Uitspraak
de erven van [erflater] , uit [woonplaats] , eisers,
de heffingsambtenaar van de gemeente Veendam, de heffingsambtenaar
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
(het kerkgebouw). De heffingsambtenaar betwist dat de onroerende zaak wordt gebruikt voor het houden van kerkdiensten en bovendien acht hij twee à drie kerkdiensten per jaar, terwijl de onroerende zaak ook wordt gebruikt als trouwlocatie, onvoldoende om voor de kerkenvrijstelling in aanmerking te komen. Volgens de heffingsambtenaar heeft de vastgestelde waarde van € 14.000 uitsluitend betrekking op het perceel grond bij het kerkgebouw, en is deze waarde – gelet op het eigen aankoopcijfer van erflater van € 12.500 in 2019 en de ten onrechte toegepaste kerkenvrijstelling op het kerkgebouw – niet te hoog.
De waarde wordt bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.”
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ingevolge welke bij de waardebepaling buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van onroerende zaken of onderdelen daarvan, indien die waarde geen onderdeel uitmaakt van de grondslag van de belastingen.”
1. Bij de bepaling van de waarde wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van:
70%-criterium wordt voldaan. Dat de kerkdiensten zijn aan te merken als openbare erediensten staat niet ter discussie.
WOZ-waardering en geen onderdeel vormt voor de heffingsmaatstaf van de OZB. Omdat de kerkenvrijstelling van toepassing is, behoeft hetgeen de heffingsambtenaar naar voren heeft gebracht over de eigen aankoopsom en het ten onrechte toepassen van het woningtarief op de aanslag OZB geen nadere behandeling.
31 december 2023 de tijd om een uitspraak op bezwaar te doen. Omdat op
30 december 2023 de beslistermijn nog niet was verstreken, kan het onder 1.4. vermelde bezwaarschrift – nog los van de inhoud daarvan – niet als een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17, derde lid, van de Awb worden aangemerkt. [5]
21 december 2023, die onbetwist door erflater is ontvangen, de beslistermijn op grond van
art. 7:10, derde lid, van de Awb heeft verlengd met zes weken. Dit betekent dat de heffingsambtenaar tot 12 februari 2024 de tijd had om te beslissen op het bezwaar van eisers. Anders dan eisers menen, heeft de heffingsambtenaar daarmee niet onterecht cumulatief gebruikgemaakt van twee wetten. [6] Nu de beslistermijn terecht is verlengd tot
12 februari 2024 en de uitspraak op bezwaar – na de rechtsgeldige ingebrekestelling van
12 februari 2024 (1.5.) – is verzonden op 16 februari 2024, is de rechtbank van oordeel dat de in artikel 4:17, derde lid, van de Awb bedoelde termijn van twee weken nog niet was verstreken, zodat eisers geen recht hebben op een dwangsom.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.E.M. Antonescu, griffier.