ECLI:NL:RBNNE:2026:22

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
18.303229.22
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis van de meervoudige kamer in een strafzaak betreffende medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet

Op 8 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, een vonnis uitgesproken in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. De zaak betreft de periode van 20 juni 2022 tot en met 20 november 2022, waarin de verdachte betrokken was bij de voorbereiding en bevordering van de productie van cocaïne. De verdachte, geboren in 1989, werd bijgestaan door mr. G. Meijer, terwijl het openbaar ministerie werd vertegenwoordigd door mr. B. Broerse. Tijdens de zittingen op 16 december 2025 en 8 januari 2026 werd het bewijs tegen de verdachte gepresenteerd, waaronder verklaringen van de verdachte en proces-verbaal van bevindingen van de politie.

De rechtbank oordeelde dat de feiten wettig en overtuigend bewezen waren, waarbij de verdachte opzettelijk gelegenheid en middelen had verschaft voor de productie van cocaïne door een schuur te verhuren voor een cocaïnewasserij. De rechtbank sprak de verdachte vrij van andere ten laste gelegde feiten die niet bewezen konden worden. De strafoplegging bestond uit een gevangenisstraf van 233 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, een taakstraf van 240 uren en een geldboete van 18.000 euro. Daarnaast werd de verdachte verplicht om een bedrag van 16.327,16 euro te vergoeden aan de Staat voor kosten in verband met de vernietiging van gevaarlijke stoffen. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de lange tijd die verstreken was sinds de feiten plaatsvonden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.303229.22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 december 2025 en 8 januari 2026 (sluiting onderzoek).
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G. Meijer, advocaat te Veendam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Broerse.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
[naam 1] , al dan niet tezamen met een of meer (onbekend gebleven) personen, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 18 oktober 2022 (zie JM73) tot en met 20 november 2022 te [plaats] , in elk geval (elders)
in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, en/of heeft vervaardigd, en/of aanwezig heeft gehad
  • (ongeveer) 550,5 kilogram (van een materiaal bevattende) cocaïne, en/of
  • (ongeveer) 3,5 kilogram cocaïne base, althans een materiaal bevattende cocaïne,

in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte, in of omstreeks de periode van 18 oktober 2022 tot en met 18 november 2022 te [plaats] , in elk geval (elders) Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door - een (gedeelte van een) loods en/of schuur gelegen aan of nabij de [adres] (als cocaïnewasserij en/of opslagruimte voor een (grote) hoeveelheid chemicaliën) te verhuren en/of aan een ander ter beschikking te stellen, en/of

  • het geschikt maken van die loods en/of schuur voor de plaatsing van een cocaïnewasserij, door het aanbrengen van een dak, het aanleggen/aanpassen van een/deelektriciteitsvoorziening en/of andere (bouw)werkzaamheden, toe te staan, en/of
  • de plaatsingen/of het in werking zijn van een cocaïnewasserij toe te staan.
2
[naam 1] , al dan niet tezamen met een of meer (onbekend gebleven) personen, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 20 juni 2022 (zie JM817, p. 2) tot en met 20 november 2022 te [plaats] en/of [plaats] en/of
[plaats] , in de gemeente het Hogeland, in elk geval (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, vervaardigen, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of vervaardigen van (grote) hoeveelheden cocaïne, in elk geval middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
  • een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
  • zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of
  • voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn/haar mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het

plegen van dat feit door, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

  • een productielocatie voor een cocaïnewasserij te zoeken en/of (vervolgens) te huren, en/of
  • (vervolgens) de loods en/of schuur aan of nabij de [adres] geschikt te maken voor de plaatsing van een cocaïnewasserij, door het (doen/laten) aanbrengen van een dak en/of het (doen/laten) aanleggen/aanpassen van een/de

elektriciteitsvoorziening en/of hiertoe andere (bouw)werkzaamheden te (doen/laten) verrichten, en/of

  • een ontwerp/tekening te maken voor de inrichting van die loods en/of schuur als cocaïnewasserij, en/of
  • (daartoe) een of meer voorwerpen en/of stoffen te zoeken en/of in te kopen en/of te financieren en/of (daar) aanwezig/beschikbaar te hebben en/of te (doen/laten) vervoeren, te weten een (grote) hoeveelheid chemische stoffen (te weten

ethylacetaat, ethanol, dichloormethaan, zavelzuur, hexaan, ammonia, totueen, methylethylketon en/of calciumchloride, JM386), een pers(tafel), magnetrons, een vacuümsealmachine, een werkbank/zeeftafel, een droogkast (gemaakt met terrasverwarmers) en/of een regenton, en/of

  • (vervolgens hiermee) die loods en/of schuur in te richten of te doen/laten inrichten en/of (ook) ingericht te houden en/of in werking te stellen als cocaïnewasserij, en/of
  • een of meer caravans en/of een paardentrailer (omgebouwd tot douche en wc unit) en/of
beddengoed aan te (laten) schaffen/te regelen ten behoeve van het verblijf van een of meer koks of laboranten, werkzaam ten behoeve van (die productie in) die cocaïnewasserij, en/of
  • een bijdrage te leveren aan de voorzieningen/ het levensonderhoud van die koks of laboranten, en/of
  • te overleggen over (stroom)problemen en/of instructies te geven met betrekking tot de (illegale) elektriciteitsvoorziening van die cocaïnewasserij, en/of
  • te overleggen met een of meer medeverdachte(n) over (de samenwerking met betrekking tot) die cocaïnewasserij,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte, in of omstreeks de periode van 20 juni 2022 (zie JM817 p. 2) tot en met 20 november 2022 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft
verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door - een (gedeelte van een) loods en/of schuur gelegen aan of nabij de [adres] (als cocaïnewasserij en/of opslagruimte voor een (grote) hoeveelheid chemicaliën) te verhuren en/of aan een ander ter beschikking te stellen, en/of
  • (hiertoe) valselijken/of in strijd met de waarheid een huurovereenkomst op naam van een derde op te (laten) stellen, en/of
  • (op meerdere momenten) feitelijk te verblijven in het woonhuis gelegen aan de [adres] en hiermee die schuur en/of loods in de gaten te (kunnen) houden,
  • het geschikt maken van die loods en/of schuur voor de plaatsing van een cocaïnewasserij, door het aanbrengen van een dak,het aanleggen/aanpassen van een/de elektriciteitsvoorziening en/of andere (bouw)werkzaamheden, toe te staan, en/of
  • de opslagvan een (grote) hoeveelheid chemische stoffen (te weten ethylacetaat, ethanol, dichloormethaan, zavelzuur, hexaan, ammonia, totueen, methylethylketon en/of calciumchloride, JM386) en/of de plaatsing en/of het in werking zijn van een cocaïnewasserij toe te staan.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 december 2025;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen inclusief bijlagen d.d. 27 januari 2023, opgenomen op pagina 247 en verder van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2022308174 d.d. 16 februari 2024, inhoudend de verklaring van verbalisanten.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. ​
[naam 1] , op een of meer tijdstippen, in de periode van 18 oktober 2022 tot en met 20 november 2022 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verwerkt, en heeft vervaardigd, en aanwezig heeft gehad
  • (ongeveer) 550,5 kilogram (van een materiaal bevattende) cocaïne, en
  • (ongeveer) 3,5 kilogram cocaïne base;
bij het plegen van welk misdrijf verdachte, in de periode van 18 oktober 2022 tot en met 18 november 2022 te [plaats] , opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door een schuurgelegen aan de [adres] (als cocaïnewasserij en opslagruimte voor een grote hoeveelheid chemicaliën) te verhuren en aan een ander ter beschikking te stellen, en
  • het geschikt maken van die schuur voor de plaatsing van een cocaïnewasserij, door (bouw)werkzaamhedentoe te staan, en
  • de plaatsingen het in werking zijn van een cocaïnewasserij toe te staan;
[naam 1] , op meer tijdstippen, in de periode van 20 juni 2022 tot en met 20 november 2022 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten het opzettelijk verwerken van (grote) hoeveelheden cocaïne,
  • een ander heeft getracht te bewegen om dat feit mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid en middelen te verschaffen, en
  • zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en
  • voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders, wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit door, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk
  • een productielocatie voor een cocaïnewasserij te zoeken en (vervolgens) te huren, en
  • (vervolgens) de schuur aan of nabij de [adres] geschikt te maken voor de plaatsing van een cocaïnewasserij, door het (doen/laten) aanbrengen van een dak en het (doen/laten) aanleggen/aanpassen van een elektriciteitsvoorziening en hiertoe andere (bouw)werkzaamheden te (doen/laten) verrichten, en
  • een ontwerp/tekening te maken voor de inrichting van die schuur als cocaïnewasserij, en
  • (daartoe) een of meer voorwerpen en stoffen (daar) aanwezig/beschikbaar te hebben, te weten een (grote) hoeveelheid chemische stoffen (te weten ethylacetaat, ethanol, dichloormethaan, zavelzuur, hexaan, ammonia, totueen, methylethylketon en calciumchloride), een pers(tafel), magnetrons, een vacuümsealmachine, een werkbank/zeeftafel, een droogkast (gemaakt met terrasverwarmers), en een regenton, en
  • (vervolgens hiermee) die schuur in te richten of te doen/laten inrichten en (ook) ingericht te houden en in werking te stellen als cocaïnewasserij, en
  • caravans en een paardentrailer (omgebouwd tot douche en wc unit) en beddengoed aan te (laten) schaffen/te regelen ten behoeve van het verblijf van een of meer koks of laboranten, werkzaam ten behoeve van (die productie in) die cocaïnewasserij, en
  • een bijdrage te leveren aan de voorzieningen/ het levensonderhoud van die koks of laboranten, en
  • te overleggen over (stroom)problemen en instructies te geven met betrekking tot de (illegale) elektriciteitsvoorziening van die cocaïnewasserij, en
  • te overleggen met een of meer medeverdachte(n) over de samenwerking met betrekking tot die cocaïnewasserij,
tot en bij het plegen van welk misdrijf verdachte, in de periode van 20 juni 2022 tot en met 20 november 2022 te [plaats] , opzettelijk gelegenheid en middelen heeft
verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door een schuur gelegen aan de [adres] (als cocaïnewasserij en opslagruimte voor een grote hoeveelheid chemicaliën) te verhuren en aan een ander ter beschikking te stellen, en
  • hiertoe valselijken in strijd met de waarheid een huurovereenkomst op naam van een derde op te stellen, en
  • het geschikt maken van dieschuur voor de plaatsing van een cocaïnewasserij, door (bouw)werkzaamheden toe te staan, en
  • de opslagvan een (grote) hoeveelheid chemische stoffen (te weten ethylacetaat, ethanol, dichloormethaan, zwavelzuur, hexaan, ammonia, tolueen, methylethylketon en calciumchloride) en de plaatsing en het in werking zijn van een cocaïnewasserij toe te staan.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1.
medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B, C en D van de Opiumwet gegeven verbod.
2.
medeplichtigheid aan om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen, zich gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete ter hoogte van 15.000,00.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gelet op het tijdsverloop, de omstandigheden waaronder verdachte de feiten heeft begaan en de persoonlijke omstandigheden van verdachte gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de reclassering d.d. 16 juni 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 november 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte is in de periode van 20 juni 2022 tot en met 20 november 2022 medeplichtig geweest bij (het voorbereiden van) het wassen en aanwezig hebben van cocaïne. Dit heeft hij gedaan door de schuur bij zijn woning enkele maanden te verhuren en beschikbaar te stellen voor de plaatsing en inwerkingtreding van een cocaïnewasserij. Verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van de (internationale) drugshandel en hij kan medeverantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. De harddrugs die met behulp van verdachte zijn geproduceerd werken sterk verslavend en zijn schadelijk voor de gezondheid van de gebruikers ervan. De handel en het gebruik van deze verdovende middelen brengen bovendien vele vormen van (zware) criminaliteit met zich mee. Verdachte heeft zich kennelijk niet bekommerd om genoemde gevolgen voor personen en voor de maatschappij, maar slechts om zijn eigen financiële gewin. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft bij de strafbepaling naast de ernst van de feiten rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daartoe heeft de rechtbank allereerst acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Overigens wel voor andere feiten. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de door de reclassering opgemaakte rapportage. Daaruit blijkt dat verdachte zijn leven op orde heeft en er geen (grote) problemen zijn op de verschillende leefgebieden. Verdachte heeft weliswaar een relatief grote schuld bij de belastingdienst, maar gelet op zijn inkomen verwacht de reclassering niet dat dit problemen zal opleveren. De reclassering heeft geen advies kunnen formuleren vanwege de (op dat moment) ontkennende houding van verdachte.
Strafoplegging
Gelet op de ernst van de feiten zou een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel op zijn plaats zijn. Echter houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met het volgende.
Allereerst heeft verdachte ter terechtzitting zijn initiële ontkennende houding gewijzigd en redelijk openheid van zaken gegeven, waarmee hij grotendeels verantwoordelijkheid heeft genomen en de
rechtbank meer inzicht heeft gegeven in zijn handelen. Daarnaast is de zaak pas ruim 3 jaren na het oprollen van de cocaïnewasserij ter beoordeling van de rechtbank gekomen, waardoor sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Tot slot is verdachte in de tussentijd veroordeeld voor een (andersoortig) feit dat later heeft plaatsgevonden dan de onderhavige feiten, waardoor artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is. De rechtbank houdt daarnaast rekening met eendaadse samenloop tussen beide feiten.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals de officier van justitie eiste, waarbij verdachte opnieuw gedetineerd zou raken, niet passend. De rechtbank zal daarom aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 233 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het onvoorwaardelijk deel is daarmee gelijk aan de reeds in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd. Het voorwaardelijke deel heeft te gelden als stok achter de deur, nu sprake is geweest van een financieel motief bij verdachte en zijn financiële situatie niet gewijzigd is. Vanwege de ernst van de feiten zal de rechtbank daarnaast een taakstraf opleggen voor de (maximale) duur van 240 uren. Tot slot acht de rechtbank een geldboete ter hoogte van 18.000,00 op zijn plaats. Gelet op het lucratieve karakter van de bewezenverklaarde feiten en omdat de rechtbank heeft gekozen voor een lichtere strafmodaliteit dan door de officier van justitie is gevorderd legt de rechtbank een hogere geldboete op dan is gevorderd door de officier van justitie.

Vordering maatregel kostenverhaal

De maatregel in artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
De rechtbank stelt vast dat aan voornoemde vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. In de cocaïnewasserij in [plaats] waren namelijk stoffen aanwezig die een ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en daarnaast heeft de Staat kosten gemaakt voor vernietiging daarvan.
Bij de stukken bevindt zich een factuur van [naam 2] met een kostenoverzicht van het ontmantelen van het drugslab, inclusief de afvoer van chemicaliën en restafval en het vernietigen van hardware. Totaal gaat het om een bedrag van 32.654,31. De rechtbank is van oordeel dat de kosten voldoende zijn onderbouwd en zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 13d van de Opiumwet. Uit het dossier blijkt tevens dat de factuur van [naam 2] door de Staat is betaald.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank conform de vordering van de officieren van justitie aan verdachte de maatregel kostenverhaal opleggen. De rechtbank legt aan verdachte de verplichting op om de helft van het totaalbedrag, te weten 16.327,16, te betalen aan de Staat ter vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet. Indien dit bedrag niet wordt voldaan, kunnen 326 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 48, 49, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel
ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 233 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 180 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 4 maanden zal worden toegepast.
betaling van een geldboete ten bedrage van 18.000,00 (zegge: achttienduizend euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 125 dagen hechtenis.
Vordering maatregel kostenverhaal
Legt op als maatregel de verplichting tot vergoeding van het bedrag van 16.327,16 aan de Staat. Bepaalt de duur van de gijzeling op 326 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker voorzitter, mr. M.A.M. Wolters en mr. H.M. Lenting, rechters, bijgestaan door mr. F.C.A. Fierstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 januari 2026.
Mr. H.M. Lenting is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.