Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2198

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
18-030298-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling jeugdige voor twee maal medeplegen diefstal met geweld en oplegging jeugddetentie en werkstraf

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte, een minderjarige, veroordeeld voor twee afzonderlijke feiten van medeplegen van diefstal met geweld op 2 januari 2025 te Heerenveen en 13 juni 2025 te Drachten. De eerste zaak betrof het gezamenlijk stelen van vapes waarbij geweld werd gebruikt tegen de slachtoffers, de tweede zaak betrof het stelen van geld onder bedreiging en geweld.

De rechtbank achtte de bewijzen, waaronder verklaringen van slachtoffers, medeverdachten, een TikTok live-conversatie en politieonderzoek, wettig en overtuigend. Verdachte werd herkend als een van de daders die geweld gebruikte, ondanks aanvankelijke terughoudendheid van de slachtoffers in hun eerste verklaringen. De rechtbank concludeerde dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het geweld en als medepleger kon worden aangemerkt vanwege de nauwe samenwerking met anderen.

Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, de impact op de slachtoffers, het strafblad van verdachte en een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming waarin sprake was van een lichte verstandelijke beperking en problematiek. De rechtbank legde een jeugddetentie van 90 dagen op, waarvan 46 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een werkstraf van 60 uur. Tevens werden bijzondere voorwaarden opgelegd waaronder meldplicht en medewerking aan diagnostiek en behandeling.

Daarnaast werd verdachte hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 220 euro aan een van de slachtoffers, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 13 juni 2025. De rechtbank wees de vordering toe en legde een schadevergoedingsmaatregel op om de betaling te bevorderen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 90 dagen jeugddetentie waarvan 46 dagen voorwaardelijk, een werkstraf van 60 uur en betaling van schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-030298-25
Ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18-206760-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 15 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 april 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. Albayrak, advocaat te Heerenveen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma.

Tenlastelegging

In de zaak met parketnummer 18-030298-25 is aan verdachte, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 januari 2025 te Heerenveen op de openbare weg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een of meer) vapes en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (- zakelijk weergegeven -) plotseling/onverhoeds die vapes en/of telefoon uit de handen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te grissen en/of met die vapes en/of telefoon ervandoor te gaan en/of meermalen en/of met kracht die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen en/of die [slachtoffer 1] naar de grond te werken en/of (vervolgens) (wederom) op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te schoppen en/of te slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer anderen op of omstreeks 2 januari 2025 te Heerenveen op de openbare weg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een of meer) vapes en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door
(-zakelijk
weergegeven-) plotseling/onverhoeds die vapes en/of telefoon uit de handen van die [slachtoffer 1]
en/of [slachtoffer 2] te grissen en/of met die vapes en/of telefoon ervandoor te gaan en/of meermalen en/of met kracht die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen en/of die [slachtoffer 1] naar de grond te werken en/of (vervolgens) (wederom) op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te schoppen en/of te slaan
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 2 januari 2025 te Heerenveen opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door op de uitkijk te staan teneinde die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] te kunnen waarschuwen of te hulp te kunnen schieten bij onraad, betrapping, gebruik van geweld en/of plegen van verzet door [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en/of een of meer anderen en/of door opzettelijk na te laten te beletten dat het misdrijf werd gepleegd en/of door de groep te versterken in aantal en/of bij te dragen aan het creëren van een dreigende situatie.
In de zaak met parketnummer 18-206760-25 is aan verdachte ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 juni 2025 te Drachten, gemeente Smallingerland (op/aan de openbare weg) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een pasjeshouder en/of (/met) geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (- zakelijk weergegeven -) om die [slachtoffer 3] heen te gaan staan en/of hem (daarmee) de vrije doorgang te belemmeren/beletten en/of (mede door) hem (bij de arm/het lichaam en/of de kleding) vast te pakken en/of te houden en/of naar achteren en/of weg en/of tegen en/of richting (van) een muur (aan) te drukken/duwen en/of een vuist in/tegen zijn gezicht (op de wang) te drukken en/of (onverhoeds) de pasjeshouder en/of (/met) het geld uit zijn (broek)zak te grissen/pakken en/of aan hem toe te voegen dat hij zijn geld af moe(s)t staan, althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking en/of in de richting van
het hoofd en/of (elders) in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 3] te schoppen en/of te slaan.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder parketnummer
18-030298-25 primair ten laste gelegde feit (medeplegen van diefstal met geweld op 2 januari 2025) en voor het onder parketnummer 18-206760-25 ten laste gelegde feit (medeplegen van diefstal met geweld op 13 juni 2025). De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat op basis van de aangiften, de herkenning van verdachte door aangevers, de bevindingen ten aanzien van de TikTok live-conversatie, de verklaring van verdachte, de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de getuigenverklaring van [getuige 1] bewezen kan worden dat verdachte zich op 2 januari 2025 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een diefstal met geweld. Verdachte was op de hoogte van
het plan om de vapes van aangever [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1] ) te stelen. Verdachte is, met een aantal anderen, in de buurt gaan staan van de plek waar de afspraak tussen aangevers en twee medeverdachten zou plaatsvinden. Nadat medeverdachte [medeverdachte 1] de vapes van [slachtoffer 1] heeft afgepakt is er een vechtpartij ontstaan. Aangevers herkennen verdachte als één van de personen die geweld tegen hen heeft gebruikt. Zij verklaren dat verdachte heeft geslagen met een boksbeugel. In de TikTok live-conversatie wordt ook gesproken over een boksbeugel. Ook geeft verdachte in die conversatie aan dat hij “één op één met die pa” ging. Dat er sprake was van een vooropgezet plan om de vapes te stelen impliceert al dat er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het plegen van geweld. Het is immers te verwachten dat de vapes niet zomaar vrijwillig worden afgestaan en dat er verzet valt te verwachten dat doorbroken moet worden. Daarnaast is er sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. Verdachte was op de hoogte van het plan, was aanwezig bij de beroving en heeft geweld gepleegd tegen de aangevers.
Ook kan bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een diefstal met geweld op 13 juni 2025 gelet op de aangifte, de beschrijving van de beelden en de bekennende verklaring van verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich in de zaak met parketnummer 18-030298-25 op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte een rol heeft gespeeld bij de diefstal met geweld. Aangevers hebben verklaard dat zij verdachte hebben herkend als één van de personen die geweld tegen hen heeft gebruikt. Aangevers hebben echter pas op 28 januari 2025 tegenover de politie verklaard dat zij verdachte herkenden, terwijl zij op 3 januari 2025 al twee keer zijn gehoord door de politie. Op dat moment hebben ze de naam van verdachte niet genoemd. Het vermoeden bestaat dat aangevers de aanwezigheid van verdachte achteraf hebben geconstrueerd naar aanleiding van de TikTok live. Mogelijk hebben aangevers op basis van die conversatie ook verklaard dat verdachte een boksbeugel bij zich had, aangevers hebben daar in eerste instantie namelijk niets over verklaard. De herkenning van verdachte door aangevers is dan ook niet betrouwbaar. Daarnaast dient hetgeen verdachte in de TikTok live heeft gezegd niet opgevat te worden als een bekentenis. Verdachte heeft dagen na het incident van iemand anders gehoord wat er zou zijn gebeurd en hij heeft die informatie herhaald in de TikTok live. Verdachte heeft dit vanuit de ik-vorm verteld, omdat hij stoer wilde doen. Verdachte past deze manier van communicatie vaker toe. Daarnaast hebben de medeverdachten ook niet verklaard over betrokkenheid van verdachte bij de diefstal met geweld en ook de getuigenverklaring van [getuige 2] strookt niet met de verklaring van aangevers dat zeven personen geweld tegen hen hebben gebruikt.
De raadsman heeft geen bewijsverweren gevoerd ten aanzien van het onder parketnummer 18-206760-25 ten laste gelegde.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18-030298-25
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte op de ter terechtzitting van 24 april 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Ik was op 2 januari 2025 met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] vertelde dat er ergens een ripdeal zou zijn. Er zouden vapes worden gestolen. Er was afgesproken om de vapes bij de Rinkelbom in Heerenveen te stelen. Ik ben [accountnaam] op TikTok.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 3 januari 2025, opgenomen op pagina 25 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025002413 van 26 mei 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :
Ik had contact met het Snapaccount [accountnaam] . Hij wilde de vapes hebben. [medeverdachte 1] kwam toen met het voorstel om om 21:00 uur bij de Rinkelbom te zijn. Ik was samen met mijn vader
(de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer 2] ).Ik zag [medeverdachte 1] aan komen lopen met nog iemand. Ik had de dozen met vapes vast. Ik zag dat hij het geld terugtrok en dat hij het op een rennen zette. Ik zag dat mijn vader hem vastpakte bij zijn arm. Vervolgens zag ik dat [medeverdachte 1] mijn vader begon te slaan. Ik zag dat [medeverdachte 1] met zijn arm een zwaaiende beweging naar mijn vader zijn hoofd maakte. Ik zag ook dat [medeverdachte 1] mijn vader een paar keer op zijn hoofd raakte. Ik zag dat die andere jongen ook naar mijn vader ging. Ik hield hem tegen. Toen zag en voelde ik dat die jongen mij begon te slaan en schoppen. Ik voelde dat ik een klap op mijn achterhoofd kreeg. Toen hoorde ik [medeverdachte 1] roepen “boys, boys, helpen, nu”. Toen zag ik dat er ineens nog vijf man aan kwamen. Ik zag dat die vijf met mijn vader begonnen te vechten. [medeverdachte 1] en die andere jongen gingen vervolgens op mij. Ik werd van voor en van achter geslagen. Toen lieten ze mij struikelen en toen ik op de grond lag werd ik door [medeverdachte 1] en die andere jongen tegen mijn hoofd getrapt en er werd in mijn zij geschopt.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 3 januari 2025, opgenomen op pagina 40 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer
2] :
[medeverdachte 1] rende er met de vapes vandoor. Ik kon [medeverdachte 1] grijpen. [medeverdachte 1] begon mij te slaan in mijn gezicht. Hij sloeg met zijn vuist tegen mijn rechterwang. Die tweede jongen pakte mij vervolgens ook. Toen was er een hoop geschreeuw en toen kwamen er vijf jongens aanrennen. Ik zei tegen mijn zoon (
de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer 1]): “kom, naar de auto”. Mijn zoon lag op de grond en [medeverdachte 1] en die andere jongen lagen bovenop hem en schopten hem. Die andere vijf kwamen op mij afrennen. Die kleinste, die donkere jongen was het fanatiekst met slaan en schoppen. Ze vielen mij met zijn vijven aan. Ik stond met de rug tegen de auto aan. Ik kon op een gegeven moment in de auto springen.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 18 januari 2025, opgenomen op pagina 51 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] :
Ik, verbalisant [verbalisant] , ontving van de aangevers een foto waarbij zij aangaven dat de persoon op de foto ook bij de straatroof betrokken was. Ik heb vervolgens contact gehad met aangever [slachtoffer 2] (1977). Hij gaf aan dat de persoon op de foto door zowel zijn zoon als hemzelf herkend was. Dat zij na enig speurwerk op sociale media bij deze foto waren gekomen. Dat de jongen een voetballer is bij [vereniging] . Dat de jongen op de foto bij de groep jongens hoorde die later kwamen dan de eerste twee jongens. Dat deze jongen dreigend voor aangever [slachtoffer 2] (1977) had gestaan zonder enige gezichtsbedekking. Dat hij hem daardoor goed herkende. Ook gaf aangever [slachtoffer 2] (1977) aan dat hij dacht dat de verdachte een boksbeugel in zijn handen had. Wij, verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , kregen op 16 januari 2025 het verzoek te gaan naar de [adres 2] te Heerenveen. Wij hebben daar gesproken met [verdachte] . Ik, verbalisant [verbalisant] , herkende ambtshalve [verdachte] als de persoon op de foto die aangever [slachtoffer 2] mij had gestuurd.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 29 januari 2025, opgenomen op pagina 58 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Vanuit het onderzoek werd een videofragment van een TikTok live-conversatie aangeleverd. Aan het gesprek doen mee: () [accountnaam] . Het volgende gesprek werd waargenomen:
[accountnaam] : BM, BM, Boksbeugel
[accountnaam] : ik ging één op één met die pa, die pa wil in die waggie gaan toch.
[accountnaam] : omdat we aan het “beefen” waren toch.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte zich op 2 januari 2025 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een diefstal met geweld. Verdachte was die dag samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . De medeverdachten hebben allen bij de politie verklaard dat er die dag een plan was gemaakt om vapes te stelen van aangever [slachtoffer 1] . Verdachte heeft ook verklaard dat hij wist dat er een ripdeal zou plaatsvinden waarbij er vapes zouden worden gestolen. De rechtbank stelt vast dat medeverdachte [medeverdachte 1] degene is geweest die via Snapchat een afspraak heeft gemaakt met [slachtoffer 1] . Vervolgens is medeverdachte [medeverdachte 1] met een onbekend gebleven persoon naar de plek gegaan waar met [slachtoffer 1] was afgesproken. De rechtbank stelt ook vast dat in ieder geval vijf andere personen, waaronder verdachte, op een afstandje stonden te wachten. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft een deel van de vapes van [slachtoffer 1] afgepakt en heeft geprobeerd weg te komen, waardoor er een vechtpartij is ontstaan tussen aangevers, [medeverdachte 1] en de onbekend gebleven person. Na enige tijd zijn ook de andere vijf personen die verderop stonden te wachten, hierbij gekomen en ook zij hebben zich in het gevecht gemengd.
Verdachte ontkent dat hij geweld heeft gebruikt tegen de aangevers. De rechtbank is echter van oordeel dat uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen voldoende blijkt dat verdachte wel degelijk geweld heeft gebruikt tegen aangevers. Beide aangevers hebben verdachte immers herkend als één van de personen die geweld tegen hen geeft gebruikt. Hoewel aangevers in hun eerste verklaringen de naam van verdachte niet hebben genoemd, hebben zij slechts twee weken na het incident een foto aan de politie verstrekt en aangegeven dat de persoon op de foto één van de personen is geweest die geweld tegen hen heeft gebruikt. De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn standpunt dat deze herkenning onbetrouwbaar is.
Dat aangevers de naam van verdachte niet in hun eerste verklaringen hebben gegeven maakt niet dat die herkenning direct onbetrouwbaar is. Vader [slachtoffer 2] heeft in zijn tweede verklaring, die hij in de ochtend na het incident heeft afgelegd, al verklaard dat de donkere jongen het fanatiekst was met slaan en schoppen. Aangever was het meest gefocust op deze jongen, omdat hij het meest aanvallend was.
Aangevers zijn naar aanleiding van het incident op social media gaan zoeken of zij personen herkenden die bij de diefstal met geweld aanwezig waren. Zo zijn aangevers bij de foto van verdachte terechtgekomen.
Zij herkenden de persoon op de foto als één van de jongens die bij de groep van vijf hoorden die zich later in het gevecht mengden en die dreigend voor vader [slachtoffer 2] had gestaan. Vader [slachtoffer 2] heeft deze jongen goed kunnen herkennen, omdat hij geen gezichtsbedekkende kleding droeg. Ook heeft hij verklaard dat deze jongen een boksbeugel bij zich had. Aangevers hebben dit slechts twee weken na het incident bij de politie gemeld. De rechtbank overweegt verder dat vader [slachtoffer 2] direct na het incident heeft verklaard dat hij met zijn rug tegen de auto stond en dat hij probeerde de auto in te komen. Verdachte heeft in de TikTok live-conversatie aangegeven dat “die pa in die waggie” wilde gaan en ook heeft verdachte het in die conversatie over een boksbeugel. Hetgeen door verdachte wordt verteld in de live-conversatie komt dan ook overeen met hetgeen aangevers hebben verklaard. De verklaring van verdachte dat hij die informatie na het incident heeft gehoord en dit in de live-conversatie in de ik-vorm heeft verteld, terwijl dit over iemand anders ging, acht de rechtbank niet geloofwaardig gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.
Voorwaardelijk opzet
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte en de medeverdachten vooraf hebben afgesproken geweld te gebruiken bij de diefstal, zodat er geen sprake is van zogenaamd vol opzet. De rechtbank komt echter wel tot de conclusie dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het geweld en overweegt daartoe dat mensen doorgaans niet zonder weerstand of verzet hun spullen onvrijwillig aan een ander afstaan, zodat te verwachten is dat daarbij geweld of dreiging met geweld wordt toegepast. Er bestond dan ook een aanmerkelijke kans dat er geweld zou worden gebruikt bij de diefstal.
Door het plan op te vatten om vapes van iemand af te pakken zonder daarvoor te betalen, hebben verdachte en de medeverdachten de aanmerkelijke kans dat er geweld zou worden gebruikt op het moment dat dat plan werd uitgevoerd, bewust aanvaard.
Medeplegen
De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte kan worden aangemerkt als medepleger. Voor medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking met één of meer anderen vereist. Een bewuste en nauwe samenwerking kan blijken uit voorafgaande en/of stilzwijgende afspraken, taakverdelingen, de aanwezigheid van de verdachte ten tijde van het delict en het zich niet distantiëren daarvan. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Er is een plan opgevat om vapes te stelen. Verdachte heeft verklaard dat hij wist van dit plan. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft een afspraak met aangever [slachtoffer 1] gemaakt en is, samen met een onbekend gebleven persoon, naar [slachtoffer 1] en zijn vader toe gegaan. Verdachte stond op dat moment, samen met een aantal anderen, een eindje verderop. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft de vapes van [slachtoffer 1] afgepakt en vervolgens is er tussen aangevers, medeverdachte [medeverdachte 1] en de onbekend gebleven persoon een vechtpartij is ontstaan.
Verdachte is op enig moment, samen met een aantal anderen, ook naar aangevers toe gegaan en heeft zich gemengd in de vechtpartij. Verdachte heeft daarbij ook geweldshandelingen verricht. Gelet op al deze handelingen, kan naar het oordeel van de rechtbank gesproken worden van een nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank overweegt verder dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat ook de telefoon van [slachtoffer 1] is weggenomen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging.
Parketnummer 18-206760-25
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Deze opgave luidt als volgt:
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 april 2026;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte van 1 juli 2025, opgenomen op pagina 15 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025169031 van 30 juli 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] ;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 30 juni 2025, opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Bewijsoverweging
De rechtbank acht op basis van de bewijsmiddelen niet bewezen dat er ook een pasjeshouder van aangever is weggenomen, zodat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van dat deel van de tenlastelegging.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 18-030298-25 primair ten laste gelegde en het onder parketnummer 18-206760-25 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Parketnummer 18-030298-25
hij op 2 januari 2025 te Heerenveen op de openbare weg tezamen en in vereniging met anderen, vapes die aan [slachtoffer 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, door (- zakelijk weergegeven -) plotseling die vapes uit de handen van die [slachtoffer 1] te grissen en met die vapes ervandoor te gaan en meermalen en met kracht die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op en/of tegen het hoofd en op en/of tegen het lichaam te slaan en te schoppen en die [slachtoffer 1] naar de grond te werken en vervolgens wederom op en/of tegen zijn hoofd en op en/of tegen zijn lichaam te schoppen en te slaan.
Parketnummer 18-206760-25
hij op 13 juni 2025 te Drachten, op de openbare weg, tezamen en in vereniging met anderen, geld dat aan [slachtoffer 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, door (- zakelijk weergegeven -) om die [slachtoffer 3] heen te gaan staan en hem de vrije doorgang te belemmeren en hem bij de arm, het lichaam en de kleding vast te pakken en te houden en naar achteren tegen en richting een muur (aan) te drukken en een vuist tegen zijn gezicht (op de wang) te drukken en het geld uit zijn broekzak te grissen en aan hem toe te voegen dat hij zijn geld af moest staan en in de richting van het hoofd en in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 3] te schoppen en te slaan.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Parketnummer 18-030298-25:
diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit
wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Parketnummer 18-206760-25:
diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder parketnummer
18-030298-25 primair ten laste gelegde en het onder parketnummer 18-206760-25 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 90 dagen waarvan 47 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd de door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerde bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen en de proeftijd vast te stellen op 2 jaren. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd een werkstraf op te leggen aan verdachte van 120 uren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank bij een strafoplegging kan aansluiten bij de eis van de officier van justitie, met dien verstande dat de proeftijd op één jaar wordt vastgesteld en dat er geen werkstraf wordt opgelegd aan verdachte of dat de duur van de werkstraf wordt beperkt tot het minimum.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 21 april 2026, het strafblad van verdachte, de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in een korte tijd twee keer schuldig gemaakt aan het medeplegen van een diefstal met geweld. Op 2 januari 2025 hebben verdachte en de medeverdachten het plan opgevat om aangever [slachtoffer 1] te beroven van de vapes die hij te koop aanbood. Een medeverdachte heeft een afspraak met aangever gemaakt en is samen met een onbekend gebleven persoon naar aangever en zijn vader toe gegaan, terwijl verdachte en een aantal anderen op een afstandje stonden te wachten. Een medeverdachte heeft de vapes vervolgens van aangever afgepakt waarna er een vechtpartij is ontstaan tussen aangevers, de medeverdachte en de onbekend gebleven persoon. Op enig moment hebben verdachte en de anderen zich ook gemengd in het gevecht. Verdachte heeft daarbij geweld gebruikt.
Enkele maanden later, op 13 juni 2025, heeft verdachte, samen met anderen, geld gestolen van het aangever [slachtoffer 3] . Verdachte is daarbij degene geweest die aangever heeft beetgepakt en het geld uit zijn broekzak heeft gepakt. Verdachte heeft daarbij, net als een aantal medeverdachten, geweld gebruikt tegen de aangever.
De onderhavige feiten betreffen zeer ernstig feiten, die voor de slachtoffers ontzettend beangstigend moeten zijn geweest. Met zijn handelen heeft verdachte dan ook een grove inbreuk gemaakt op het veiligheidsgevoel en het eigendomsrecht van de slachtoffers. Daarbij komt dat dit soort feiten bijdragen aan de in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid, zeker omdat het geweld in het openbaar is gepleegd en anderen daar getuige van zijn geweest. De rechtbank neemt verdachte dit kwalijk.
Strafblad
Verdachte is niet eerder veroordeeld voor een geweldsfeit.
Persoon van de verdachte
De Raad heeft een rapport opgemaakt over verdachte. Uit dat rapport volgt dat de Raad zich ernstig zorgen maakt over verdachte. Uit het onderzoek komt namelijk naar voren dat de beschermende factoren vooral extern van aard zijn. Door middel van toezicht, sturing en regulatie (met name door de moeder van verdachte) wordt de kans op herhaling beperkt. Verdachte is erg afhankelijk van zijn omgeving en lijkt nog niet in staat om zichzelf ook intern aan te sturen en te corrigeren. De Raad heeft het vermoeden dat dit het gevolg is van enerzijds een verstandelijke beperking en een gebrek aan probleem- en zelfinzicht en anderzijds aan een gebrek aan sociale- en probleemoplossende vaardigheden en een bepaalde mate van beïnvloedbaarheid. Bij ongewijzigde omstandigheden is het risico op herhaling dan ook aanwezig. De Raad vindt het wenselijk dat er opnieuw diagnostiek zal worden uitgevoerd zodat er een passend hulpaanbod kan worden gedaan. Hoewel verdachte zich goed houdt aan de afspraken en zich laat sturen door zijn moeder, ziet de Raad wel aanleiding om de inzet van de jeugdreclassering te continueren. De jeugdreclassering kan ondersteuning bieden bij de aanvraag voor diagnostiek, het vinden van werk voor verdachte en het vinden van een passend traject richting zelfstandigheid. Aangezien verdachte zich goed aan de afspraken houdt en het de moeder van verdachte goed lukt om de afspraken te hanteren, kan de Raad zich voorstellen dat het toezicht vanuit de jeugdreclassering in duur wordt beperkt. De Raad adviseert de rechtbank een deels voorwaardelijke jeugddetentie aan verdachte op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. De Raad vindt dit een passende straf aangezien verdachte opnieuw de fout in is gegaan tijdens een schorsing van de voorlopige hechtenis. De Raad adviseert daarbij een aantal bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen die kort gezegd inhouden dat verdachte zich dient te melden bij de jeugdreclassering en meewerkt aan diagnostiek en behandeling.
Ter zitting is door de jeugdreclassering naar voren gebracht dat het de afgelopen tijd goed gaat met verdachte. Verdachte gaat naar [instelling] en ook daar zijn ze positief over hem. Op dit moment wordt er gezocht naar een werkplek voor verdachte. Ook de jeugdreclassering vindt het van belang dat er diagnostiek wordt uitgevoerd bij verdachte. De jeugdreclassering verwacht dat kan worden volstaan met het opleggen van een proeftijd van één jaar.
Op te leggen straf
De rechtbank stelt voorop dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan twee zeer ernstige feiten. Verdachte heeft in beide feiten een aanzienlijke rol gehad. Het opleggen van een deels voorwaardelijke jeugddetentie en een forse werkstraf, conform de eis van de officier van justitie, zou in beginsel dan ook zonder meer passend zijn in deze zaak. De rechtbank zal de eis van de officier van justitie echter niet volgen en overweegt daartoe als volgt.
Hoewel de rechtbank niet beschikt over een rapport van een psycholoog of een psychiater, komt de rechtbank tot de conclusie dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte toegerekend kunnen worden. Uit het rapport van de Raad volgt namelijk dat, hoewel de diagnostiek verouderd is, het vermoeden bestaat dat bij verdachte sprake is van een verstandelijke beperking, een achterstand in het sociaal-emotioneel functioneren en mogelijk is er ook sprake van ADHD en ASS-problematiek. Daarnaast heeft de rechtbank op basis van de behandeling ter zitting de stellige indruk gekregen dat verdachte de gevolgen van zijn handelen slecht kan overzien en dat er inderdaad sprake is van LVB-problematiek bij verdachte.
De rechtbank houdt daarnaast rekening met het feit dat het lange tijd heeft geduurd voordat de zaken inhoudelijk op zitting zijn behandeld. Verdachte heeft zich daardoor lange tijd aan de opgelegde schorsingsvoorwaarden moeten houden. Dit betekent dat de vrijheid van verdachte voor langere tijd in behoorlijke mate is beperkt. De rechtbank acht dit zeer onwenselijk in het geval van een minderjarige en zal hier dan ook in strafmatigende zin rekening mee houden.
De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op het voorgaande, passend is om een jeugddetentie van 90 dagen, waarvan 46 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een werkstraf van 60 uren aan verdachte op te leggen. Hoewel de rechtbank, zoals hiervoor is overwogen, sterk de indruk heeft dat verdachte de gevolgen van zijn handelen niet kan overzien, is de rechtbank wel van oordeel dat het duidelijk moet zijn voor verdachte dat zijn handelen wel degelijk gevolgen heeft. Door het opleggen van een werkstraf ervaart verdachte direct dat zijn handelen consequenties heeft. De voorwaardelijke jeugddetentie dient als waarschuwing voor in de toekomst. Verdachte weet dat hij niet opnieuw de fout in moet gaan en als hij dat wel doet, kan de voorwaardelijke jeugddetentie alsnog ten uitvoer worden gelegd. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden die, kort gezegd, inhouden dat verdachte zich moet melden bij de jeugdreclassering en moet meewerken aan diagnostiek en behandeling. In afwijking van het advies van de Raad en de jeugdreclassering zal de rechtbank de proeftijd vaststellen op 2 jaren. De rechtbank overweegt daartoe dat de schorsingen van de voorlopige hechtenis in beide zaken niet vlekkeloos zijn verlopen.
Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 18-030298-25 is verdachte weer de fout in gegaan en heeft hij zich opnieuw schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld. Ook is de schorsing van de voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 18-206760-25 in januari van dit jaar weer opgeheven, omdat verdachte zich niet hield aan de schorsingsvoorwaarden. Daarnaast acht de rechtbank het opleggen van een proeftijd van één jaar niet haalbaar, gelet op de problematiek van verdachte en de wens van de Raad en de jeugdreclassering om diagnostiek uit te voeren bij verdachte. Het is bekend dat het er enige tijd overheen gaat voordat diagnostiek is ingezet en uitgevoerd. Daarnaast is
het van belang dat er voldoende tijd is voor inzetten van de hulpverlening die (na het diagnostisch onderzoek) nodig wordt geacht. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat uit het rapport van de Raad en uit hetgeen ter zitting door de jeugdreclassering naar voren is gebracht volgt dat er op dit moment ook wordt gewerkt aan de toekomst van verdachte, onder meer door het creëren van meer zelfstandigheid. De rechtbank is van oordeel dat daar ook voldoende tijd voor dient te zijn, mede met het oog op het zoveel mogelijk inperken van het recidiverisico in de toekomst.
Benadeelde partij
In de zaak met parketnummer 18-206760-25 heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 220 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij toegewezen kan worden en moet worden vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd. Verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor de door de benadeelde partij geleden schade.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de hoogte van de vordering van de benadeelde partij. De raadsman heeft de rechtbank wel verzocht de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen maar voor een derde deel zodat verdachte geen contact hoeft op te nemen met de medeverdachten over de betaling van de schade aan de benadeelde partij.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het bewezenverklaarde samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd. Anders dan door de raadsman is betoogd, wijkt de rechtbank niet af van het wettelijke uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid van verdachte voor de toe te wijzen schade. Voor het slachtoffer leidt het volgen van dit uitgangspunt immers tot meer zekerheid over de daadwerkelijke ontvangst van de toegekende schadevergoeding. Bovendien is het voor de rechtbank ook niet duidelijk of en wanneer de medeverdachten in deze zaak zich dienen te verantwoorden voor de rechter, zodat afwijken van voornoemd uitgangspunt ook nadelig is voor het slachtoffer.
De rechtbank zal wel bepalen dat wanneer de schadevergoeding door één of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel (hoofdelijk) opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.
Wettelijke rente en kosten
De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2025. De rechtbank zal verdachte daarnaast veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder parketnummer 18-030298-25 primair ten laste gelegde en het onder parketnummer 18-206760-25 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

Een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, te weten
46 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op
2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. dat de veroordeelde zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode en op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (telefoonnummer:
[telefoonnummer] ), zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en werkt mee aan de gemaakte afspraken;
2. dat de veroordeelde meewerkt aan behandeling vanuit FJP Accare of een soortgelijke instelling, te bepalen door de jeugdreclassering. Hieronder valt ook het meewerken aan diagnostiek en aan eventueel daaruit voortvloeiende behandeling, indien de jeugdreclassering dat nodig vindt.
Geeft aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit nodig vindt, daaronder begrepen.

Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van
30 dagenzal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Benadeelde partij [slachtoffer 3] , parketnummer 18-206760-25
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 3]toe en veroordeelt veroordeelde hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, veroordeelde in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 3] te betalen:
  • het bedrag van 220 (zegge: tweehonderdtwintig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan veroordeelde hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt veroordeelde in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van
[slachtoffer 3]aan de Staat te betalen een bedrag van 220 (zegge: tweehonderdtwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.
Bepaalt dat als veroordeelde of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, veroordeelde in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.T. Kooistra, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. J. van Bruggen en mr.
H.K. de Haan, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Boskma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 mei 2026.