De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 9 juni 2026 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het telen, bereiden, verwerken, verkopen en vervoeren van methamfetamine en aanverwante stoffen op 31 januari 2024 in Groningen. Het openbaar ministerie eiste een gevangenisstraf van 36 maanden op basis van camerabeelden, DNA-sporen en getuigenverklaringen die volgens hen de betrokkenheid van verdachte aantoonden.
Verdachte ontkende kennis en betrokkenheid en verklaarde slechts toevallig in de buurt te zijn geweest. De rechtbank stelde vast dat verdachte met een Volkswagen Polo vrijwel gelijktijdig met een vrachtwagen arriveerde en vertrok bij een loods waar drugs en chemicaliën werden aangetroffen. Hoewel DNA van verdachte op een flesje in de vrachtwagen werd gevonden, kon niet worden bewezen dat hij daadwerkelijk in de loods of vrachtwagen was geweest of beschikkingsmacht had over de drugs.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om wetenschap en beschikkingsmacht aan verdachte toe te rekenen, noch dat sprake was van medeplegen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten. Tevens wees de rechtbank de vordering tot maatregel kostenverhaal af omdat de vrijspraak oplegging van deze maatregel uitsloot.