Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2245

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
18.306478.24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 SrArt. 197a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen mensensmokkel door vervoer zus van Duitsland naar Nederland

Op 31 juli 2024 heeft verdachte samen met zijn broer zijn zus vanuit Duitsland naar Nederland vervoerd met het doel dat zij asiel kon aanvragen in Ter Apel. De rechtbank acht bewezen dat verdachte wist dat de toegang van zijn zus tot Nederland wederrechtelijk was en dat hij bewust heeft meegewerkt aan het transport.

De verdediging voerde aan dat verdachte geen opzet had en handelde uit psychische overmacht, omdat hij zijn zus wilde helpen. Dit verweer werd verworpen omdat uit verklaringen en bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op de hoogte was van de illegale grenspassage en alternatieven had.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met het feit dat het slachtoffer zijn zus is, dat verdachte niet uit geldelijk gewin handelde en geen eerdere veroordelingen heeft. De straf is lager dan de gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand wegens medeplegen van mensensmokkel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.306478.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 mei 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Arnhem. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. von Bartheld.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Hij op of omstreeks 31 juli 2024 te of bij Ter Apel, gemeente Westerwolde, althans in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een ander, te weten [zus] , behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of voornoemde persoon daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,
immers heeft hij, verdachte en/of (met) diens mededader(s), voornoemde [zus] in een (personen)auto vanaf Duitsland naar Nederland en/of door Nederland vervoerd en/of over de grens gebracht en/of (aldus) het transport van voornoemde [zus] gefaciliteerd, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het feit, omdat niet kan worden bewezen dat hij (voorwaardelijk) opzet had op de grenspassage. De raadsman heeft daartoe gewezen op de bijzondere context van de zaak en het feit dat de plek waar verdachte zijn zus heeft opgepikt slechts een aantal kilometer van de Nederlandse grens ligt. Bij verdachte ontbrak het besef dat ze de grens hebben gepasseerd, hij wilde enkel zijn zus helpen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 28 mei 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 31 juli 2024 reed ik als bestuurder van een auto van een plek in Duitsland naar Nederland. Mijn broer zat naast mij en mijn zus zat achterin. Wij troffen mijn zus op de grens. Ik denk in het Duitse grondgebied. Wij waren onderweg naar het aanmeldcentrum in Ter Apel, omdat mijn zus in Nederland asiel wilde aanvragen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 31 juli 2024, opgenomen op pagina 37 e.v. van het dossier van de Koninklijke Marechaussee met nummer PL27NN/24-003823 d.d. 11 september 2024, inhoudend als verklaring van verdachte:
A: Mijn broer heeft gezegd kom we gaan onze zus ophalen. V: Hebben jullie navigatie gebruikt om naar haar te rijden? A: Mijn broer heeft de weg gewezen.
V: Wie heeft de navigatie gebruikt? A: Mijn broer.
V: Wat is de status van uw zus op dit moment in Europa? Is ze rechtmatig of niet? A: Zij heeft niks. Ze is hier pas in Nederland.
V: Wist u dat uw zus onrechtmatig in Europa is? A: Daarom waren wij onder weg naar het AZC.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 31 juli 2024, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Op woensdag 31 juli 2024 zagen wij een personenauto van het merk Volkswagen, type Golf, zilvergrijs van kleur en voorzien van het Duitse kenteken met de letter-cijfer combinatie [kenteken] de Duits Nederlandse grens passeren. Wij zijn achter het voertuig gaan rijden. Wij hebben het stopteken gegeven.
Wij zagen twee manspersonen in het voertuig zitten.
De bestuurder overhandigde mij desgevraagd, [verbalisant] , een Duitse Aufenhaltstitel en Duits rijbewijs en gaf daarmee op te zijn: [verdachte] , Geboortedatum: [geboortedatum] -1989
De bijrijder overhandigde mij desgevraagd, [verbalisant] , een Duits vreemdelingpaspoort met goedgelijkende foto en gaf daarmee op te zijn: Naam: [medeverdachte] , Geboortedatum: [geboortedatum] -1987
Op de achterbank zag ik, [verbalisant] , een vrouwspersoon zitten. Ik, [verbalisant] , hoorde de bijrijder [medeverdachte] zeggen dat deze vrouwspersoon geen documenten in bezit had waaruit haar identiteit zou blijken.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt getuigenverhoor d.d. 31 juli 2024, opgenomen op pagina 65
e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [zus] :
V: Wat is uw familienaam?
A: [zus] .
V: Wat zijn uw voornamen? A: [zus] .
V: Wanneer kwam u aan in Nederland? A: Vandaag.
V: Met wie was u op dat moment?
A: Met mijn twee broers, [medeverdachte] en [verdachte] . V: Hoe bent u in Nederland aangekomen?
A: Met de auto van mijn broer [verdachte] .
V: Waar waren jullie vandaag naar toe onderweg? A: Naar het aanmeldcentrum in Ter Apel.
V: Hoe wist [verdachte] waar hij u kon oppikken?
A: Ik heb hun 2 dagen geleden verteld op welke locatie wij zouden aankomen. Toen ik nog in Syrië was heb ik ze al verteld dat ik asiel in Nederland wil aanvragen.
V: Waar zag u de bestuurder voor het eerst? A: In Duitsland.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 31 juli 2024, opgenomen op pagina 49 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte [medeverdachte] :
De smokkelaar heeft mijn zus ergens gedumpt op een onbekende plaats. Mijn broer en ik zijn daarom van Duitsland naar Nederland gegaan. Wij wilden naar Ter Apel om mijn zus aan te melden. We hebben Ter Apel ingetoetst in GoogleMaps en zijn toen daarnaartoe gereden.
V: Wat is de status van uw zus op dit moment?
A: Niks, mijn zus is vanuit Syrië naar hier gesmokkeld.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 augustus 2024, opgenomen op pagina 74 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op donderdag 01 augustus 2024, is een mobiele telefoon van de verdachte [medeverdachte] ter zake mensensmokkel onderzocht. Wij zagen in een Whatsappgesprek dat op 03 juli 2024, te 11:13 uur, door verdachte [medeverdachte] het volgende werd verstuurd naar gesmokkelde [zus] . Wij, zagen dat [medeverdachte] , een doorgestuurd bericht doorstuurde met daarin de locatie van het winkelcentrum van Ter Apel.
Bewijsoverweging
De rechtbank leidt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen af dat [zus] op 31 juli 2024 door verdachte en de medeverdachte met een auto van Duitsland naar Nederland is vervoerd. [zus] is de zus van verdachten. Verdachten wisten dat zij geen verblijfsrechtelijke status in Nederland had.
De rechtbank verwerpt het verweer dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op de grenspassage. Nog afgezien van het feit dat opzet niet is vereist ten aanzien van het geobjectiveerde bestanddeel verschaffen van toegang, slaagt het verweer niet. Uit de verklaring van [zus] blijkt immers dat zij twee dagen voor het feit aan verdachten heeft verteld op welke locatie in Duitsland zij zou aankomen. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat zij verdachten eerder, toen zij nog in Syrië was, heeft verteld dat zij asiel in Nederland wilde aanvragen en dat in een Whatsappgesprek tussen [zus] en de medeverdachte een locatie in Ter Apel is gedeeld. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat verdachte opzettelijk zijn zus van Duitsland naar Nederland heeft vervoerd.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte [zus] behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, terwijl hij wist dat die toegang wederrechtelijk was. De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte dusdanig nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte, dat sprake is van medeplegen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Hij op 31 juli 2024 te gemeente Westerwolde en Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander, een ander, te weten [zus] , behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, immers heeft hij, verdachte met diens mededader, voornoemde [zus] in een personenauto vanaf Duitsland naar Nederland vervoerd en over de grens gebracht en aldus het transport van voornoemde [zus] gefaciliteerd, terwijl hij, verdachte, wist dat die toegang wederrechtelijk was.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van mensensmokkel
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat verdachte vanwege psychische overmacht moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij redelijkerwijs geen weerstand kon of hoefde te bieden aan de noodkreet van zijn zus. Verdachte wilde zijn zus redden uit een benarde situatie.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op psychische overmacht moet worden verworpen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft hiervoor ten aanzien van het bewijs overwogen dat de zus van verdachte twee dagen voor het incident heeft laten weten waar verdachte en de medeverdachte haar moesten oppikken in Duitsland en dat eerder al was besproken dat zij naar Ter Apel gebracht wilde worden. De stelling dat verdachte door het telefoontje van zijn zus vanuit een psychische toestand heeft gehandeld, mist daarom feitelijke grondslag. De rechtbank overweegt daarnaast dat verdachte anders had kunnen handelen; hij had zijn zus immers ook naar een aanmeldcentrum of politiebureau in Duitsland kunnen brengen. Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen en de rechtbank acht verdachte strafbaar.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair gepleit voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, gelet op de bijzondere omstandigheden van deze zaak.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar een taakstraf een passende afdoening is.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel in vereniging. Hij heeft, samen met zijn broer, zijn zus vanuit Duitsland naar Ter Apel gebracht zodat zij daar asiel kon aanvragen. Door mensensmokkel wordt het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in Nederland en andere landen van de Europese Unie doorkruist en wordt bijgedragen aan het in stand houden van een illegaal circuit.
De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat verdachte in Nederland niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten en sinds dit incident ook niet meer met politie of justitie in aanraking is geweest.
Het uitgangspunt voor strafoplegging bij mensensmokkel is volgens de oriëntatiepunten landelijk overleg vakinhoud strafrecht (LOVS) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden bij één gesmokkelde persoon. De rechtbank ziet in de omstandigheden dat de gesmokkelde persoon de zus van verdachte is, dat hij niet uit geldelijk gewin heeft gehandeld en dat verdachte geen recidive heeft en sinds het incident niet meer met justitie in aanraking is gekomen, aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vindt de rechtbank in dit geval niet passend. De rechtbank zal daarom een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van 2 jaar, opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 197a van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Spooren, voorzitter, mr. drs. J.V. Nolta en mr. O.J. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juni 2026.