Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2174

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
18-204438-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging doodslag en vernieling na ruzie en worsteling

Op 5 juli 2025 vond in Leeuwarden een incident plaats waarbij verdachte het slachtoffer in de rechterschouder stak met een mes tijdens een worsteling. Dit leidde tot letsel aan de rechterlong van het slachtoffer. Verdachte had voorafgaand aan het incident vernielingen gepleegd aan de woning van het slachtoffer.

De rechtbank oordeelde dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, gezien de aard van de steekwond en de omstandigheden van het incident. Het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen omdat verdachte zich had kunnen onttrekken aan de situatie en de gekozen wijze van verdediging niet proportioneel was.

Verdachte werd vrijgesproken van het ten laste gelegde rijden onder invloed wegens schending van procedurele waarborgen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 369 dagen op, waarvan 365 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, en een taakstraf van 240 uur. Bijzondere voorwaarden werden opgelegd, waaronder toezicht en begeleiding door de reclassering en behandeling voor middelengebruik.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 369 dagen gevangenisstraf waarvan 365 voorwaardelijk en 240 uur taakstraf voor poging doodslag en vernieling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer: 18-204438-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 22 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 mei 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. de Reus, advocaat te Capelle aan den IJssel. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
zij op of omstreeks 5 juli 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, immers heeft verdachte in de (rechter)schouder, althans in het bovenlichaam, van voornoemde [slachtoffer] gestoken met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 5 juli 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten letsel aan zijn (rechter)long heeft toegebracht, door [slachtoffer] in zijn (rechter)schouder, althans in het bovenlichaam, te steken met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 5 juli 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen immers heeft verdachte in de (rechter)schouder, althans in het bovenlichaam, van voornoemde [slachtoffer] gestoken met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
zij op of omstreeks 5 juli 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk en wederrechtelijk een voorraam en/of een zijraam van de woning aan de [adres] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3.
zij op of omstreeks 5 juli 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto, kenteken [kenteken] ), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 680 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
Feit 1
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd van het onder 1. primair ten laste gelegde.
Feit 2
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd van het onder 2. ten laste gelegde.
Feit 3
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 3. ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
Feit 1
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. primair en subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van de onder 1. ten laste gelegde poging tot doodslag heeft hij daartoe het volgende aangevoerd. Op basis van het procesdossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte een aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever in het leven heeft geroepen, want er ontbreekt objectief vastgestelde medische informatie over het letsel van aangever. Zo blijkt niet hoe diep de steekverwonding was en of deze verwonding tot de dood van aangever had kunnen leiden. Van (voorwaardelijk) opzet op de dood is daarom geen sprake. Ten aanzien van de onder 1. subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling heeft de raadsman zich eveneens op het standpunt gesteld dat niet medisch is vastgesteld dat de messteek zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. Het dossier bevat slechts een verklaring van aangever over letsel aan zijn rechterlong naar aanleiding van het incident.
Ten aanzien van de onder 1. meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.
Feit 2
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde.
Feit 3
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3. ten laste gelegde.
Oordeel van de rechtbank
Feit 3:
De rechtbank acht het onder 3. ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte naar aanleiding van de ademanalyse is gewezen op het recht op tegenonderzoek terwijl dit een strikte waarborg van een ademonderzoek is. Schending van een strikte waarborg leidt ertoe dat dat het resultaat van het verrichte onderzoek niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Dit heeft tot gevolg dat er geen onderzoek heeft plaatsgevonden zoals bedoeld in artikel 8 lid 2 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 waardoor het ten laste gelegde niet bewezen kan worden.
Feit 1:
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 6 juli 2025, opgenomen op pagina 174 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN1R025082 van 26 augustus 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Ik ben door [verdachte] gestoken. Als gevolg van dit steken ben ik gewond geraakt en heb ik letsel aan mijn rechterlong opgelopen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 5 juli 2025, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 5 juli 2025 waren wij op [adres] in Leeuwarden. Ik, [verbalisant] , zag een gewonde man over een auto hangen. Ik zag dat hij een kleine snede van ongeveer 1 centimeter in zijn rechterschouder aan de voorzijde had. Toen wij hem op de brancard legden, spoot het bloed uit de wond bij zijn schouder waardoor het vermoeden bestond dat er lucht uit de wond kwam. De getuige [getuige] vertelde dat het slachtoffer [slachtoffer] was.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 5 juli 2025, opgenomen op pagina 48 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 5 juli 2025 vond een steekpartij plaats te Leeuwarden.
Bevindingen camerabeelden [adres] :
De verdachte heeft in haar rechterhand een mes vast en houdt deze in de lucht. Als het slachtoffer door blijft lopen naar de verdachte toe en zijn handen voor zich heeft en pogingen doet om de verdachte vast te pakken, brengt de verdachte versneld het mes naar voren en steekt zij met het mes het slachtoffer.
4. De eigen waarneming van de rechtbank: op de camerabeelden van [adres] (bestandsnaam: [bestandsnaam] ) is te zien dat verdachte en aangever ongeveer even lang zijn.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 6 juli 2025, opgenomen op pagina 72 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 6 juli heb ik het onder verdachte [verdachte] inbeslaggenomen mes bekeken en beschreven. Het mes is in totaal ongeveer 19 centimeter lang.
6. De eigen waarneming van de rechtbank: het mes dat onder verdachte is inbeslaggenomen (zoals afgebeeld op de foto op pagina 72 van het dossier) heeft een lemmet van ongeveer 9 cm lang en heeft een scherpe punt en een glad snijvlak.
Bewijsoverweging
De rechtbank dient te beoordelen of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte vol opzet (opzet als bedoeling) had op het om het leven brengen van aangever, zodat zij dient te beoordelen of er dan sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het intreden van dit gevolg. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het behoudens contra-indicaties niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Uit de voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat er op 5 juli 2025 in Leeuwarden een steekincident tussen verdachte en aangever heeft plaatsgevonden. Dit incident vond plaats nadat verdachte en aangever ruzie hadden en in een worsteling zijn geraakt. Tijdens deze worsteling heeft verdachte bovenhands, van korte afstand en met kracht met een mes met een lemmet van ongeveer 9 cm lang richting het bovenlichaam van aangever gestoken. Verdachte en aangever hebben een vergelijkbare lichaamslengte. Hierbij heeft zij hem in zijn rechterschouder geraakt waardoor er een snee van circa 1 centimeter op deze plek is ontstaan en aangever letsel heeft opgelopen aan zijn rechterlong.
De rechtbank is op grond van de voornoemde vastgestelde feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het intreden van de dood van aangever. De rechtbank leidt dit af uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van verdachte. Zij heeft aangever met het mes in de rechterschouder gestoken. Het is algemeen bekend dat dit een zeer kwetsbaar gedeelte is van het menselijk lichaam, in de directe nabijheid van de hals, waar zich onder meer vitale bloedvaten en de luchtpijp bevinden. Perforatie hiervan zou de dood tot gevolg kunnen hebben. Door met een scherp mes van een behoorlijke lengte met een bovenhandse beweging en met kracht in een worsteling een ander van gelijke lichaamslengte te steken, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard op het intreden van de dood bij aangever. Van contra-indicaties is de rechtbank verder niet gebleken.
De rechtbank zal het onder 1. primair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen verklaren.
Feit 2:
De rechtbank acht het onder 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 mei 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt verhoor van 10 juli 2025, opgenomen op pagina 176 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. primair
zij op 5 juli 2025 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, immers heeft verdachte in de rechterschouder van Waal gestoken met een mes, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
zij op 5 juli 2025 te Leeuwarden, opzettelijk en wederrechtelijk een voorraam en een zijraam van de woning aan de [adres] , die geheel aan een ander toebehoorden heeft vernield of beschadigd.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
primair poging tot doodslag.
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging
feit 1
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep toekomt op noodweer en dat zij daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Vooropgesteld dient te worden dat het enkele feit dat verdachte een mes mee heeft genomen naar een situatie die mogelijk uit de hand zou gaan lopen niet betekent dat haar geen geslaagd beroep op deze rechtvaardigingsgrond toekomt. Er is namelijk geen sprake van culpa in causa. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte meermaals agressief door aangever wordt benaderd terwijl zij weet dat aangever een kickbokser is. Hierdoor is er sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Vervolgens steekt verdachte aangever één keer in zijn schouder om zichzelf tegen de aanranding te verdedigen.
Indien de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake van noodweer is, heeft de raadsman zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep toekomt op noodweerexces en dat zij daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Doordat aangever de auto van verdachte heeft vernield is er een hevige gemoedstoestand bij verdachte ontstaan en deze was nog niet geëindigd op het moment van steken.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel het beroep op noodweer als het beroep op noodweerexces verworpen dient te worden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) eerst de vraag moet worden beantwoord of er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, en vervolgens of de door verdachte tegen deze (dreigende) aanranding gevoerde verdediging noodzakelijk was (anders gezegd: of aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan). Ten slotte moet worden beoordeeld of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was (met andere woorden: of aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan).
De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier, waaronder de camerabeelden vanuit de woning aan de [adres] , en wat op zitting is besproken het volgende af. Verdachte en aangever waren geruime tijd bevriend. Aangever had andere verwachtingen van het contact en wilde een relatie met verdachte, die zijn gevoelens niet beantwoordde. Dit werd hem duidelijk toen zij in de nacht van 5 juli 2025 in een club waren. Zij hebben beiden mixdrankjes gedronken. Uit frustratie heeft aangever na zijn vertrek uit de club de auto van verdachte vernield en haar dat telefonisch meegedeeld. Daarop is zij naar de woning van aangever gegaan, voorzien van een aantal flessen en een mes, en heeft zij met de flessen de ruiten van de woning van aangever ingegooid. Aangever is toen door de voorruit van zijn woning naar buiten gesprongen en heeft fysiek de confrontatie met haar gezocht. Toen verdachte probeerde weg te komen, haalde aangever naar haar uit, waardoor zij ten val is gekomen. Terwijl verdachte op de grond lag, en aangever gebogen boven haar stond, hebben zij met elkaar geworsteld. Tijdens de worsteling is de zoon van verdachte aan komen rennen en hij heeft zich vervolgens tot aangever gewend. Hierdoor heeft verdachte de mogelijkheid gekregen om op te staan. Dit heeft zij gedaan en kort daarna heeft zij haar schoen en het mes, welke uit haar broek was gevallen, van de grond gepakt. Verdachte heeft zich vervolgens tot aangever gericht en hem een duw gegeven waarbij zij het mes met haar rechterhand in de lucht heeft gehouden. Aansluitend hierop zijn de zoon van verdachte en een vriend van aangever met elkaar in contact gegaan en heeft aangever zich opnieuw tot verdachte gewend. Verdachte heeft haar hand met daarin de schoen bovenhands in de richting van aangever bewogen. Aangever heeft de arm van verdachte met de schoen vastgepakt, of heeft geprobeerd die vast te pakken, en verdachte heeft geprobeerd los te komen. In deze worsteling heeft verdachte met het mes met het lemmet naar voren aangever bovenhands met kracht gestoken.
Naar het oordeel van de rechtbank was er weliswaar sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf doordat aangever fysiek de confrontatie met haar zocht en haar aanviel, maar is op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat de situatie zodanig is geweest dat de gedragingen van verdachte geboden waren door de noodzakelijke verdediging van haar lijf.
Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdediging tegen de aanranding niet noodzakelijk was, omdat verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken door te vluchten. Onder de gegeven omstandigheden bestond daartoe voor verdachte een reële en redelijke mogelijkheid, terwijl ook van verdachte kon worden gevergd dat zij zou vluchten. De aanval van aangever was immers geëindigd na de worsteling tussen beiden op de grond, door tussenkomst van verdachtes zoon [naam] . Verdachte was in de gelegenheid om op te staan, wat zij ook heeft gedaan en had zich op dat moment kunnen en moeten onttrekken aan het conflict. Aangever hield zich namelijk niet meer met verdachte bezig. In plaats van zich te onttrekken heeft verdachte echter het mes van de grond gepakt en ter hand genomen in een houding waarin zij direct kon steken. Zij heeft aangever in die houding geduwd, waarna zij opnieuw met elkaar in een worsteling raakten.
De rechtbank verwerp het beroep op noodweer.
Ter terechtzitting heeft de raadsman subsidiair aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte, door aangever te steken, weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van haar auto veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging.
De rechtbank stelt voorop dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging ook sprake kan zijn indien zoals in het onderhavige geval op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de noodweersituatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat. Daarvoor is nodig dat haar gedragingen het onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
In dit verband gaat de rechtbank uit van de hiervoor opgenomen, aan de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting ontleende, feiten en omstandigheden.
Op basis van deze feiten en omstandigheden oordeelt de rechtbank dat de gedragingen van de verdachte niet het onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
Immers, verdachte was woedend dat aangever haar auto had vernield. Ter terechtzitting heeft zij verklaard dat zij haar auto beschouwde als haar vierde kind, dat deze haar vrijheid gaf en dat aangever daarvan op de hoogte was. Ook wist hij dat zij lange tijd gespaard had om de auto aan te kunnen schaffen; hij was erbij toen zij de auto kocht. Bovendien was hem bekend dat haar ex-partner haar vorige auto had vernield. Dat uitgerekend hij, die zij als een erg goede vriend beschouwde, haar auto vernield had, maakte haar woedend. Toen zij besloot om wraak te nemen door zijn ramen te vernielen, nam zij het mes mee. Naar het oordeel van de rechtbank is het de vernieling van de auto geweest die een hevige gemoedsbeweging in de vorm van woede en wraakzucht bij verdachte heeft teweeg gebracht, versterkt doordat zij onder invloed van alcohol verkeerde, en niet of in aanzienlijk mindere mate het fysieke geweld waaruit de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding heeft bestaan.
Het noodweerexces verweer wordt verworpen.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van onder 1. primair en 2. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 368 dagen waarvan 365 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar moeten worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een strafoplegging komt, heeft de raadsman bepleit een straf op te leggen in de vorm van taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. De raadsman heeft daarnaast bepleit de voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsrapportage van Reclassering Nederland van 10 maart 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en vernieling. Na een avond stappen is er onenigheid tussen verdachte en het slachtoffer ontstaan waarbij het slachtoffer de auto van verdachte heeft vernield. Verdachte is vervolgens woedend naar het huis van het slachtoffer toegegaan en daar heeft zij twee colaflesjes door en tegen de ruiten van de woning van het slachtoffer gegooid. Hierdoor is de ruzie verder geëscaleerd waarna het slachtoffer achter verdachte aan is gegaan en zij vervolgens in een worsteling zijn geraakt. Terwijl verdachte en het slachtoffer aan het ruziën waren, kwam de zoon van verdachte tussen beide waardoor verdachte de mogelijkheid had om zich te onttrekken aan de situatie. In plaats daarvan ging zij echter opnieuw de confrontatie met het slachtoffer aan en dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat verdachte het slachtoffer met kracht in zijn schouder heeft gestoken. De verdachte mag van geluk spreken dat het bij een poging is gebleven, want gelet op het feit dat er vitale organen in de buurt van de steekwond liggen, had het heel anders kunnen aflopen.
Verdachte heeft met haar handelen de lichamelijke integriteit en het veiligheidsgevoel van het slachtoffer in ernstige matige geschonden. Daarnaast zijn meerdere omstanders ongewild geconfronteerd met het geweld van verdachte richting het slachtoffer. Dergelijke geweldsuitspattingen in het openbaar dragen bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Verder heeft verdachte met haar handelen laten zien geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander.
Persoon van verdachte
De reclassering heeft in maart 2026 met verdachte gesproken en zij beschouwen het psychosociaal functioneren, het middelengebruik en haar relatie met het slachtoffer als risicovol en delictgerelateerd. Verdachte was op het moment van het ten laste gelegde verwikkeld in een complexe situatie met het slachtoffer waarin sprake was van een verschil in verwachtingen ten aanzien van hun relatie. De reclassering sluit niet uit dat het gedrag van verdachte is voortgekomen uit woede over haar vernielde auto in combinatie met de omstandigheid dat zij onder invloed van alcohol was. Hierdoor is zij de controle over zichzelf verloren en is zij over haar grenzen gegaan. Voorts lijkt er sprake te zijn van overbelasting ten tijde van het ten laste gelegde en zijn er aanwijzingen voor ADHD-problematiek en een belast verleden. De reclassering beschikt over onvoldoende informatie om vast te stellen of er verder nog sprake is van problematiek op het gebied van het psychosociaal functioneren. Verdachte is gemotiveerd om te blijven meewerken aan hulpverlening en aan een klinische dan wel ambulante behandeling. Verder kunnen de betrokkenheid van een bewindvoerder en de reclassering, de inzet voor haar kinderen en de omstandigheid dat verdachte geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd als positief worden beschouwd.
De reclassering adviseert negatief ten aanzien van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelet op haar opvoedtaken en het feit dat verdachte haar woning dan zal verliezen terwijl dit juist een beschermende factor voor haar is. Van oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf
kan daarentegen een preventieve werking uitgaan door hier bijzondere voorwaarden aan te koppelen. De kans op onttrekken aan de voorwaarden wordt namelijk ingeschat als laag.
Op te leggen straf
De rechtbank ziet zich evenals de officier van justitie voor een dilemma gesteld. De aard en ernst van de bewezenverklaarde poging tot doodslag rechtvaardigen namelijk dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur aan verdachte wordt opgelegd. De rechtbank heeft daarentegen ook oog voor de omstandigheid dat verdachte na de schorsing van de voorlopige hechtenis de kans heeft aangegrepen om haar leven te verbeteren en het feit dat zij goed meewerkt aan de begeleiding door de reclassering. Voorts hecht de rechtbank waarde aan het advies van de reclassering om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen. Verdachte vervult een belangrijke rol als opvoeder van haar kinderen. Verdachte is namelijk een alleenstaande ouder en de vader van haar kinderen is een aantal jaren geleden overleden. Hierdoor hebben haar kinderen op jonge leeftijd al hun vader verloren. Tot slot weegt de rechtbank in strafmatigende zin mee dat het slachtoffer een behoorlijk aandeel in (het ontstaan van) het conflict heeft gehad. De rechtbank kan zich alles afwegend met de eis van de officier van justitie verenigen.
De rechtbank komt daarom tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 369 dagen waarvan 365 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Dit betekent dat verdachte niet naar de gevangenis hoeft, zolang zij zich houdt aan de algemene en bijzondere voorwaarden. Het forse voorwaardelijke strafdeel dient als waarschuwing aan verdachte, om te voorkomen dat zij zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. De rechtbank zal de proeftijd vaststellen op 3 jaren. Gelet op het advies van de reclassering zal de rechtbank daarnaast bijzondere voorwaarden opleggen zoals deze zijn geadviseerd. Gezien de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten zal de rechtbank daarnaast de maximale taakstraf van 240 uren opleggen. De rechtbank merkt op dat de straf opgelegde gevangenisstraf een dag langer duurt dan de straf zoals geëist door de officier van justitie vanwege het verschil in telling van de dagen die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat is niet is voldaan aan de voorwaarden om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren in de zin van artikel 14e Wetboek van Strafrecht. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet, in ieder geval in onvoldoende mate, gebleken dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een ander.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 63, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 369 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf (
een gedeelte, groot 365 dagen), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
dat indien de reclassering het noodzakelijk acht, de veroordeelde zich ambulant laat behandelen door de Polikliniek Forensische Psychiatrie [adres] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
dat veroordeelde zich laat begeleiden door Wender, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt.
de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol. Deze controles kunnen bestaan uit
urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. K. Bunk en mr. N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Klungel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 mei 2026.
mr. C.A.M. Veenbaas en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.