ECLI:NL:RBNNE:2026:2208

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
LEE 25/2505 en 25/2507
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27e AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2019 en 2020 met omkering en verzwaring bewijslast

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 9 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaken betreffende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2019 en 2020. Eiser betwistte de aanslagen en voerde aan dat de inkomsten te hoog waren vastgesteld en dat sprake was van winst uit onderneming. De inspecteur stelde dat de inkomsten juist waren vastgesteld en kwalificeerde deze als resultaat uit overige werkzaamheden.

De rechtbank stelde vast dat eiser niet de vereiste aangiften had gedaan, waardoor de bewijslast werd omgekeerd en verzwaard. De inspecteur baseerde zijn aanslagen op een redelijke schatting van het inkomen, onderbouwd met bankgegevens. Eiser kon onvoldoende specifieke feiten aanvoeren om de schattingen te weerleggen, behalve voor een bedrag van €4.700 aan kosten in 2019, dat als salaris aan zijn zoon werd aangemerkt en door de inspecteur werd erkend.

De rechtbank concludeerde dat de navorderingsaanslag 2019 verminderd moet worden met €1.317, terwijl de aanslag 2020 in stand blijft. Tevens oordeelde de rechtbank dat de inkomsten terecht als resultaat uit overige werkzaamheden zijn aangemerkt, omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van winst uit onderneming. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten voor het beroep over 2019.

Uitkomst: De navorderingsaanslag 2019 wordt verminderd met €1.317, de aanslag 2020 blijft ongewijzigd; inkomsten zijn terecht als resultaat uit overige werkzaamheden aangemerkt.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/2505 en 25/2507

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 juni 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam 1] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf/kantoor Almere,de inspecteur

(gemachtigde: [naam 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 12 juni 2025.
LEE 25/2505
1.1.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2019 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 107.030 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 502. Gelijktijdig met de vaststelling van deze navorderingsaanslag heeft de inspecteur eiser € 9.304 belastingrente in rekening gebracht.
LEE 25/2507
1.2.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2020 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 136.775 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4. Gelijktijdig met de vaststelling van deze navorderingsaanslag heeft de inspecteur eiser 11.085 belastingrente in rekening gebracht.
Alle zaaknummers
1.3.
De inspecteur heeft de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [naam 3] .

Feiten

2.
2.1.
Eiser is werkzaam als verzorgende (niveau 3). Hij verleent zorg in natura bij cliënten aan huis en in instellingen. De werkzaamheden worden verricht onder de naam [handelsnaam] . Eiser heeft geen BIG-registratie.
2.2.
In 2019 en 2020 verrichtte belanghebbende zorgwerkzaamheden voornamelijk door tussenkomst van bemiddelingsbureaus, waaronder [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] .
2.3.
Daarnaast verleende eiser in 2019 en 2020 zorg aan mevrouw [naam 4] . Mevrouw [naam 4] was budgethouder van een persoonsgebonden budget (hierna: PGB). Eiser factureerde mevrouw [naam 4] voor zijn werkzaamheden, welke zij (deels) voldeed uit haar PGB.
2.4.
Op 23 oktober 2020 doet eiser aangifte IB/PVV voor het jaar 2019. Daarin geeft hij onder meer het volgende aan:
Resultaat uit overige werkzaamheden
Bruto opbrengsten uit werkzaamheden (Thuiszorg [eiser] )
€ 29.821
Totaal kosten bij resultaat uit werkzaamheden
€ 1.630
2.5.
Op 4 oktober 2021 doet eiser aangifte IB/PVV voor het jaar 2020. Daarin geeft hij onder meer het volgende aan:
Resultaat uit overige werkzaamheden
Bruto opbrengsten uit werkzaamheden (Thuiszorg)
€ 26.814
Eiser heeft geen kosten bij resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven.
2.6.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2019 opgelegd met dagtekening 27 november 2020 en de aanslag IB/PVV 2020 met dagtekening 19 november 2021. De aanslagen zijn conform de aangiften opgelegd.
2.7.
Eind 2023 ontvangt de inspecteur informatie dat eiser zijn inkomsten uit zorgwerkzaamheden in 2019 en 2020 mogelijk te laag zou hebben aangegeven. Deze informatie was afkomstig van de erven van mevrouw [naam 4] . Mevrouw [naam 4] heeft in 2019 diverse bedragen overgemaakt naar eiser. Op 27 november 2023 verzoekt de inspecteur per brief aan eiser om informatie te verstrekken.
2.8.
De toenmalige boekhouder van eiser, de heer [naam 5] , stuurt op 24 januari 2024 naar aanleiding van het schrijven van de inspecteur de volgende documenten:
- Facturen aan [bedrijf 4] 2019 en 2020;
- Facturen aan mevrouw [naam 4] 2019 en 2020;
- Zorgovereenkomst met mevrouw [naam 4] ;
- Overeenkomst [bedrijf 1] ;
- Werkschema voor mevrouw [naam 4] ;
- Overzichten opbrengsten en kosten 2019 en 2020.
2.9.
Tussen 4 december 2023 en 27 september 2024 is er diverse malen contact tussen de inspecteur en de heer [naam 5] . De inspecteur stuurt op 27 september 2024 een aanvullend verzoek om informatie omdat nog niet alle vragen zijn beantwoord en informatie is verstrekt. Vervolgens is er in de periode 2 oktober 2024 en 22 oktober 2024 weer diverse malen contact via e-mail tussen de inspecteur en de heer [naam 5] .
2.10.
Op 24 oktober 2024 reageert belanghebbende schriftelijk naar de inspecteur. Bij zijn schrijven zijn kostenoverzichten gevoegd. Op 5 en 6 november 2024 is er via e-mail contact tussen de inspecteur en eiser. De heer [naam 5] staat eiser inmiddels niet meer bij.
2.11.
Met de datum 22 november 2024 kondigt de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2019 en 2020 aan. Op 5 december 2024 reageert eiser via e-mail op de kennisgeving van het opleggen van de navorderingsaanslagen. De inspecteur reageert op 6 december 2024 op de e-mail van eiser.
2.12.
Met dagtekening 20 december 2024 legt de inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 op (zie 1.1.) en met dagtekening 18 januari 2025 de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 (zie 1.2.).

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de navorderingsaanslagen 2019 en 2020 naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Het geschil concentreert zich op de vraag of de inspecteur de inkomsten uit zorgwerkzaamheden op de juiste bedragen heeft vastgesteld en of deze inkomsten kwalificeren als winst uit onderneming of als resultaat uit overige werkzaamheden.
4. Eiser stelt – samengevat – dat de inkomsten te hoog zijn vastgesteld en dat sprake is van winst uit onderneming. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vermindering van de navorderingsaanslagen en beschikkingen belastingrente.
5. De inspecteur heeft ter zitting gesteld dat de kosten voor het jaar 2019 € 4.700 bedragen en dat het beroep voor het jaar 2019 gegrond moet worden verklaard. De inkomsten voor het jaar 2020 zijn volgens de inspecteur tot de juiste bedragen vastgesteld. De inspecteur is verder van mening dat de inkomsten kwalificeren als resultaat uit overige werkzaamheden.
Omkering en verzwaring van de bewijslast
De rechtbank zal allereerst oordelen of eiser de vereiste aangifte heeft gedaan. Artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepaalt namelijk dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast).
8. De inspecteur heeft gesteld dat eiser niet de vereiste aangiften heeft gedaan en dat daarom sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast.
9. Voor de heffing van IB/PVV geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. [1] Bij de vereiste bewustheid geldt dat kennis en inzicht van personen aan wie een belastingplichtige het doen van aangifte overlaat in dit verband aan die belastingplichtige moeten worden toegerekend. [2]
10. Deze omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat de inspecteur gehouden is bij het vaststellen van de aanslag uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen van de belastingplichtige. Het vereiste van een redelijke schatting strekt ertoe, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld. [3] In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. [4]
11. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft in beroep gesteld dat de inkomsten uit zorgwerkzaamheden in 2019 € 93.283,38 (opbrengsten van € 107.419 minus kosten van € 14.135,62) bedragen en dat de inkomsten in 2020 € 103.802,06 (opbrengsten van € 113.270,64 minus kosten van € 9.468,58) bedragen in plaats van de aanvankelijk aangegeven inkomsten van € 28.191 in 2019 en € 26.814 in 2020. De rechtbank is van oordeel dat daarmee sprake is van een gebrek in de aangiften dat ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Eiser had zich ervan bewust moeten zijn dat door het niet aangeven van deze inkomsten een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.
12. Dat het onjuist aangifte doen – mogelijk – is veroorzaakt door zijn toenmalige boekhouder, de heer [naam 5] , maakt dit niet anders. De rechtbank wijst er in dit kader nog op dat eiser in beroep heeft aangevoerd dat de aangiften nooit door eiser zelf zijn ingediend, maar dat eiser in zijn bericht van 24 oktober 2024 aan de inspecteur heeft geschreven dat hij in de jaren 2019 en 2020 zelf zijn financiële administratie heeft beheerd, zonder de hulp van een professional. Wat daar ook van zij, eiser heeft de inkomsten in 2019 en 2020 op zijn bankrekening ontvangen en had bij (controle van) de aangiften in één oogopslag moeten zien dat bij de inkomsten veel te lage bedragen waren vermeld. Ook als eiser de controle van de aangiften niet zou hebben gedaan en volledig vertrouwd zou hebben op de heer [naam 5] kan dit eiser worden aangerekend.
13. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.
Hoogte navorderingsaanslagen
14. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 vastgesteld op € 107.030 en bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 op € 136.775. Hierbij heeft de inspecteur zich voor beide jaren gebaseerd op de bankgegevens van eiser waaruit de inspecteur een bedrag aan opbrengsten van € 114.216 (2019) respectievelijk € 143.992 (2020) heeft afgeleid en waarbij de inspecteur voor 2019 € 3.383 en voor 2020 € 3.368 als kosten in aftrek heeft toegelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een redelijke schatting van eisers inkomen.
15. Eiser stelt dat de inkomsten in 2019 € 6.797 en in 2020 € 30.721,36 lager moeten worden vastgesteld, en de kosten € 10.796,62 (2019) respectievelijk € 6.100,58 (2020) hoger (zie 11). De rechtbank overweegt als volgt.
16. Ten aanzien van de door eiser betwiste opbrengsten in 2019 overweegt de rechtbank dat eiser met hetgeen hij ter zitting heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd, niet heeft doen blijken dat deze ontvangsten geen inkomsten zijn. Daartoe heeft eiser onvoldoende specifieke feiten en omstandigheden aangevoerd. Ten aanzien van
€ 4.700 aan kosten ‘inhuur derden’ in 2019 heeft eiser toegelicht dat dit een salarisbetaling aan zijn zoon is, die samen met hem zorgwerkzaamheden verrichtte. In een procedure die zijn zoon bij een andere rechtbank heeft gevoerd, heeft die rechtbank geoordeeld dat deze betaling voor de zoon salaris was. De inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat dit bedrag als kosten voor eiser moet worden meegenomen. Meer of andere kosten voor 2019 heeft eiser niet doen blijken. Eiser heeft behalve (afschriften uit) zijn boekhouding en een rittenregistratie waar de inspecteur kanttekeningen bij heeft geplaatst, geen facturen of betaalbewijzen overgelegd die een hoger bedrag aan kosten voldoende onderbouwen.
17. Ook voor wat betreft de door eiser in 2020 betwiste opbrengsten en gestelde hogere kosten is de rechtbank van oordeel dat eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd en overgelegd, niet heeft doen blijken dat de door de inspecteur geschatte opbrengsten en kosten in zoverre onjuist zijn. Ook hiervoor geldt dat eiser behalve afschriften uit zijn boekhouding en (de door de inspecteur niet gevolgde) kilometeradministratie geen facturen of betaalbewijzen heeft overgelegd, waardoor eiser niet aan zijn verzwaarde bewijslast heeft voldaan.
18. Vervolgens is tussen partijen in geschil of de inkomsten uit zorgwerkzaamheden van eiser dienen te worden belast als winst uit onderneming of als resultaat uit overige werkzaamheden. Op eiser rust de last om feiten en omstandigheden te doen blijken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van winst uit onderneming. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat er sprake is van winst uit onderneming onder meer aangevoerd dat hij niet is ‘ingebed’ als werknemer, er geen sprake is van een gezagsverhouding, eiser meerdere opdrachtgevers had in 2019 en 2020, zelf factureert en administratie voert, vrije opdrachtacceptatie heeft, ondernemersrisico loopt omdat er geen loondoorbetaling bij ziekte of uitval is en dat hij zich (tot op zekere hoogte) vrijelijk kan laten vervangen.
19. De inspecteur heeft de stelling van eiser betwist en daartoe onder meer aangevoerd dat eiser de zorgwerkzaamheden voornamelijk heeft verricht via bemiddeling van diverse zorgaanbieders en dat de zorgaanbieders de opdrachtgevers van eiser zijn, en niet de zorgvragers. De eindverantwoordelijkheid voor de te verlenen zorg ligt volgens de inspecteur dan ook bij de zorgaanbieder, wat betekent dat de zorgaanbieder zowel op vakinhoudelijk als organisatorisch gebied een instructiebevoegdheid heeft. Eiser mag niet zelfstandig het (verplichte) zorgplan opstellen. Dit recht (en de verplichting tot opstelling daartoe) is voorbehouden aan de zorgaanbieder(s). Hij mag dit mogelijk wel doen voor of namens de zorgaanbieder, maar dan vervaardigt hij het zorgplan altijd onder (eind-) verantwoordelijkheid van de desbetreffende zorgaanbieder. Ook is hij verplicht om zich bij de uitvoering van de zorgwerkzaamheden te houden aan de richtlijnen zoals deze in het zorgplan zijn neergelegd. Dat eiser bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden en het uitvoeren van het zorgplan een zekere zelfstandigheid heeft, doet daar niet aan af. Ook wijst de inspecteur erop dat de tarieven die eiser berekent gereguleerd zijn, en daarboven niet onderhandelbaar, en dat het debiteurenrisico dat eiser loopt uitsluitend jegens de zorgaanbieders is.
20. De rechtbank overweegt dat eiser, in het licht van hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd, niet voldoende feiten en omstandigheden heeft doen blijken die de conclusie rechtvaardigen dat er sprake is van winst uit onderneming. Uit hetgeen door partijen is aangevoerd is voor de rechtbank niet komen vast te staan dat en in hoeverre eiser onder eigen verantwoordelijkheid en voor eigen rekening en risico zorgwerkzaamheden in natura aan de zorgvragers kan aanbieden. Die zorgvragers hebben immers jegens hun verzekeraar recht op zorg in natura, welke zorg in opdracht van die verzekeraars slechts mag worden verleend door en onder verantwoordelijkheid van een toegelaten zorgaanbieder (zoals een bemiddelingsbureau). Zonder tussenkomst van een toegelaten zorgaanbieder kan eiser geen diensten tegen betaling verrichten aan de zorgvragers die recht hebben op zorg in natura. De rechtbank merkt op dat zij het op zichzelf aannemelijk acht dat de werkzaamheden voor andere zorgvragers aan wie eiser niet via een bemiddelingsbureau diensten heeft verricht, onder andere condities zijn verricht dan hiervoor is geschetst, maar eiser heeft gelet op hetgeen hij heeft aangevoerd en overgelegd niet voldoende doen blijken in hoeverre dat het geval is en wat de omvang daarvan dan is. De inspecteur heeft de inkomsten uit zorgwerkzaamheden van eiser daarom naar het oordeel van de rechtbank terecht voor het geheel niet als winst uit onderneming, maar als resultaat uit overige werkzaamheden aangemerkt.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep tegen de navorderingsaanslag 2019 is gegrond gelet op wat de rechtbank onder 16. heeft overwogen. Het belastbaar inkomen uit werk en inkomen moet worden verlaagd met € 1.317 [5] . Dat betekent dat de rechtbank de navorderingsaanslag 2019 zal verlagen. Omdat het beroep gegrond is, dient de inspecteur aan eiser het griffierecht te vergoeden. Hij krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Ter zitting hebben partijen aangegeven dat deze proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht kan worden vastgesteld op € 2.534 (2 punten voor de beroepsfase à € 934 per punt en 1 punt voor de bezwaarfase à € 666 per punt met een wegingsfactor 1).
22. Het beroep tegen de navorderingsaanslag 2020 is ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslag in stand blijft. Eiser krijgt daarom zijn griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van proceskosten in deze zaak.

Beslissing

LEE 25/2505
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de navorderingsaanslag naar een navorderingsaanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 105.713;
- vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeeld de inspecteur in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.534.
LEE 25/2507
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. van der Terp, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083 en Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083.
2.Zie Hoge Raad 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0663.
3.Vergelijk Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.
4.Vergelijk Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401.
5.€ 4.700 - € 3.383 = € 1.317