Uitspraak
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 29 augustus 1990 betreffende na te melden aan haar voor het jaar 1985 opgelegde aanslagen in de onroerend-goedbelastingen van de gemeente [Z] .
Hoge Raad
Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen onroerend-goedbelasting voor een gebouw dat deels als kerkzaal en deels voor andere doeleinden wordt gebruikt. De gemeente handhaafde de aanslagen. Het Hof bevestigde dit oordeel en stelde vast dat de kerkzaal 57% van de inhoud beslaat, terwijl overige ruimten voor diverse niet-eredienstige activiteiten worden gebruikt.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het gebouw als kerkgebouw moet worden aangemerkt en dat het volstaat dat het gebouw in de eerste plaats voor openbare eredienst is bestemd. De Hoge Raad oordeelde dat de vrijstelling alleen geldt indien het gebouw voor ten minste 70% voor openbare eredienst wordt gebruikt.
Het Hof had terecht de inhoud van de ruimten toegerekend en vastgesteld dat zelfs met kinder- en jeugdruimten meegerekend het gebruik voor eredienst minder dan 70% bedraagt. Daarom is het beroep ongegrond en wordt het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het gebouw geen vrijstelling onroerend-goedbelasting krijgt omdat het minder dan 70% voor openbare eredienst wordt gebruikt.