ECLI:NL:RBNNE:2026:2131

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
LEE 24/5037
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.6 Wet IBArt. 4.12 Wet IBArt. 4.16 Wet IBArt. 4.17a Wet IB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toepassing doorschuifregeling bij overlijden en ondernemingsvermogen

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 2 juni 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de toepassing van de doorschuifregeling bij overlijden van een aanmerkelijk belanghouder. Eisers, de erfgenamen van de overleden erflater, betwistten de aanslag inkomstenbelasting 2020 die was gebaseerd op een fictieve vervreemding van aandelen in [A holding] BV. Zij stelden dat een groter deel van het vermogen van de onderneming als ondernemingsvermogen moest worden aangemerkt, zodat de doorschuifregeling van artikel 4.17a Wet IB 2001 van toepassing zou zijn.

De rechtbank stelde vast dat de inspecteur de aanslag had verminderd na bezwaar, waarbij een deel van de liquide middelen als ondernemingsvermogen werd erkend. Echter, de posten effecten (zilver) en leningen aan derden werden niet als ondernemingsvermogen aangemerkt. Eisers konden niet aannemelijk maken dat deze posten noodzakelijk waren voor de onderneming op het moment van overlijden, ondanks de coronacrisis en latere betalingsuitstelregelingen.

De rechtbank verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat geen bijzondere omstandigheden waren gesteld die een bindend standpunt van de inspecteur erfbelasting voor de inspecteur inkomstenbelasting konden opleveren. Het beroep werd ongegrond verklaard en eisers kregen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2020 wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/5037

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

de erven van [erflater] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: [naam 1] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst Midden- en Kleinbedrijf, kantoor Almere, de inspecteur
(gemachtigde: [naam 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 3 december 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan eisers voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.155, naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 377.309 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.219.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eisers € 1.723 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eisers gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.155, naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 324.809 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.219. De belastingrentebeschikking is verlaagd naar € 1.479.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op (een digitale) zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [naam 3] .

Feiten

2. De heer [erflater] (erflater) is overleden op 21 december 2020. Tot zijn nalatenschap behoorde 100% van de aandelen van [A holding] BV. Deze vennootschap bezit 100% van de aandelen van [A trading] BV.
2.1.
Na het overlijden van erflater zijn de activiteiten van [A holding] BV voortgezet door zijn twee zoons. De zoons zijn de enige erfgenamen van erflater.
2.2.
De geconsolideerde balans van [A holding] BV per 31 december 2020 kan als volgt worden weergegeven:
Activa
Passiva
Leningen derden
281.481
Aandelenkapitaal
18.151
Voorraden
509.66
Overige reserves
1.036.918
Debiteuren
171.937
Eigen vermogen
1.055.069
Belastingen
729
Effecten
88.383
Crediteuren
100.951
Liquide middelen
318.293
Belastingen
151.487
Overige schulden
62.976
1.370.483
1.370.483
2.3.
De balanspost Leningen derden betreft zeventien leningen aan verschillende personen en ondernemingen voor bedragen variërend tussen € 540,88 en € 62.953,03.
2.4.
De balanspost Effecten betreft zilver, aangehouden op een rekening.
2.5.
De niet-geconsolideerde balans van [A holding] BV per 31 december 2020 kan als volgt worden weergegeven:
Activa
Passiva
Deelnemingen
426.964
Aandelenkapitaal
18.151
Overige vorderingen
466.087
Overige reserves
1.036.918
Belastingen
729
Eigen vermogen
1.055.069
Effecten
88.383
Liquide middelen
107.006
Belastingen
15.462
Overige schulden
18.638
1.089.169
1.089.169
2.6.
De balans van [A trading] BV per 31 december 2020 kan als volgt worden weergegeven:
Activa
Passiva
Inventaris
Aandelenkapitaal
18.151
Vervoermiddelen
Overige reserves
408.813
Voorraden
509.66
Eigen vermogen
426.964
Handelsdebiteuren
171.937
Liquide middelen
211.287
Schulden [A holding]
184.606
Handelscrediteuren
100.951
Belastingen
136.025
Overige schulden
44.338
892.884
892.884
2.7.
Namens erflater is op 29 juli 2021 aangifte IB/PVV 2020 gedaan. In die aangifte is niet vermeld of er sprake is van een fictieve vervreemding van een aanmerkelijk belang op grond van artikel 4.16 Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB).
2.8.
De erfgenamen hebben geen verzoek gedaan als bedoeld in artikel 4.17a van de Wet IB.
2.9.
Bij brief van 17 februari 2023 heeft de inspecteur aan de erfgenamen informatie gevraagd naar aanleiding van de aangifte van 29 juli 2021. Het verzoek luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2)

Vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang
In verband met het overlijden van uw client is sprake van een fictieve vervreemding van de aanmerkelijk belangaandelen in [A holding] BV. Hiervoor is geen bedrag aangegeven. Om het vervreemdingsvoordeel te kunnen vaststellen, verzoek ik u mij de volgende informatie te sturen:
- de waarde van de aandelen, koopopties op aandelen of winstbewijzen in het economische verkeer op 21 december 2020.
- de verkrijgingsprijs van die aandelen, koopopties op aandelen of winstbewijzen.
- de (enkelvoudige en geconsolideerde) jaarstukken 2020 van [A holding] BV.
2.10.
Op 21 februari 2023 is aan de erfgenamen een aanslag erfbelasting opgelegd. Bij het opleggen van de aanslag erfbelasting is de aangifte erfbelasting gevolgd. Bij het opleggen van de aanslag erfbelasting is het volledige vermogen van [A holding] BV als ondernemingsvermogen aangemerkt voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling.
2.11.
Namens erflater is op 11 mei 2023 een herziene aangifte IB/PVV 2020 ingediend. In deze aangifte staat onder de rubriek aanmerkelijk belang vermeld dat een beroep wordt gedaan op artikel 4.17a Wet IB. In deze aangifte staat vermeld dat het aanwezige vermogen van € 1.055.069 van [A holding] BV gelijk is aan het ondernemingsvermogen, waardoor het aangegeven voordeel uit aanmerkelijk belang nihil zou zijn.
2.12.
Naar aanleiding van het informatieverzoek (2.9) en de herziene aangifte van 11 mei 2023 hebben partijen gecorrespondeerd.
2.13.
Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020 heeft de inspecteur een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 377.309 in aanmerking genomen.
2.14.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het in aanmerking genomen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang verlaagd naar € 324.809. De motivering van de uitspraak op bezwaar luidt – voor zover van belang – als volgt:

Bij het vaststellen van de aanslag zijn de liquide middelen die binnen de onderneming nodig zijn op € 50.000 vastgesteld. Gebaseerd op de geconsolideerde balans per 31 december 2020 en het door u gemaakte overzicht deel ik uw zienswijze dat meer liquide middelen nodig zijn om de onderneming draaiende te houden. Ik heb daarom besloten dat ik kan instemmen met uw voorstel.
Ik stel daarom de liquide middelen als volgt vast:
Effecten volgens de balans
88.383
Liquide middelen volgens de balans
107.006
195.389
AF: aangemerkt als ondernemingsvermogen
100
Aangemerkt als beleggingsvermogen
95.389
Ik heb de fictieve vervreemding als volgt berekend:
Liquide middelen
95.389
Overige vorderingen
281.481
376.87
AF: 5%-franchise
33.91
Fictieve vervreemding
342.96
(…)”

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2020 niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. Het gaat daarbij om het antwoord op de vraag of de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) juist is toegepast. Meer specifiek gaat het over de vraag welk een deel van het vermogen van [A holding] BV als ondernemingsvermogen moet worden aangemerkt. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag IB/PVV 2020 niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beroep op het vertrouwensbeginsel
5. Eisers stellen dat, door bij het opleggen van de aanslag erfbelasting de bedrijfsopvolgingsregeling voor het volledige vermogen van [A holding] BV toe te passen, de inspecteur het standpunt heeft ingenomen dat het volledige vermogen als ondernemingsvermogen aangemerkt dient te worden. Daarmee is het vertrouwen gewekt dat ook voor de doorschuifregeling in de inkomstenbelasting het gehele vermogen als ondernemingsvermogen zou worden aangemerkt.
6. De inspecteur stelt dat geen sprake is van opgewekt vertrouwen. De inspecteur Schenk- & Erfbelasting heeft geen uitlatingen gedaan over het ondernemingsvermogen, laat staan een standpunt ingenomen. De aangifte erfbelasting is versneld en overeenkomstig de aangifte afgedaan. De aangifte is gevolgd zonder verder contact met de erfgenamen, aldus de inspecteur.
7. De rechtbank overweegt als volgt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. [1]
8. Verder is van belang dat in het algemeen de inspecteur die ten aanzien van de heffing van een bepaalde belasting bevoegd is, niet is gehouden een standpunt van een ambtgenoot die inzake de heffing van een andere belasting bevoegd is, te volgen, ook niet indien dat standpunt betrekking heeft op hetzelfde feitencomplex. Zulks kan evenwel uitzondering lijden, bijvoorbeeld indien de belastingplichtige op grond van door hem te stellen bijzondere omstandigheden erop mocht vertrouwen dat de bij de beoordeling van hetzelfde feitencomplex betrokken inspecteurs niet zonder overleg en afstemming met elkaar een standpunt zouden innemen. [2]
9. Uit het voorgaande volgt dat een door de inspecteur Schenk- & Erfbelasting ingenomen standpunt de inspecteur Inkomstenbelasting in beginsel niet bindt, ook niet via het vertrouwensbeginsel. Daarvoor moeten bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, die door eisers gesteld en aannemelijk gemaakt moeten worden. Eisers hebben dergelijke bijzondere omstandigheden niet gesteld. Dat betekent dat, ook als de rechtbank eisers zou volgen in hun stelling dat ten aanzien van de erfbelasting sprake is geweest van een bewuste standpuntbepaling, daarmee het beroep op het vertrouwensbeginsel nog niet slaagt. Of bij het opleggen van de aanslag erfbelasting sprake is geweest van een bewuste ingenomen standpunt laat de rechtbank daarom in het midden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Wel of geen ondernemingsvermogen
10. De erflater in deze zaak hield (indirect) alle aandelen in twee vennootschappen (zie 2.1). Hij had daardoor een (indirect) aanmerkelijk belang in die vennootschappen. [3] Door zijn overlijden gingen deze aandelen krachten erfrecht over op zijn erfgenamen. Die overgang krachtens erfrecht vormt een fictieve vervreemding van de aandelen. [4] Bij die vervreemding van aandelen die een aanmerkelijk belang vormen kan inkomen uit aanmerkelijk belang ontstaan. [5] Over dat inkomen moet dan belasting betaald worden. Erfgenamen kunnen echter verzoeken om toepassing van de zogenaamde doorschuiffaciliteit. [6] Op grond daarvan kan een uitzondering gemaakt worden op de fictieve vervreemding van een aanmerkelijk belang bij overlijden. Die uitzondering geldt dan – kort gezegd – alleen voor ondernemingsvermogen.
11. Voor toepassing van de doorschuifregeling moet daarom bepaald worden met welk vermogen [A holding] BV haar onderneming drijft. Hiervoor gelden de regels van de vermogensetikettering die worden toegepast in de winstsfeer, met uitzondering van de regels die gelden voor het keuzevermogen, omdat een besloten vennootschap naar haar aard die keuze niet maakt.
12. De rechtbank stelt voorop dat, na de verlaging van de aanslag in bezwaar, tussen partijen geen geschil meer bestaat over hoeveel van de balanspost liquide middelen als ondernemingsvermogen aangemerkt dient te worden. Van de € 107.006 op de (niet geconsolideerde) balans van [A holding] BV kan € 100.000 aangemerkt worden als ondernemingsvermogen. Enkel nog de balansposten Effecten (voor het volledige bedrag van € 88.383) en Overige vorderingen (voor € 281.481 van de € 466.087) zijn in geschil. De post Overige vorderingen van € 281.481 bestaat volledig uit aan derden verstrekte leningen (2.3).
13. Eisers stellen dat de effecten en de leningen aan derden als ondernemingsvermogen aangemerkt moeten worden. Eisers wijzen op de geconsolideerde balans per 31 december 2020. De posten Leningen derden, Effecten en Liquide middelen tellen op tot € 688.157. De schulden bedroegen € 315.414, zodat er een batig saldo van € 372.743 was. Dat saldo is een reserve voor het opvangen van tegenvallende resultaten en om investeringen te doen. Ten tijde van het overlijden van erflater stond de wereld op zijn kop door corona. Daarom was een dergelijke reserve nodig om te overleven. Dat is nadien ook gebleken. Eisers wijzen er daarbij op dat de onderneming later gebruik heeft gemaakt van de uitstelregeling voor de omzetbelasting en de loonheffingen. Daarvan moet nog circa € 140.000 betaald worden. Een deel van de leningen aan derden is versneld geïnd in 2022 om in liquiditeiten te voorzien. De effecten zijn in 2022 verkocht.
14. De inspecteur stelt dat reeds voldoende rekening is gehouden met de situatie ten tijde van het overlijden van erflater. Voor de effecten en leningen aan derden hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat het ondernemingsvermogen betreft, aldus de inspecteur.
15. De rechtbank overweegt als volgt. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat eisers, die zich op de doorschuiffaciliteit als bedoeld in artikel 4.17a, eerste lid, letter a, van de Wet IB beroepen, de feiten dienen te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken die het standpunt kunnen dragen dat zowel de effecten als de leningen aan derden zijn aan te merken als ondernemingsvermogen in de zin van dit artikel.
16. Omdat zowel eisers als de inspecteur de effecten en de leningen aan derden benaderen als liquide middelen, zal de rechtbank dat ook doen.
17. Het staat een belastingplichtige vrij liquide middelen al dan niet tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen, mits hij de grenzen der redelijkheid niet overschrijdt. Die grenzen worden overschreden indien een belastingplichtige liquide middelen tot het vermogen van zijn onderneming rekent die duurzaam overtollig zijn en dus in die onderneming geen enkele functie vervullen. [7]
18. Gelet op het voorgaande is het aan eisers om te stellen – en gelet op de betwisting door de inspecteur aannemelijk te maken – welke functie de liquide middelen hebben in de onderneming. Daarbij moet opgemerkt worden dat reeds € 311.287 aan liquide middelen is aangemerkt als ondernemingsvermogen.
19. Met hetgeen eisers stellen maken zij niet aannemelijk dat op het moment van overlijden van erflater ook ten aanzien van de effecten (het zilver) en de leningen aan derden sprake was van ondernemingsvermogen. Enkel de stelling dat sprake was van onzekere tijden door corona is daarvoor niet genoeg. Eisers hadden ten minste ook inzichtelijk moeten maken hoeveel liquide middelen nodig zouden zijn geweest om de onderneming draaiende te houden, daarbij eventueel rekening houdend met de destijds al enige tijd gaande coronacrisis. Dat hebben eisers niet gedaan. Dat na het overlijden van erflater de (belasting)schulden van de onderneming zijn opgelopen, en dat nu nog steeds afbetaald wordt op uitgestelde belastingen, is niet voldoende om aannemelijk te maken dat op het moment van overlijden van erflater de onderneming, naast de wel als ondernemingsvermogen aangemerkte aanwezige liquiditeiten van € 311.287, ook de overige liquiditeiten (lees: effecten en de leningen aan derden) nodig waren voor de voortzetting van de onderneming.
20. Gelet op het voorgaande slagen de beroepsgronden niet.
Belastingrente
21. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eisers hebben geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank eisers erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 2 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069, r.o. 2.3.1.
2.Zie Hoge Raad 23 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2280, r.o. 3.7.
3.Artikel 4.6 van de Wet IB.
4.Artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, Wet IB.
5.Artikel 4.12, onderdeel b, Wet IB.
6.Artikel 4.17a Wet IB.
7.Hoge Raad 8 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8284, BNB 1985/230.