ECLI:NL:RBNNE:2026:2355
Rechtbank Noord-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechter bij beoordeling rechtsgeldigheid buitenlands huwelijk in echtscheidingsprocedure
De vrouw verzocht de rechtbank om echtscheiding uit te spreken op grond van een in Eritrea of Soedan gesloten huwelijk, waarvan het bestaan betwist werd. De rechtbank stelde vast dat de bevoegdheid om het bestaan en de rechtsgeldigheid van een huwelijk te beoordelen bij de rechter ligt en niet bij het college van burgemeester en wethouders of de BRP. De BRP is een administratieve registratie en geen constitutief huwelijksregister; de inschrijving is een zwaarwegend bewijsmiddel maar geen bindend oordeel.
De vrouw had in eerdere procedures tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het land van huwelijk en had geen huwelijksakte of ander overtuigend bewijs geleverd, ondanks de gelegenheid daartoe. De rechtbank achtte haar verklaringen ongeloofwaardig en concludeerde dat het huwelijk niet was komen vast te staan. Het verzoek tot echtscheiding werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Het college van B&W had bezwaar gemaakt tegen deze beslissing en verwees naar de verklaring onder ede en de BRP-registratie als voldoende bewijs. De rechtbank verwierp dit standpunt en benadrukte dat de rechter zelfstandig moet beoordelen en dat de BRP-registratie slechts een aanwijzing is. De rechtbank wees ook op het belang van hoor en wederhoor en de noodzaak van bewijslevering door partijen.
De rechtbank besloot de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot echtscheiding en de nevenvoorzieningen, en maakte duidelijk dat hoger beroep mogelijk is via een advocaat binnen drie maanden na uitspraak.
Uitkomst: De vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot echtscheiding wegens onvoldoende bewijs van het huwelijk.