Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2246

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
18.176580.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 175 WVW 1994Art. 179 WVW 1994Art. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens zeer onvoorzichtig rijgedrag met zwaar lichamelijk letsel na frontale botsing

Op 13 januari 2025 veroorzaakte verdachte een frontale botsing in Leeuwarden doordat hij met veel te hoge snelheid en onvoldoende aangepaste rijstijl in een bocht op de verkeerde weghelft terechtkwam. De botsing leidde tot zwaar lichamelijk letsel bij de bijrijder, die een gebroken bovenbeen opliep en langdurige revalidatie onderging.

De rechtbank oordeelde dat verdachte niet roekeloos had gehandeld, omdat hij niet met opzet op de verkeerde weghelft reed en nog probeerde een aanrijding te voorkomen. Wel was sprake van zeer onvoorzichtig rijgedrag door de hoge snelheid binnen de bebouwde kom en het niet aanpassen aan de bocht en het beperkte zicht.

De rechtbank achtte het bewezen dat het letsel zwaar was vanwege de aard, het medisch ingrijpen en de lange herstelperiode. Verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor twaalf maanden, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank vond een onvoorwaardelijke rijontzegging niet passend vanwege het werk van verdachte en zijn berouw.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland op 4 mei 2026, na een zitting op 21 april 2026. Verdachte werd vrijgesproken van het bestanddeel roekeloosheid maar veroordeeld voor zeer onvoorzichtig rijgedrag met zwaar lichamelijk letsel als gevolg.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 uur taakstraf en voorwaardelijke rijontzegging van twaalf maanden wegens zeer onvoorzichtig rijgedrag met zwaar lichamelijk letsel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.176580.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 4 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 april 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H. Veltkamp.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 januari 2025 te Leeuwarden als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Jelsumerstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig,
  • met een aanmerkelijk hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan en/of verantwoord was over de Jelsumerstraat te rijden,
  • onvoldoende rechts te houden en/of
  • zich op het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte te begeven, ten gevolge waarvan een botsing is ontstaan met een motorrijtuig, bestuurd door [bestuurder] , waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bovenbeen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde, met bewezenverklaring van schuld in de mate van roekeloosheid. De combinatie van rijden in het donker op een vochtig wegdek met opzettelijk een te hoge snelheid, in een bocht en op de andere weghelft geraken maakt dat het rijgedrag van verdachte roekeloos was in de zin van artikel 5a van de Wegenverkeersweg 1994 (hierna: WVW 1994), en daarom ook in de zin van artikel 6 van Pro diezelfde wet.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat het letsel van [slachtoffer] niet is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Verder is onduidelijk hoe lang de tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden heeft geduurd, zodat ook dit onderdeel niet bewezen kan worden.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte één verkeersfout heeft gemaakt door te hard te rijden. De mate van schuld is daarom niet roekeloos maar hooguit zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte de feitelijke handelingen duidelijk en ondubbelzinnig heeft erkend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
1. De verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 21 april 2026;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 16 januari 2025, opgenomen op pagina 17 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025013952 d.d. 24 mei 2025, inhoudend de verklaring van [bestuurder] ;
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 31 januari 2025, opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;
4. Een geneeskundige verklaring, op 9 februari 2025 opgemaakt en ondertekend door [arts] , als arts verbonden aan het Medisch Centrum [plaats] , opgenomen op pagina 24 van voornoemd dossier;
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Forensische opsporing Verkeer d.d. 7 mei 2025, opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Snelheid & Impactanalyse d.d. 22 april 2025, opgenomen op pagina 105 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de bevindingen van verbalisant [verbalisant] .
Bewijsoverwegingen
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Mate van schuld
Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro 1994 is vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos, zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake is geweest van een minstens aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en onoplettendheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Van belang zijn het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.
Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet volgens de Hoge Raad worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 in Pro samenhang met artikel 6 WVW Pro 1994 is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a lid 1 WVW 1994 kan worden aangemerkt. Artikel 5a lid 1 WVW 1994 beschrijft niet uitputtend een reeks gedragingen. Als de verdachte, door een of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Bij het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels komt het onder meer aan op de feiten en omstandigheden die zicht bieden op “de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft”.1
Uit het procesdossier en de verklaring van verdachte ter zitting volgt dat verdachte op 13 januari 2025 om ongeveer 21:19 uur als bestuurder van een personenauto met zijn vriend [slachtoffer] reed over de Jelsumerstraat in de bebouwde kom van Leeuwarden. Het was donker en het wegdek was vochtig.
Verdachte was ter plaatse bekend. Naar eigen zeggen op aansporing van zijn vriend verhoogde verdachte zijn snelheid tot meer dan 90 km per uur, terwijl 50 km per uur het toegestane maximum was. Vlak voor een flauwe bocht naar rechts besefte verdachte dat hij die bocht niet ging halen. In die bocht had hij geen
zicht op het vervolg van de weg. Ondanks een poging te remmen raakte zijn voertuig op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer, waar [bestuurder] in haar personenauto reed met een snelheid van ongeveer 43 km per uur. Op het moment dat de twee voertuigen elkaar waren genaderd, probeerden de beide bestuurders een frontale aanrijding te voorkomen door ieder naar links te sturen. De voertuigen botsten desondanks met de linker voorzijden tegen elkaar.
De enkele forse en opzettelijke snelheidsovertreding van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet toereikend voor de hoogste mate van schuld in de vorm van roekeloosheid. Niet is gebleken dat verdachte met opzet op de verkeerde weghelft in de richting van het tegemoetkomend verkeer is gaan rijden. Hij heeft nog bijgestuurd in een poging een aanrijding te voorkomen, waaruit blijkt dat hij heeft geprobeerd het door hem veroorzaakte gevaar te verkleinen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het bestanddeel roekeloos.
Wel heeft verdachte met zijn personenauto veel te hard gereden binnen de bebouwde kom, en heeft hij zijn snelheid niet aangepast aan de bocht noch aan het beperkte zicht op de weg en de verkeerssituatie. Gelet op die gedragingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich verwijtbaar zeer onvoorzichtig heeft gedragen en dat daardoor een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden.
Ernst van het lichamelijk letsel
Over het door het ongeval veroorzaakte letsel overweegt de rechtbank het volgende.
Of sprake is van zwaar lichamelijk letsel wordt naar vaste jurisprudentie bepaald door de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op en de duur van herstel.
Uit het procesdossier blijkt dat het bovenbeen van [slachtoffer] is gebroken, met volledige verplaatsing van de botdelen ten opzichte van elkaar. Operatief is een bovenbeenpen met schroeffixatie geplaatst. De behandelend arts schatte vooraf de duur van het herstel op drie maanden. [slachtoffer] heeft verklaard dat hem een revalidatie van een jaar in het vooruitzicht werd gesteld. Hij was een tijd lang aan huis gekluisterd. Verdachte heeft hem verzorgd, door boodschappen voor hem te doen en zijn huis schoon te maken.
Gelet op de aard van het letsel van [slachtoffer] , de noodzaak van medisch ingrijpen en de duur van zijn herstel is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht daarom het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 13 januari 2025 te Leeuwarden als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Jelsumerstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig,
- met een aanmerkelijk hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan en verantwoord was over de
Jelsumerstraat te rijden,
  • onvoldoende rechts te houden en
  • zich op het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte te begeven,
ten gevolge waarvan een botsing is ontstaan met een motorrijtuig, bestuurd door [bestuurder] , waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bovenbeen, werd toegebracht.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren en twaalf maanden ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een taakstraf van minder lange duur dan door de officier van justitie geëist en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het rapport van Reclassering
Nederland van 16 februari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 31 maart 2026, de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zonder enige reden binnen de bebouwde kom veel te snel gereden waardoor hij op de verkeerde weghelft terecht is gekomen en tegen een tegenligger is gebotst. Wonderwel en niet dankzij verdachte, is [bestuurder] er zonder enig letsel van afgekomen. Zij kon na het ongeval zelfstandig naar huis lopen. De bijrijder van verdachte, [slachtoffer] is echter ernstig gewond geraakt. Verdachte zelf heeft littekens opgelopen in zijn gezicht. De beide voertuigen raakten zwaar beschadigd, terwijl ook aan het wegdek en aan langs de weg groeiende struiken schade is ontstaan.
Verdachte heeft nadien zowel met [bestuurder] als met [slachtoffer] contact opgenomen, om het door hem veroorzaakte leed te verzachten en herstellen. Hij heeft aan [slachtoffer] ook langere tijd ondersteuning geboden bij zijn dagelijkse taken.
De rechtbank vindt het verontrustend dat verdachte ondanks dit ongeval en de ernstige gevolgen vijf weken later opnieuw een forse snelheidsovertreding heeft begaan. Voor dat feit is aan verdachte een forse geldboete opgelegd.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij geen snelle auto meer heeft en niet meer wil bezitten. Hij wil veilig aan het verkeer deelnemen, te meer nu hij onlangs vader is geworden. Ook wil hij zijn baan als pakketbezorger behouden, zodat zijn gezin inkomsten heeft. Verdachte komt oprecht over in zijn berouw en voornemen om herhaling te voorkomen. Dat ziet de reclassering ook, die bij een voorwaardelijke straf geen bijzondere voorwaarden adviseert.
Overeenkomstig de landelijke oriëntatiepunten van de rechtspraak zijn voor het bewezen verklaarde een gevangenisstraf of forse taakstraf en een onvoorwaardelijke rijontzegging gepast. Hoewel de eis van de officier van justitie uitgaat van een hogere mate van schuld dan de rechtbank, sluit de geëiste straf meer aan bij het oriëntatiepunt zoals dat is geformuleerd voor de mate van schuld die de rechtbank bewezen acht. Daarbij is het uitgangspunt dat, naast een werkstraf, een onvoorwaardelijke rijontzegging wordt opgelegd. Een onvoorwaardelijke rijontzegging vindt de rechtbank niet passend in het geval van verdachte omdat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en heeft getoond inzicht te hebben in de ernst van zijn gedragingen en maatregelen heeft genomen om herhaling te voorkomen. Om te zorgen dat verdachte zich nog langere tijd bewust blijft van de ernst van het feit en om de kans op herhaling te verkleinen, zal de rechtbank naast een werkstraf een voorwaardelijke rijontzegging opleggen. De rechtbank acht de geëiste straf voor het bewezen verklaarde dan ook passend en geboden en veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid voertuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 180 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.
ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen - bromfietsen daaronder begrepen - voor de tijd van twaalf maanden.
Bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. M.M. Spooren en
mr. H.P. Eckert, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 mei 2026.
Mr. Van den Oever is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1 HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405