ECLI:NL:RBNNE:2026:2342

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
253057, 256269, 256321, 257466
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:268 BWArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezag moeder en ondertoezichtstelling kinderen na ernstige kindermishandeling

Deze beschikking betreft twee minderjarige kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd door langdurige en ernstige kindermishandeling en verwaarlozing. De kinderrechter heeft het gezag van de moeder beëindigd omdat zij niet binnen een aanvaardbare termijn kan voorzien in de verzorging en opvoeding van de kinderen. De vader oefent voortaan het gezag uit, maar vanwege zorgen over zijn pedagogische capaciteiten worden beide kinderen onder toezicht gesteld.

Voor het jongste kind is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend vanwege de ernstige traumatische voorgeschiedenis en de noodzaak van maximale veiligheid en gespecialiseerde zorg. De vader wordt als betrokken maar pedagogisch onbevoegd beoordeeld, met beperkte probleembesef en onvoldoende vermogen om de complexe opvoedingsvraag te beantwoorden. Daarom wordt een ambulant ouderschapsonderzoek opgedragen om zijn leerbaarheid en opvoedingsmogelijkheden nader te beoordelen.

De kinderrechter benadrukt dat de maatregelen voorlopig voor zes maanden gelden en dat de Raad voor de Kinderbescherming uiterlijk twee weken voor de volgende mondelinge behandeling schriftelijk moet rapporteren. De zaak wordt gepubliceerd vanwege het grote maatschappelijk belang, de ernst van de feiten en mediabelangstelling. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de ouders kunnen via een advocaat in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het gezag van de moeder wordt beëindigd, beide kinderen worden onder toezicht gesteld en het jongste kind wordt uit huis geplaatst met nader onderzoek naar het ouderschap van de vader.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Groningen
Zaaknummers: C/18/253057 / FA RK 26-108, C/18/256269 / JE RK 26-853, C/18/256321 / FA RK 26-3081 en C/18/257466 / JE RK 26-1048
Beschikking van 15 juni 2026 over het gezag, de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing en de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaken die betrekking hebben op
[Naam minderjarige 1],
die is geboren op [geboortedag 1] [geboortemaand 1] 2012 in [geboorteplaats 1] ,
en die hierna ' [minderjarige 1] ' wordt genoemd,
[Naam minderjarige 2],
die is geboren op [geboortedag 2] [geboortemaand 2] 2020 in [geboorteplaats 2] ,
en die hierna ' [minderjarige 2] ' wordt genoemd.
De rechtbank wijst als belanghebbenden aan:
[Naam van de moeder],
die woont in [woonplaats 1] ,
en die hierna 'de moeder' wordt genoemd,
advocaat: mr. [Naam van de advocaat 1] , die kantoor houdt in [plaatsnaam 1] ,
[Naam van de vader],
die woont in [woonplaats 2] ,
en die hierna 'de vader' wordt genoemd,
advocaat: mr. [Naam van de advocaat 2] , die kantoor houdt in [plaatsnaam 2] ,
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Noord Nederland, locatie Groningen,
die hierna 'de Raad' wordt genoemd,
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
die is gevestigd in Amsterdam,
en die hierna 'de GI' wordt genoemd.

1.Het (verdere) verloop van de procedure

In de zaak met zaaknummer C/18/253057 / FA RK 26-1085
1.1.
Het verloop van deze procedure blijkt uit de beschikking van deze rechtbank van 16 maart 2026.
In de zaken met zaaknummers C/18/256321 / FA RK 26-3081 en C/18/256269 / JE RK 26-853
1.2.
Het verloop van deze procedure blijkt uit de beschikking van deze rechtbank van 13 mei 2026.
In de zaak met zaaknummer C/18/257466 / JE RK 26-1048
1.3.
Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de Raad, dat de rechtbank heeft ontvangen op 5 juni 2026.
In alle zaken
1.4.
Op 10 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaken gelijktijdig mondeling behandeld. Hij heeft toen gesproken met de vader, zijn advocaat, de advocaat van de moeder, drs. [naam 1] , [naam 2] , en [naam 3] , die de Raad vertegenwoordigen, en [naam 4] en [naam 5] , die de GI vertegenwoordigen.
1.5.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter met [minderjarige 1] gesproken.
1.6.
Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.
1.7.
Omdat de wet bepaalt dat de “kinderrechter” het verzoek over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing behandelt en de “rechtbank” beslist over de verzoeken met betrekking tot het gezag en de verdeling van zorg- en opvoedingstaken, moet in deze beschikking onder “de kinderrechter” worden verstaan: de kinderrechter of de rechtbank, afhankelijk van het behandelde verzoek.

2.De (verdere) beoordeling

Wat beslist de kinderrechter ten aanzien van de moeder in relatie tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?
2.1.
De kinderrechter zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen. De wettelijke maatstaf van artikel 1:266 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is vervuld: [minderjarige 2] is en wordt in haar ontwikkeling ernstig bedreigd en niet te verwachten is dat de moeder binnen een voor [minderjarige 2] en haar ontwikkeling aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding weer kan dragen. De aanvaardbare termijn als bedoeld in de artikelen 1:266 en 1:268 BW wordt bepaald door haar behoefte aan duidelijkheid, stabiliteit en continuïteit. Het nemen van de maatregel is ook bovendien passend en noodzakelijk. De kinderrechter legt hierna uit hoe hij tot deze conclusie komt.
2.2.
Uit de eerdere beschikking van 13 mei 2026 en de daarin vastgestelde feiten, volgt dat de zorgen over [minderjarige 2] groot zijn. Zij is gedurende langere tijd slachtoffer geweest van zeer ernstige, stelselmatige kindermishandeling. Zij heeft langere tijd verkeerd in een toestand van ernstige ondervoeding, uitdroging en lichamelijke verwaarlozing, onder meer doordat haar structureel voldoende en passende voeding en vocht zijn onthouden en zij langdurig in een kelder is opgesloten. Zij is daarnaast blootgesteld aan mensonterende voedings- en strafpraktijken, waaronder het gedwongen opeten van grote hoeveelheden voedsel, het opnieuw moeten opeten van braaksel en het ondergaan van koude douches, waardoor haar reeds verzwakte lichaam extra is belast. Uiteindelijk is [minderjarige 2] in levensgevaar in het ziekenhuis opgenomen en in een kunstmatige coma gebracht. Deze voorgeschiedenis en de daaruit voortvloeiende zeer ernstige ontwikkelingsbedreiging maken dat [minderjarige 2] blijvend is aangewezen op maximale veiligheid, voorspelbaarheid en stabiliteit in haar leefsituatie.
2.3.
De Raad heeft, specifiek met betrekking tot de persoon van de moeder en haar (on)mogelijkheden om thans en in de toekomst het gezag over [minderjarige 2] uit te oefenen, zorgvuldig onderzoek verricht. Daarbij zijn zowel de feitelijke gang van zaken in de thuissituatie als de huidige inzichten, houding en pedagogische mogelijkheden van de moeder betrokken. Uit dit onderzoek volgt dat niet langer kan worden verwacht dat de moeder binnen een voor [minderjarige 2] en haar ontwikkeling aanvaardbare termijn zodanig in haar opvoedingsbehoeften kan voorzien dat sprake kan zijn van een voor [minderjarige 2] veilige, stabiele en onbelaste opvoedsituatie. De Raad concludeert dat beëindiging van het gezag noodzakelijk is in het belang van [minderjarige 2] , omdat verder uitstel van een definitieve beslissing over haar juridische positie en haar opvoedperspectief niet langer verenigbaar zijn met haar behoefte aan duidelijkheid en continuïteit. Deze conclusie sluit aan bij de wettelijke grondslag van artikel 1:266 BW Pro en de uitleg die daaraan in de rechtspraak en literatuur wordt gegeven.
2.4.
De advocaat van de moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat en waarom de moeder zich refereert aan het oordeel van de kinderrechter. Daarbij is namens haar naar voren gebracht dat de feiten zoals die in de eerdere beschikking zijn vastgesteld overeenkomen met haar eigen verklaring en beleving. Gelet op de zwaarte en ernst van deze feiten en de ernst van de situatie van [minderjarige 2] , acht de moeder het passend om zich in bescheidenheid te onthouden van het voeren van verweer. De bevindingen en de conclusie van de Raad zijn door of namens de moeder dan ook niet inhoudelijk weersproken.
2.5.
De kinderrechter stelt voorop dat voor beëindiging van het gezag op grond van artikel 1:266 BW Pro vereist is dat een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en dat de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn. Die termijn wordt ingevuld aan de hand van de concrete situatie van het kind, waaronder leeftijd, ontwikkelingsfase, de mate van schade en de behoefte aan stabiliteit. Gelet op de ernst en duur van de kindermishandeling en verwaarlozing, de daaruit voortvloeiende ernstige traumatisering en ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 2] , en haar dringende behoefte aan blijvende duidelijkheid, veiligheid en stabiliteit, is de kinderrechter van oordeel dat niet meer te verwachten is dat de moeder binnen een voor [minderjarige 2] aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding weer op zich kan nemen.
2.6.
De kinderrechter is voorts van oordeel dat de Raad met de vereiste zorgvuldigheid onderzoek heeft verricht naar de (on)mogelijkheden van de moeder om het gezag over [minderjarige 2] , nu en in de toekomst, op verantwoorde wijze uit te oefenen. De conclusie van de Raad dat een gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk is in het belang van [minderjarige 2] , vloeit overtuigend voort uit de onderzoeksbevindingen. Deze bevindingen en de daaruit getrokken conclusie zijn door geen van de procespartijen weersproken. De kinderrechter neemt die conclusie van de Raad daarom over en maakt die conclusie tot de zijne.
2.7.
De kinderrechter neemt in dit verband in overweging dat de Raad ten aanzien van [minderjarige 2] gezagsbeëindiging heeft verzocht op de in artikel 1:266 lid 1 onder Pro a BW genoemde grond. De kinderrechter oordeelt dat die grond van toepassing is. Hij vult die grond ambtshalve aan met de grond die artikel 1:266 lid 1 onder Pro b BW geeft: het gezag kan ook worden beëindigd indien de ouder het gezag misbruikt. Volgens de wetgever en de over dit artikellid ontwikkelde rechtspraak, wordt met misbruik van gezag immers ook gedoeld op een schending van plichten van ouders door nalatigheid en door daden, zoals het plegen van misdrijven gericht tegen het kind, waaronder (zware) mishandeling, maar ook door niet of niet tijdig medische hulp in te roepen met lichamelijk letsel als gevolg. [1]
2.8.
Hetgeen hiervoor ten aanzien van [minderjarige 2] en de beëindiging van het gezag van de moeder over haar is overwogen, brengt met zich dat ook het gezag van de moeder over [minderjarige 1] moet worden beëindigd, zij het uitsluitend op de in artikel 1:266 lid 1 onder Pro a BW genoemde grond.
2.9.
Dit alles leidt ertoe dat het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in deze beschikking wordt beëindigd.
2.10.
Die beslissing brengt met zich dat het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door de vader alleen wordt uitgeoefend. Het is vervolgens de vraag welke rol de vader heeft gespeeld in de ernstig verwaarlozende opvoedomstandigheden en wat dit betekent voor de mogelijkheden van de vader om voor beide kinderen opvoedingsverantwoordelijkheid te dragen.
Wat beslist de kinderrechter ten aanzien van de vader in relatie tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?
2.11.
Uit het rapport van de Raad blijkt dat er naast een aantal positieve punten, ernstige zorgen bestaan over de mogelijkheden van de vader om pedagogisch aan te sluiten bij wat [minderjarige 1] en in het bijzonder [minderjarige 2] nodig hebben. De vader wordt beschreven als betrokken en meewerkend in de hulpverlening en hij heeft een warme relatie met [minderjarige 1] . Tegelijkertijd constateert de Raad dat bij de vader sprake is van pedagogische onmacht en beperkt probleembesef, met name waar het gaat om het bieden van voldoende structuur, toezicht en emotionele beschikbaarheid die aansluiten bij de ontwikkelings- en traumabehoeften van de kinderen. De Raad acht de vader in beginsel in staat om, in een gedwongen kader, opvoedingsverantwoordelijkheid voor [minderjarige 1] te dragen, maar vindt een beoordeling van zijn ouderschap noodzakelijk om te kunnen bepalen of sprake is van “goed genoeg ouderschap” en of de vader voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op langere termijn (opvoedings)verantwoordelijkheid kan dragen.
2.12.
Ten aanzien van [minderjarige 2] is van doorslaggevend belang dat zij slachtoffer is geworden van langdurige, zeer ernstige, stelselmatige kindermishandeling, met onder meer ernstige ondervoeding, uitdroging, lichamelijke verwaarlozing, langdurige opsluiting en mensonterende strafpraktijken, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot een levensbedreigende situatie en opname op de intensive care, waar zij in een kunstmatige coma is gebracht. [minderjarige 2] staat voor een langdurig traject van herstel, waarbij zij blijvend aangewezen is op maximale veiligheid, voorspelbaarheid en stabiliteit, in combinatie met gespecialiseerde traumabehandeling. In het licht van deze uitzonderlijk ernstige voorgeschiedenis heeft [minderjarige 2] een zeer zware opvoedingsvraag, zo is ook tijdens de mondelinge behandeling besproken. De kinderrechter leidt uit wat de Raad rapporteert af dat de vader deze verzwaarde vraag niet kan beantwoorden. De vader heeft signalen die op ernstige zorgen rond [minderjarige 2] wezen, zoals het plotselinge afgeschoren haar, de onduidelijkheid over een vermeende vakantie en de ernstige ziekenhuisopname zonder afdoende verklaring, niet of onvoldoende onderkend of vertaald naar beschermend handelen. Daarbij wordt ook bij hem gesproken over pedagogische onmacht.
2.13.
Gelet op de combinatie van [minderjarige 2] ’s zeer complexe, traumagerelateerde behoeften en de bij de vader vastgestelde beperkingen in probleembesef, toezicht, structurering en begrenzing, acht de kinderrechter het niet aannemelijk dat de vader binnen voor [minderjarige 2] aanvaardbare termijn in staat zal zijn haar een veilig, stabiel en therapeutisch passend opvoedingsklimaat te bieden. Het is daarom niet reëel om te verwachten dat [minderjarige 2] (op korte of afzienbare termijn) bij de vader kan gaan wonen. Ook de jeugdbeschermers hebben dit tijdens de mondelinge behandeling toegelicht. Zij hebben daarnaast gewezen op de problematiek die nu bij [minderjarige 2] in alle hevigheid aanwezig is en de grote, ontwrichtende rol die de onduidelijkheid over het woonperspectief daarbij speelt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter overwogen of hiernaar nader onderzoek gewenst is en is die mogelijkheid ook besproken. Gelet op alles wat is gerapporteerd dringt zich de conclusie op dat een nader onderzoek hiernaar en de daarmee gepaard gaande aanhoudende onzekerheid voor [minderjarige 2] , onaanvaardbaar en ook niet nodig is.
2.14.
Voor [minderjarige 2] zal naar een ander, duurzaam opvoedingsperspectief moeten worden gezocht dat aansluit bij wat zij nodig heeft voor traumaverwerking en een zo gezond en optimaal mogelijke ontwikkeling.
2.15.
De kinderrechter begrijpt dat dit voor de vader moeilijk zal zijn om te accepteren, maar tijdens de mondelinge behandeling bleek ook dat de vader wil denken vanuit het belang van [minderjarige 2] en hij gaf er blijk van dat hij kan begrijpen dat de zeer zware opvoedingsvraag van [minderjarige 2] hem waarschijnlijk zal overvragen.
2.16.
Ten aanzien van [minderjarige 1] volgt uit de stukken dat hij sinds hij bij de vader woont, in meerdere opzichten onvoldoende wordt begrensd en begeleid. Eerder onderzoek door Veilig Thuis laat zien dat de vader onvoldoende structuur en toezicht biedt, dat hij niet steeds zicht heeft op [minderjarige 1] ’s bezigheden en omgeving, en dat hij onvoldoende inschat wat passend is bij diens leeftijd en kwetsbaarheid. In dezelfde periode is bij [minderjarige 1] sprake geweest van schoolverzuim, onverzorgd op school verschijnen, het opgaan in een risicovolle vriendengroep, betrokkenheid bij geweldsincidenten en een winkeldiefstal. Het ontbreken aan toezicht heeft het mogelijk gemaakt, of in ieder geval eraan bijgedragen, dat [minderjarige 1] seksueel is misbruikt door de toenmalige partner van de vader, aan wiens zorg [minderjarige 1] door de vader op dat moment was toevertrouwd. Daarbij heeft de vader vooraf onvoldoende gewogen of dit voldoende veilig was, nadien geen passende lichamelijke of psychologische nazorg geregeld en het onderwerp thuis feitelijk onbesproken gelaten. Ook het incident waarbij de vader in een poging om [minderjarige 1] klem te rijden, hem omver heeft gereden en hem daarna heeft mishandeld door hem met een houten klomp een schop te geven, wordt door de vader gebagatelliseerd, hetgeen vragen oproept bij zijn normbesef en vermogen tot zelfreflectie. In de dagelijkse omgang wordt door betrokken hulpverleners beschreven dat de vader en [minderjarige 1] meer als gelijken of vrienden met elkaar omgaan dan vanuit een duidelijke ouder-kindverhouding. Dit alles wijst erop dat de vader, ondanks zijn betrokkenheid, (nog) onvoldoende in staat is [minderjarige 1] de noodzakelijke begrenzing, voorspelbaarheid en emotionele begeleiding te bieden.
2.17.
Voor [minderjarige 1] geldt dat zijn huidige verblijf bij de vader, ondanks de genoemde zorgen, ook beschermende factoren kent: [minderjarige 1] ervaart emotionele steun van de vader, er is samenhang in hun dagelijkse leven en er is al hulpverlening betrokken. De Raad acht een onmiddellijke uithuisplaatsing van [minderjarige 1] thans een te ingrijpende stap en adviseert om binnen het kader van de ondertoezichtstelling nader onderzoek te doen naar de opvoedingsmogelijkheden van de vader. De kinderrechter volgt dit. Binnen de ondertoezichtstelling dient, met behulp van een ambulante ouderschapsbeoordeling of vergelijkbaar onderzoek, in kaart te worden gebracht in hoeverre de vader leerbaar is, of hij in staat is duurzame veranderingen in zijn opvoedingsgedrag aan te brengen en vast te houden, en of hij op langere termijn voldoende structuur, toezicht en emotionele beschikbaarheid kan bieden om [minderjarige 1] veilig en bij zijn ontwikkeling passend te laten opgroeien. Pas op basis van de uitkomsten van dergelijk onderzoek kan worden beoordeeld of het huidige verblijf van [minderjarige 1] bij de vader in stand kan blijven of dat een ander opvoedingsperspectief voor [minderjarige 1] noodzakelijk is.
2.18.
De voorgaande overwegingen leiden tot de slotsom dat de kinderrechter onder de tot nu toe bekend geworden feiten en omstandigheden niet goed kan bepalen in hoeverre de vader, mede gelet op zijn pedagogische onmacht en beperkte probleembesef, in staat is om nu en in de toekomst zelfstandig de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te dragen en, meer in het bijzonder, om aan te sluiten bij diens emotionele en traumagerelateerde behoeften. Evenmin kan de kinderrechter op basis van de huidige informatie vaststellen of, en onder welke voorwaarden, de vader een voor [minderjarige 1] voldoende veilige, gestructureerde en voorspelbare opvoedsituatie kan bieden. Daarom acht de kinderrechter het noodzakelijk dat binnen het kader van de ondertoezichtstelling een ambulant ouderschapsonderzoek of vergelijkbaar onderzoek wordt verricht.
2.19.
In dat onderzoek dient in ieder geval aan de orde te komen in welke mate de vader in staat is [minderjarige 1] duidelijke grenzen, structuur en toezicht te bieden, passend bij diens leeftijd en problematiek, en of de vader deze opvoedingsvaardigheden kan versterken en duurzaam kan vasthouden. Voorts moet worden onderzocht in hoeverre de vader zicht heeft op het sociale netwerk, de vrijetijdsbesteding en de risicovolle situaties van [minderjarige 1] , waaronder contacten met leeftijdsgenoten, middelengebruik en delinquente gedragingen, en of hij in staat is hiertegen tijdig corrigerend en beschermend op te treden. Ook is van belang te beoordelen in hoeverre de vader [minderjarige 1] kan ondersteunen bij de verwerking van de gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt, waaronder het seksueel misbruik en de impact van de situatie rond [minderjarige 2] , en of de vader in staat is de daarvoor noodzakelijke specialistische hulp actief te organiseren, te volgen en te borgen.
2.20.
Daarnaast moet worden onderzocht in welke mate de vader leerbaar is: of hij in staat is zijn eigen handelen kritisch te bezien, verantwoordelijkheid te nemen voor onveilige of onjuiste keuzes in het verleden, waaronder het onvoldoende inschatten van risico’s in de zorg voor [minderjarige 1] en het bagatelliseren van zijn eigen fysiek corrigerend optreden, en op basis daarvan zijn opvoedingsstijl structureel aan te passen. Daarbij verdient bijzondere aandacht hoe de vader omgaat met stress en conflicten, of hij zijn eigen emoties voldoende kan reguleren in de omgang met [minderjarige 1] en of hij in staat is een duidelijke verhouding als ouder ten opzichte van een kind te behouden in plaats van een louter vriendschappelijke relatie.
2.21.
Ten slotte dient in het onderzoek betrokken te worden welke steun er in het netwerk en in de professionele hulpverlening om de vader en [minderjarige 1] heen beschikbaar is, in hoeverre de vader bereid en in staat is deze steun structureel te benutten en of, gegeven de uitkomsten op de hiervoor genoemde punten, kan worden geconcludeerd dat het opvoedperspectief van [minderjarige 1] (blijvend) bij de vader kan liggen of dat op termijn naar een ander perspectief moet worden gezocht.
2.22.
De kinderrechter zal daarom een onderzoeksopdracht geven aan de Raad die meent dat met de verzochte maatregel van ondertoezichtstelling vooralsnog kan worden volstaan. De kinderrechter verzoekt de Raad een ambulant ouderschapsonderzoek ten aanzien van de vader te (doen laten) verrichten en daarover te rapporteren. In dat onderzoek verzoekt de kinderrechter de Raad in ieder geval de volgende vragen te betrekken:
In hoeverre is de vader in staat [minderjarige 1] duidelijke grenzen, structuur en toezicht te bieden, passend bij diens leeftijd, ontwikkeling en problematiek, en kan de vader deze opvoedingsvaardigheden, met hulp, versterken en duurzaam vasthouden?
In welke mate heeft de vader daadwerkelijk zicht op de dagelijkse leefwereld van [minderjarige 1] (school, vrienden, vrijetijdsbesteding, middelengebruik, mogelijke delinquente gedragingen) en is hij in staat tijdig corrigerend en beschermend op te treden wanneer de veiligheid of ontwikkeling van [minderjarige 1] wordt bedreigd?
In hoeverre kan de vader aansluiten bij de emotionele en traumagerelateerde behoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waaronder het seksueel misbruik dat [minderjarige 1] heeft meegemaakt en de impact van de gebeurtenissen rondom [minderjarige 2] , en als het om [minderjarige 2] gaat, wat haar is overkomen en wat dit betekent, en is de vader in staat de daarvoor benodigde (gespecialiseerde) hulpverlening actief te organiseren, te ondersteunen en te borgen?
In welke mate is de vader leerbaar: kan hij op zijn eigen handelen en keuzes in het verleden, waaronder het onvoldoende inschatten van risico’s in de zorg voor [minderjarige 1] , het uitblijven van nazorg na het seksueel misbruik en het bagatelliseren van zijn eigen fysiek corrigerend optreden, kritisch reflecteren, hiervoor verantwoordelijkheid nemen en zijn opvoedingsstijl structureel aanpassen?
Hoe gaat de vader om met stress en conflicten in de opvoedsituatie, is hij in staat zijn eigen emoties te reguleren en een duidelijke en passende ouder‑kindverhouding te behouden, in plaats van overwegend een vriendschappelijke relatie met [minderjarige 1] te hebben?
Welke steun is in het sociaal netwerk en de professionele hulpverlening rond de vader en [minderjarige 1] beschikbaar, in hoeverre maakt de vader hiervan structureel gebruik en kan, gelet op de uitkomsten op de voorgaande punten, worden geconcludeerd dat het (blijvende) opvoedingsperspectief van [minderjarige 1] bij de vader kan liggen of moet op termijn naar een ander perspectief worden gezocht?
2.23.
De kinderrechter vindt beantwoording van deze vragen noodzakelijk om goed te kunnen beoordelen of, en zo ja, welke kinderbeschermingsmaatregelen uiteindelijk passend en geëigend zijn. De kinderrechter vindt dat uit wat nu door de Raad wordt gerapporteerd zonder meer blijkt dat een ondertoezichtstelling voor beide kinderen en een uithuisplaatsing van [minderjarige 2] noodzakelijk zijn. Beide kinderen worden immers ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Ook blijkt dat de vader gelet op de uitzonderlijke complexiteit van de problematiek die speelt, misschien de hulpverlening wel accepteert, maar dat nog onvoldoende blijkt dat hij die hulpverlening ook daadwerkelijk kan benutten en daarvan ook kan profiteren. Wat voor de kinderrechter echter nog onvoldoende duidelijk is, is of binnen een voor beide kinderen en hun ontwikkeling aanvaardbare termijn hierin toereikend verandering kan komen. Beantwoording van de daarop gerichte vragen is ook belangrijk om vast te kunnen stellen of de vader in het dagelijkse leven voldoende kan bieden om [minderjarige 1] veilig op te laten groeien en hij ook pedagogisch gezien voldoende bij hem kan aansluiten. Als het om [minderjarige 2] gaat is beantwoording van de vragen van belang om vast te stellen welke rol de vader in het leven van [minderjarige 2] kan vervullen.
Wat betekent het voorgaande voor het vervolg van de procedure?
2.24.
Over het verdere verloop van de procedure(s) geeft de kinderrechter de navolgende informatie:
  • De procedure ten aanzien van de moeder komt tot een einde, de kinderrechter beëindigt haar gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
  • de Raad heeft geen gezagsvoorziening ten aanzien van de vader verzocht, de schorsing van zijn gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eindigt van rechtswege op 7 augustus 2026;
  • de kinderrechter zal daarom met ingang van 7 augustus 2026 beide kinderen onder toezicht stellen van de GI;
  • de kinderrechter zal eveneens met ingang 7 augustus 2026 aan de GI een machtiging verlenen om [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg;
  • beide maatregelen worden eerst genomen voor de duur van zes maanden, dus tot 7 februari 2027;
  • de beslissing op de resterende verzochte duur houdt de kinderrechter aan;
  • de kinderrechter zal een datum en tijd bepalen waarop de verzoeken over de kinderbeschermingsmaatregelen opnieuw mondeling worden behandeld;
  • de kinderrechter bepaalt dat de Raad uiterlijk twee weken voor die mondelinge behandeling schriftelijk aan de rechtbank moet rapporteren;
  • de kinderrechter behandelt vooralsnog de verzoeken van de ouders om een verdeling van zorg- en opvoedingstaken (bekend onder zaaknummer C/18/253057 / FA RK 26-108) te behandelen, niet. De advocaten hebben tijdens mondelinge behandeling aangekondigd dat zij mogelijk de in die procedure gedane verzoeken zullen intrekken.
2.25.
De kinderrechter zal aan [minderjarige 1] een brief sturen waarin hij uitlegt welke beslissingen hij heeft genomen en waarom hij die beslissingen heeft genomen. Die brief heeft de volgende inhoud:
Beste [minderjarige 1] ,
Op 10 juni 2026 hebben wij samen met iemand van de Raad voor de Kinderbescherming gesproken. Jij hebt toen verteld hoe het met je gaat. Je zei dat er veel is gebeurd, maar dat het nu weer rustiger is. Je gaat weer naar school en thuis gaat het weer normaal. Ook heb je verteld dat je boos bent op je moeder en dat je geen contact met haar wilt.
Ik heb goed naar je geluisterd. Ook heb ik geluisterd naar je vader, de jeugdbeschermers en de Raad voor de Kinderbescherming. Daarna heb ik een beslissing genomen.
Ik heb besloten dat je moeder niet meer mag meebeslissen over jou en [minderjarige 2] . Dat heet gezag en ik heb haar gezag over jou en [minderjarige 2] beëindigd.
Je vader mag nu samen met de jeugdbeschermers belangrijke beslissingen over jullie nemen. Zij doen dat dus samen. Ik vind dat nu het beste voor jullie, door wat er is gebeurd.
Ook heb ik besloten dat de jeugdbeschermers blijven helpen. Zij kijken hoe het met jou en thuis gaat. Ze helpen je vader en zorgen dat jullie hulp krijgen als dat nodig is.
Over een half jaar ga ik weer kijken hoe het gaat. Dan wil ik ook weer met jou praten om te horen hoe het met je gaat.
Heb je vragen? Dan kun je die stellen aan je vader of aan de jeugdbeschermers. Zij kunnen het uitleggen.
Met vriendelijke groet,
Bart Tromp
kinderrechter
Waarom wordt deze zaak gepubliceerd?
2.26.
Deze zaak valt onder meerdere categorieën die volgens het door de Rechtspraak gehanteerde “Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl 2024” aanleiding geven tot publicatie.
2.27.
Het gaat om een zaak waarin (een vorm van) kindermishandeling en andere ernstige feiten aan de orde zijn. Volgens de selectiecriteria komen uitspraken over ernstige strafbare feiten en zaken met groot maatschappelijk belang in aanmerking voor publicatie. Daarnaast is sprake van aanzienlijke mediabelangstelling. In het besluit en in het daarop gebaseerde beleid is opgenomen dat mediabelangstelling een zelfstandige grond vormt om een uitspraak te publiceren. In de praktijk worden uitspraken in zaken met duidelijke mediabelangstelling vaak op of kort na de dag van de uitspraak gepubliceerd. Dit verklaart waarom de eerder gegeven beschikking op de dag van de uitspraak is gepubliceerd en ook deze beschikking op de dag van de uitspraak zal worden gepubliceerd. Ten derde betreft het een maatschappelijk relevante kwestie, hetgeen eveneens als expliciet criterium in het besluit wordt genoemd.
2.28.
Het besluit bevat geen bepaling die expliciet voorziet in het achterwege laten van publicatie op grond van wensen of belangen van procesdeelnemers, het Openbaar Ministerie of andere “ketenpartners”. De in het besluit genoemde criteria zijn gericht op de inhoud en betekenis van de uitspraak en niet op (institutionele) belangen van bij de zaak betrokken partijen of instanties.
2.29.
De criteria die tot publicatie van uitspraken leiden, zijn in overwegende mate objectief geformuleerd en hebben betrekking op factoren als juridische relevantie, maatschappelijk belang en (eventuele) mediabelangstelling. Dit sluit aan bij de openbaarheidsfunctie van de rechtspraak: het publiekelijk toegankelijk maken van uitspraken die richtinggevend zijn, de rechtsontwikkeling verduidelijken of anderszins van belang zijn voor de samenleving.
2.30.
De openbaarheid van rechtspraak is een fundamenteel beginsel van de rechtsstaat, dat zijn basis vindt in onder meer artikel 6 EVRM Pro en in nationale rechtspraak en regelgeving. Op de website van de Rechtspraak wordt vermeld dat de selectiecriteria voor publicatie zijn gebaseerd op Aanbeveling R (95) 11 van de Raad van Europa over “de selectie, verwerking, presentatie en archivering van rechterlijke uitspraken in zoeksystemen voor juridische informatie”. Deze aanbeveling benadrukt dat selectie en publicatie primair moeten worden gestuurd door juridische en maatschappelijke relevantie, niet door de belangen van uitvoerende instanties of andere actoren buiten de rechterlijke macht.

3.De beslissing

De kinderrechter:
3.1.
beëindigt het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
3.2.
gelast de administratie van deze rechtbank om die beslissing over het gezag in te schrijven in het gezagsregister;
3.3.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI met ingang van 7 augustus 2026 tot 7 februari 2027;
3.4.
verleent aan de GI een machtiging om [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 7 augustus 2026 tot 7 februari 2027;
3.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
gelast de Raad onderzoek te doen ter beantwoording van de in deze beschikking gestelde vragen en daarover te rapporteren aan de rechtbank en partijen, uiterlijk twee weken voor die hierna te bepalen mondelinge behandeling;
3.7.
bepaalt dat de verzoeken die betrekking hebben op kinderbeschermingsmaatregelen opnieuw mondeling worden behandeld op
vrijdag 22 januari 2027 om 14.00 uur;
3.8.
wijst de Raad, (de advocaat van) de vader en de GI erop dat deze beschikking geldt als een oproep om aan de mondelinge behandeling deel te nemen;
3.9.
gelast de administratie van deze rechtbank om [minderjarige 1] opnieuw uit te nodigen om met de kinderrechter en de griffier te praten, op een nader te bepalen moment voorafgaand aan de mondelinge behandeling;
3.10.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026 door mr. B.R. Tromp, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Bernard, griffier.
Als u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.