijn op de bankrekeningen van verdachte, diens partner en vanaf 2022 ook de zakelijke bankrekening van verdachte. In die vergelijking zijn tevens contante stortingen betrokken, omdat deze volgens het Openbaar Ministerie mogelijk afkomstig zijn uit de exploitatie van de [winkel] .
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak onvoldoende feiten en omstandigheden zijn aangedragen om een vermoeden van witwassen aan te kunnen nemen.
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het dossier in essentie bestaat uit iCOV-rapportages en bankafschriften van de door het Openbaar Ministerie geselecteerde rekeningen. De rechtbank beschikt niet over de onderliggende boekhouding van de [winkel] , terwijl juist die administratie noodzakelijk is om de gestelde discrepantie tussen opgegeven omzet en feitelijke geldstromen in een bredere financiële context te kunnen beoordelen. Zonder inzicht in de volledige bedrijfsadministratie kan niet worden vastgesteld of de geconstateerde verschillen hun oorsprong vinden in criminele inkomsten, dan wel het gevolg zijn van administratieve onvolkomenheden, gebrekkige boekhouding of onjuiste fiscale aangiften.
Hoewel uit het dossier en de bewezenverklaring blijkt dat verdachte zich in de tenlastegelegde periode heeft beziggehouden met de handel in drugs, rechtvaardigt dat op zichzelf nog niet de conclusie dat de door het Openbaar Ministerie berekende vermogensverschillen daadwerkelijk afkomstig zijn uit enig misdrijf.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.
Omdat de vordering tot ontneming is gebaseerd op dezelfde financiële bevindingen als waarop de verdenking van (gewoonte)witwassen is gebaseerd, zal de rechtbank de vordering tot ontneming afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
- wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. O.J. Bosker en
mr. K. Offerein-Hulshoff, rechters, bijgestaan door mr. R. de Boer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 juni 2026.