Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2374

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
LEE 25/185 (tussenuitspraak)
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 WaboArt. 8:51a AwbArt. 8:69a AwbArt. 8:80a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over omgevingsvergunning bowlingbaan en horeca in stadiongebouw Leeuwarden

Deze tussenuitspraak betreft de omgevingsvergunning voor het toestaan van een bowlingbaan met family entertainment center en bijbehorende horeca in het stadiongebouw aan het Stadionplein in Leeuwarden. Eiseres, exploitant van een concurrerend bowlingscentrum, betwist de vergunning en voert meerdere beroepsgronden aan.

De rechtbank stelt vast dat bowlen in dit bouwplan terecht als binnensport is aangemerkt, omdat het gericht is op fysieke en mentale prestaties met een competitief element. Dit betekent dat de bowlingbanen niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Wel oordeelt de rechtbank dat het college onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de aard en omvang van de horeca-activiteiten en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van ondergeschikte horeca. De aanvraagstukken bevatten onvoldoende informatie over de horeca, zoals bezoekersaantallen, activiteiten, en omzetverwachtingen.

Verder wijst de rechtbank erop dat het college niet hoefde te toetsen aan de exploitatievergunning voor speelautomaten, omdat deze vergunning reeds is verleend. Ook het betoog over het gelijkheidsbeginsel en het economisch uitvoerbaar zijn van het bouwplan worden verworpen. De rechtbank past de bestuurlijke lus toe en stelt het college in de gelegenheid de gebreken te herstellen door nadere informatie in te winnen en de motivering aan te vullen. De einduitspraak volgt na herstel van de gebreken.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat bowlen als binnensport is aangemerkt en niet in strijd is met het bestemmingsplan, maar heropent het onderzoek vanwege onvoldoende onderzoek en motivering over de horeca-activiteiten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/185

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaak tussen

De Grote Keizer B.V., uit Leeuwarden, eiseres

(gemachtigde: M.G. Velkers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, het college
(gemachtigden: mr. J.J. Hengst en K. Thoma).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
-
Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V., uit Heerenveen, de vergunninghouder
-
Bowling Leeuwarden B.V., uit Leeuwarden,
gezamenlijk: de derde-partijen
(gemachtigde van de derde-partijen: mr. A.M. Schmidt).

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het toestaan van een bowlingbaan met family entertainment center en bijbehorende horeca in het stadiongebouw aan het Stadionplein in Leeuwarden. Eiseres is het niet eens met die omgevingsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht en onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat in dit geval sprake is van ondergeschikte horeca
.Het onderzoek wordt heropend en het college krijgt de gelegenheid om die gebreken te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft op 14 mei 2024 de omgevingsvergunning voor het toestaan van een bowlingbaan met family entertainment center en bijbehorende horeca in het stadiongebouw aan het Stadionplein in Leeuwarden verleend. Met het bestreden besluit van 16 december 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij die vergunningverlening gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partijen hebben ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [persoon 1] namens eiseres, de gemachtigden van het college, de gemachtigde van de derde-partijen, [persoon 2] namens de vergunninghouder en [persoon 3] namens Bowling Leeuwarden B.V.

Beoordeling door de rechtbank

Wat zijn de relevante feiten en omstandigheden in deze zaak?
3. Bowling Leeuwarden B.V. exploiteert een deel van het pand Stadionplein 9 in Leeuwarden (het pand). Eiseres exploiteert een bowlingscentrum met horeca aan Kalverdijkje 76a in Leeuwarden.
4. Op grond van het bestemmingsplan “Leeuwarden Gebiedsontwikkeling WTC/Cambuur” (het bestemmingsplan) geldt voor het pand de bestemming ‘Cultuur en ontspanning – Stadiongebied’.
5. Op 30 november 2023 heeft de vergunninghouder namens Bowling Leeuwarden B.V. een aanvraag ingediend voor het vestigen van een bowlingbaan met family entertainment center en bijbehorende horeca in het pand. Ter onderbouwing van de aanvraag is de ‘Ruimtelijke onderbouwing Family entertainmentcenter (leisure) – Stadion Cambuur’ van Antea Group van 13 mei 2024 (de ruimtelijke onderbouwing) opgesteld.
6. Op 14 mei 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
7. Op 19 november 2024 heeft de Adviescommissie bezwaarschriften (de commissie) het college geadviseerd om het bezwaar van eiseres ongegrond te verklaren en de omgevingsvergunning in stand te laten met verbetering van de motivering.
8. In het bestreden besluit op bezwaar van 16 december 2024 heeft het college het advies van de commissie overgenomen en de motivering van de omgevingsvergunning aangepast.
Welk recht is van toepassing op deze zaak?
9. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
9.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 november 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor), zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.
10. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze tussenuitspraak.
Is eiseres belanghebbende bij de omgevingsvergunning?
10. De derde-partijen betogen dat eiseres geen belanghebbende is in deze zaak. Volgens die partijen opereren eiseres en Bowling Leeuwarden B.V. niet in hetzelfde marktsegment. Er kan bij beide partijen worden gebowld, maar dit bouwplan gaat ook over andere activiteiten zoals simulator-racen en glowgolf. Dat totaalaanbod richt zich dus op een andere doelgroep dan de doelgroep die eiseres bedient. Voor de activiteiten van de escaperooms, arcade en karaoke is eiseres geen concurrent omdat zij die activiteiten niet aanbiedt, aldus de derde-partijen. [1]
12. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat als uitgangspunt geldt dat een onderneming een concurrentiebelang heeft dat rechtsreeks bij een bestreden besluit is betrokken, als zij bedrijfsactiviteiten ontplooit in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment als waarin de bedrijfsactiviteiten van haar concurrent plaatsvinden. Van dat uitgangspunt kan alleen worden afgeweken als het uitgesloten is dat feitelijke gevolgen aanwezig zijn. [2]
12.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres belanghebbende is bij de omgevingsvergunning. Vaststaat dat eiseres en Bowling Leeuwarden B.V. in hetzelfde verzorgingsgebied werken. Verder ziet het bouwplan van Bowling Leeuwarden B.V. op het exploiteren van een bowlingcentrum als hoofdactiviteit. Ook eiseres heeft dat als hoofdactiviteit. Daarmee werken eiseres en Bowling Leeuwarden B.V. in hetzelfde marktsegment. Dat het bouwplan ook ziet op andere activiteiten, maakt dit niet anders. Verder is niet uitgesloten dat eiseres feitelijke gevolgen van de aanwezigheid van het bowlingscentrum van Bowling Leeuwarden B.V. zal ondervinden. Eiseres heeft dus een concurrentiebelang dat rechtstreeks bij de omgevingsvergunning is betrokken.
Heeft het college bowlen terecht aangemerkt als binnensport?
13. Eiseres betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de afwijken van het bestemmingsplan niet nodig is voor het bowlingcentrum in het pand. In de aanvraag, de ruimtelijke onderbouwing en de omgevingsvergunning staat niet dat de bowlingbaan in strijd zou zijn met de bestemming. Op eiseres komt het gekunsteld en gezocht over dat het college zich in het bestreden besluit op bezwaar op het standpunt stelt dat bowlen als ‘binnensport’ moet worden aangemerkt en dat de bowlingbanen in het bouwplan daarom niet in strijd zijn met de bestemming. In de toelichting bij het bestemmingsplan (de plantoelichting) is bowlen aangemerkt als ‘leisure’. Volgens eiseres is bowlen daarom aan te merken als vrijetijdsactiviteit en niet als binnensport. Ook in de ruimtelijke onderbouwing wordt bowlen ‘leisure’ genoemd en worden de bowlingbanen als leisure-zones aangeduid. Volgens eiseres heeft de commissie ten onrechte geconcludeerd dat bij bowlen sprake is van het element van het verbeteren door middel van training en wedstrijd. Verder geeft ook het Grootwoordenboek Van Dale aan dat bowlen een soort kegelspel is, waardoor die activiteit ook in het algemeen spraakgebruik moet worden aangemerkt als vrijetijdsactiviteit en niet als sport. Bowlen is in dit geval in strijd met de bestemming en in strijd met een goede ruimtelijke ordening omdat voor het pand geen leisure-bestemming geldt, aldus eiseres.
13.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres in dit geval ten onrechte spreekt over een leisure-centrum. Wat feitelijk wordt aangevraagd moet worden getoetst aan het bestemmingsplan. Volgens het college is de hoofdactiviteit van dit bouwplan een bowlingcentrum, met een ‘plusje’ in de vorm van ondergeschikte horeca en een onderdeel dat door de vergunninghouder als ‘leisure’ wordt benoemd. Een bowlingbaan zelf is niet in strijd met het bestemmingsplan, omdat binnen het bestemmingsvlak binnensport bij recht is toegestaan. Bowlen kent een competitief spelelement, waarvan de prestaties door middel van trainingen en wedstrijden kunnen worden verbeterd. Bowlen is een activiteit die zowel in recreatief als competitief verband kan worden uitgeoefend, aldus het college.
14. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bowlingbanen van dit bouwplan niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. In dit geval is sprake van binnensport. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
14.1.
Uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat het college moet beslissen op een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals die is ingediend. [3] Verder moeten planregels omwille van de rechtszekerheid letterlijk worden uitgelegd. De rechtszekerheid vereist namelijk dat van wat in het bestemmingsplan is bepaald, in beginsel moet worden uitgegaan. De niet bindende toelichting bij het bestemmingsplan heeft in zoverre betekenis dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven, als de bestemming en de bijbehorende planregels waaraan moet worden getoetst, op zichzelf noch in samenhang (systematiek) duidelijk zijn. Voor de betekenis van een begrip kan, bij gebrek aan aanknopingspunten in het bestemmingsplan en de plantoelichting, voor de wijze waarop een in het bestemmingsplan opgenomen begrip moet worden uitgelegd, aansluiting worden gezocht bij wat in het algemeen spraakgebruik daaronder wordt verstaan. Daarbij mag de betekenis zoals deze in het "Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal" (Van Dale) is gegeven, worden betrokken. [4]
14.2.
In artikel 6.1 van de regels van het bestemmingsplan (de planregels) staat dat de voor ‘Cultuur en ontspanning – Stadiongebied’ aangewezen gronden onder meer zijn bestemd voor binnensporten. De rechtbank stelt vast dat er in de regels van het bestemmingsplan geen definitie is opgenomen van het begrip ‘binnensport’. Ook zijn in de plantoelichting geen aanknopingspunten te vinden voor de wijze waarop dit begrip moet worden uitgelegd. In Van Dale wordt onder ‘binnensport’ verstaan: "in een overdekte ruimte beoefende sport". In Van Dale wordt onder ‘sport’ verstaan: “geheel van activiteiten die erop gericht zijn om fysieke en/of mentale prestaties d.m.v. training en wedstrijden te verbeteren”. De rechtbank acht deze omschrijvingen niet dermate algemeen dat deze in dit geval onbruikbaar zijn om te kunnen bepalen wat onder een binnensport wordt verstaan.
14.3.
De rechtbank overweegt dat uit de aanvraag in voldoende mate volgt dat de beoogde bowlingbanen in het pand erop zijn gericht om fysieke en/of mentale prestaties door middel van training en wedstrijden te verbeteren. Bowlen heeft een bepaald competitief element in zich, dat gericht is op het leveren van prestaties. Dit bouwplan voorziet onder meer in zestien bowlingbanen, die ook geschikt zijn voor de wedstrijdsport. Dat de bowlingbanen in de ruimtelijke onderbouwing als leisure / leisure ruimte zijn aangemerkt, maakt dit niet anders. Verder zijn partijen het erover eens dat bowlen in beginsel als sport kan worden beoefend. Op de zitting is dit namens eiseres bevestigd. De rechtbank begrijpt dat de beleving van bowlen mogelijk per deelnemersgroep kan verschillen. Maar die beleving is voor de ruimtelijke beoordeling van de bowlingactiviteit van ondergeschikt belang. Het college heeft de aangevraagde bowlingbanen terecht in dat ruimtelijk kader beoordeeld. Dat het college die beoordeling in de bezwaarfase aanvullend heeft gemotiveerd, leidt niet tot een ander oordeel gelet op de volledige heroverweging die in de bezwaarfase moet plaatsvinden.
15. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is in dit bouwplan sprake van ondergeschikte horeca?
15. Eiseres betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van ondergeschikte horeca. In de aanvraag en de ruimtelijke onderbouwing staat dat 40% van de vloeroppervlakte van het leisurecentrum voor horeca gaat worden gebruikt. Het leisuregedeelte neemt ongeveer 50% van de totale vloeroppervlakte in beslag en de overige ondersteunende ruimtes zijn 10% van de totale vloeroppervlakte. Volgens eiseres is die verdeling al een duidelijke indicatie dat de horeca niet ondergeschikt is. Dat de horeca zou zijn afgestemd op de leisure-activiteiten doet er volgen eiseres niet aan af dat leisure en horeca de hoofdfuncties van dit leisurecentrum zijn. Daar komt bij dat de toegangsdeur van het centrum uitkomt in het horecagedeelte. Het standpunt van het college dat het Horecabeleid Leeuwarden (het beleid) niet zou gelden, kan eiseres niet plaatsen. Dat beleid geldt voor de gehele gemeente. In dit geval is ondergeschikte horeca opgenomen in de planregels, waardoor de horeca in het plan moet voldoen aan de definitie. Volgens eiseres is de definitie niet echt helder en biedt de definitie van ondergeschikte horeca in artikel 2.3 van het beleid uitkomst. Ook geeft dat artikel eisen waaraan ondergeschikte horeca moet voldoen. Anders dan in de ruimtelijke onderbouwing is opgenomen, voldoet het onderhavige plan niet aan meerdere vereisten. Zo is de ingang van de horeca wel vanaf de openbare weg bereikbaar en voldoet het bouwplan niet aan het maximale percentage van 15% van de netto vloeroppervlakte van de inrichting waarin de hoofdfunctie wordt uitgeoefend tot een maximum van 150 m². Het horecagedeelte is 1.280 m², dus bijna tien keer zo groot als toegestaan. Daar komt bij dat op de website van dit center staat dat eten in het restaurant een zelfstandige activiteit is, aldus eiseres.
16.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat in dit geval sprake is van ondergeschikte horeca. Het bowlingcentrum is de hoofdfunctie van het bouwplan. Bij de beoordeling of de horeca planologisch passend is, wordt eerst naar de planregels gekeken. Niet naar het beleid. Volgens het college worden initiatieven uitsluitend aan het beleid getoetst als die initiatieven afwijken van het bestemmingsplan. Daar is in dit geval geen sprake van. Artikel 6a van de planregels staat ondergeschikte horeca behorende bij de hoofdfunctie bij recht toe. Voor de beoordeling of horeca ondergeschikt is, acht het college de horecavloeroppervlakte niet doorslaggevend. Waar het om gaat is dat de horeca ondersteunend moet zijn aan de functie die is toegestaan. Volgens het college is dat in dit geval zo, omdat de horeca niet zelfstandig functioneert, de horeca een gezamenlijke toegang heeft die uitkomt in een algemene ontvangstruimte, de horeca alleen gelijktijdig is geopend met de hoofdfunctie en de horeca een accommodatie biedt voorafgaand, tijdens en na het gebruik van de hoofdfunctie. Daarmee valt de bijbehorende horecafunctie binnen de bestemming en hoeft er op dit onderdeel geen afwijkingsbesluit te worden genomen, aldus het college.
17. De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de aard en omvang van de horeca-activiteiten in dit bouwplan. Ook heeft het college onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom in dit bouwplan sprake is van ondergeschikte horeca als bedoeld in de planregels. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
17.1.
Zoals hiervoor is benadrukt, moet het college beslissen op een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals die is ingediend. Hoe dit bouwplan in de praktijk feitelijk wordt uitgevoerd, is voor de ruimtelijke beoordeling van de aanvraag niet van belang. Dit laatste geldt dus ook voor wat op de website van Bowling Leeuwarden B.V. staat.
17.2.
In artikel 6.1 van de planregels staat dat de voor ‘Cultuur en ontspanning – Stadiongebied’ aangewezen gronden onder meer bestemd zijn voor ondergeschikte horeca met bijbehorende voorzieningen. In de planregels staat dat ondergeschikte horeca een niet-zelfstandige horecafunctie is, die ondergeschikt is aan en ten dienste staat van de hoofdfunctie die binnen de bestemming is toegestaan. De rechtbank acht die definitie voldoende duidelijk.
17.3.
De rechtbank overweegt dat uit de ruimtelijke onderbouwing niet volgt welke functie de horeca en het restaurant in het bouwplan precies krijgen. De enkele vermeldingen over hoeveel vloeroppervlak daaraan wordt besteed en dat de horeca is bedoeld en ingericht voor de bezoekers, zijn niet nader onderbouwd. Zo is niet gespecificeerd welke horeca-activiteiten worden beoogd, wat de omvang van die activiteiten is en hoe de voorgenomen horeca-activiteiten zich verhouden tot de hoofdfunctie van het bowlingcentrum met family entertainment center. Onduidelijk is wat de verwachte bezoekersaantallen per functie zullen zijn, hoeveel tijd bezoekers naar verwachting in het horecagedeelte zullen besteden en hoeveel omzet Bowling Leeuwarden B.V. per functie verwacht te draaien. De brief van 8 mei 2023, die hoort bij de aanvraag, bevat daarover ook geen informatie. In die brief staat dat beoogd wordt om steengrill-arrangementen in het horecagedeelte aan te bieden. Onduidelijk is echter wat de steengrill-arrangementen zullen inhouden. Ook is onduidelijk in welke mate die arrangementen plaatsvinden in combinatie met bowlen en/of andere activiteiten in het pand. Daarover ontbreken prognoses in de aanvraagstukken. De enkele stelling in de brief dat de combinatie van steengrillen en bowlen en/of een andere activiteit in Nederland al jaren een succesvolle formule is, zegt niets over of die combinatie ook in het pand wordt beoogd. Onduidelijk is wat de prognose van Bowling Leeuwarden B.V. is over hoeveel bezoekers van het pand naar verwachting van een dergelijke combinatie gebruik zullen maken. Op de zitting zijn die onduidelijkheden niet door Bowling Leeuwarden B.V. weggenomen. Dit temeer omdat onduidelijk is gebleven waarom het beoogde horecagedeelte van het pand een capaciteit van 180 zitplaatsen zal hebben. De enkele stelling dat er op piekmomenten voldoende plek moet zijn voor grote groepen, is daartoe onvoldoende. Er ontbreken immers prognoses van verwachte bezoekersaantallen per functie. In de besluitvorming heeft het college voor deze aspecten onvoldoende aandacht gehad. Daarom is op dit moment onduidelijk wat de ruimtelijke impact van het bouwplan precies zal zijn.
18. Deze beroepsgrond slaagt.
19. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen. De rechtbank legt vanaf overweging 28.1. uit welke gevolgen dit heeft.
Is een exploitatievergunning nodig voor dit plan?
20. Eiseres betoogt dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of voor dit plan een exploitatievergunning op grond van de Verordening Speelautomatenhallen Leeuwarden 2014 (de verordening) kan worden verleend voor de exploitatie van speelautomaten. Nu een exploitatievergunning ontbreekt is het bouwplan niet uitvoerbaar, aldus eiseres.
20.3.
Het college voert aan dat de aanvraag in dit geval niet voorziet in kansspelautomaten. Of voor de racesimulatoren of arcadespellen een exploitatievergunning vereist is, is volgens het college afhankelijk van de exacte aard van deze spellen. Dit vormt geen weigeringsgrond voor de aanvraag om een omgevingsvergunning. Het college acht het plan daarom niet bij voorbaat onuitvoerbaar.
21. De rechtbank volgt dit betoog van eiseres niet. Uit de aanvraagstukken volgt niet dat beoogd wordt spellen in het pand aan te bieden als bedoeld in de verordening. Het aanbieden van arcadespellen staat de uitvoerbaarheid van het bouwplan in ruimtelijke zin niet in de weg. Daar komt bij dat vaststaat dat op 17 april 2025 een exploitatievergunning voor een speelautomatenhal zonder kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen aan Bowling Leeuwarden B.V. is verleend.
22. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel?
23. Eiseres betoogt dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door wel vooroverleg te voeren met de vergunninghouder, maar niet met haar. In haar brief van 17 april 2024 heeft zij verzocht om vooroverleg naar aanleiding van haar plannen. Die plannen waren voldoende concreet en vormden voldoende aanleiding voor vooroverleg, aldus eiseres.
23.1.
Het college voert aan dat eiseres haar verzoek om vooroverleg nooit voldoende concreet heeft gemaakt. Na de brief van 17 april 2024 heeft eiseres geen conceptaanvraag ingediend. Onduidelijk is waarom het niet beantwoorden van die brief een weigeringsgrond zou vormen voor een onderhavige aanvraag, aldus het college.
24. De rechtbank volgt dit betoog van eiseres niet. Uit de gedingstukken volgt dat de vergunninghouder op 11 juli 2023 een principeverzoek voor het realiseren van het leisure centrum in het pand heeft ingediend bij het college. Dat verzoek is vervolgens ingetrokken omdat de aanvraag van 30 november 2023 was ingediend. Eiseres heeft geen aanvraag voor haar plannen bij het college ingediend. De door eiseres beschreven situatie is daarom niet vergelijkbaar met het onderhavige geval.
24. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het bouwplan economisch uitvoerbaar en niet strijdig met een goed ondernemersklimaat?
26. Eiseres betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met deze omgevingsvergunning van een inbreuk op een goed ondernemersklimaat geen sprake is. Het gaat hier om een stadionlocatie waar leisure niet is toegestaan. Binnen die kaders dient dan ook een oordeel te worden gevormd. Dat elders leisure wel is toegestaan, maakt dit niet anders. Elders is een leisure-bestemming gecreëerd voor een grootschalig leisurecentrum, maar daarvoor is geen animo. Ondernemers binnen de gemeente hadden dit ook al voorzien. Verder betoogt eiseres dat de exploitatie van het bouwplan niet rendabel te maken is vanwege de hoge huurprijzen. De prijzen voor de consumenten voor de aangeboden leisure-activiteiten binnen het bouwplan zullen dermate hoog moeten zijn dat het aantal klanten laag zal zijn. Dit leisurecentrum zal op zeer korte termijn failliet gaan, aldus eiseres.
26.1.
Het college voert aan dat in het bestemmingsplan al uitvoerig is beschouwd dat de ruimtelijke effecten van binnensportactiviteiten met ondergeschikte horecafunctie niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is onherroepelijk. Het college kan alleen de onderdelen beschouwen die in strijd zijn met de planregels. Dat is in dit geval gebeurd. Verder voert het college aan dat in een aanvraag om een omgevingsvergunning dient te worden beschouwd of een plan economisch uitvoerbaar is voor de gemeente. Daarbij is niet van belang of de exploitatie de vastgestelde huurprijs kan dragen. Volgens het college loopt het college geen financiële risico’s. Er hoeven geen afspraken te worden gemaakt over de aanleg van publieke infrastructuur. De exploitatie is voor risico van de aanvrager. Het college acht het plan daarmee economisch uitvoerbaar.
27. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met dit betoog geen beroep doet op regels die strekken tot bescherming van haar belangen als concurrent. Het betoog van eiseres ziet enerzijds op belangen van andere ondernemers in de gemeente gemoeid met het benutten van locaties met leisure-bestemmingen. Anderzijds ziet haar betoog op het belang van Bowling Leeuwarden B.V. en haar klanten om langere tijd het pand te kunnen benutten voor het bouwplan. Eiseres heeft daarentegen een eigen belang als exploitant van een concurrerend bowlingcentrum. Gelet hierop staat artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg dat deze beroepsgrond over de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan en het goed ondernemersklimaat kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom zal de rechtbank deze beroepsgrond niet inhoudelijk bespreken.
Waarom past de rechtbank de bestuurlijke lus toe?
28. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. Indien het college van deze mogelijkheid gebruik maakt, beoordeelt de rechtbank daarna in een einduitspraak of het in deze tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld.
28.1.
De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen de onderzoeks- en motiveringsgebreken te herstellen, zoals die hiervoor in overweging 17.3. zijn benoemd. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende schriftelijke motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het bestreden besluit op bezwaar van 16 december 2024. Om de gebreken te herstellen moet het college nadere informatie bij de vergunninghouder en Bowling Leeuwarden B.V. inwinnen over de beoogde horeca-activiteiten in het pand en daarna nader motiveren welke afweging daarover wordt gemaakt.
28.2.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
29. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na deze tussenuitspraak, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank daarna zonder tweede zitting einduitspraak doen op het beroep.

Conclusie en gevolgen

30. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- heropent het onderzoek;
- draagt het college op om binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen
of het college gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van
deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de
overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van
mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze tussenuitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze tussenuitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.
Artikel 8:69a
De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3° in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
b. indien de activiteit in strijd is met het exploitatieplan: met toepassing van de daarin opgenomen regels inzake afwijking;
c. indien de activiteit in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening: voor zover de betrokken regels afwijking daarvan toestaan;
d. indien de activiteit in strijd is met een voorbereidingsbesluit: met toepassing van de in het voorbereidingsbesluit opgenomen regels inzake afwijking.
Besluit omgevingsrecht (Bor)Bijlage II
Artikel 4
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
[…]
9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.
“Leeuwarden Gebiedsontwikkeling WTC/Cambuur” (het bestemmingsplan)
Artikel 1 Begrippen Pro
In deze regels wordt verstaan onder:
[…]
1.41 horecabedrijven categorie 1
een horecabedrijf dat is gericht op het verstrekken van dranken en etenswaren aan bezoekers, zoals ijssalons, croissanterieën, lunch- en tearooms en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen horecabedrijven;
[…]
1.51 leisure
een vorm van inpandig dagrecreatie zoals: een klimhal, behendigheids- en kermisautomaten geen gokautomaten ten behoeve van kansspelen zijnde, een bioscoop, sport- en recreatievoorzieningen dan wel daarmee gelijk te stellen voorzieningen evenals voor ondergeschikte horeca ten dienste van deze voorzieningen;
[…]
1.6
ondergeschikte horeca
een niet-zelfstandige horecafunctie, die ondergeschikt is aan en ten dienste staat van de hoofdfunctie, die binnen de bestemming is toegestaan.
Artikel 6 Cultuur Pro en ontspanning - Stadiongebied
6.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Cultuur en ontspanning - Stadiongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. gebouwen ten behoeve van:
1. een voetbalstadion, in combinatie met kleedruimte(s), gebouwen voor onderhoud en beheer en/of kantines;
2. ondergeschikte activiteiten zoals genoemd in Bijlage 1 Ondergeschikt gebruik binnen de bestemming Cultuur en ontspanning - Stadiongebied bij deze regels;
3. binnensporten zoals fitness;
4. maatschappelijke voorzieningen;
5. detailhandel, niet zijnde supermarkten, in de vorm van niet-dagelijkse detailhandel en/of overige dagelijkse detailhandel;
6. dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen;
7. bedrijvigheid in de vorm van opslag;
8. horecabedrijven categorie 1;
9. kantoren ten behoeve van de functies genoemd onder 1 en 3 tot en met 8,
met de daarbij behorende:
b. horecaterrassen;
c. ondergeschikte horeca met bijbehorende voorzieningen;
d. erven en terreinen;
e. wegen, straten en paden;
f. groenvoorzieningen;
g. sloten, bermen, beplanting;
h. waterlopen en waterpartijen;
i. parkeervoorzieningen;
j. speelvoorzieningen;
k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
6.2
Bouwregels
6.2.1
Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
de gebouwen zullen binnen een bouwvlak worden gebouwd;
de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduiding
'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;
de gezamenlijke bruto vloeroppervlakte ten behoeve van detailhandel, geen
supermarkten zijnde, in de vorm van niet-dagelijkse detailhandel zal ten hoogste 4.026 m² bedragen met dien verstande dat het bruto vloeroppervlak per detailhandelsvestiging niet minder mag bedragen dan 981 m2;
de gezamenlijke bruto vloeroppervlakte ten behoeve van detailhandel, geen
supermarkten zijnde, in de vorm van overige dagelijkse detailhandel zal ten hoogste
974 m² bedragen;
de gezamenlijke bruto vloeroppervlakte van gebouwen ten behoeve
van horecabedrijven categorie 1 zal ten hoogste 247 m² bedragen.
6.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
de bouwhoogte van lichtmasten zal ten hoogste 20 m bedragen;
het aantal lichtmasten ten behoeve van veldverlichting inclusief de daarbij behorende reclame-uitingen zal ten hoogste 4 bedragen;
in afwijking van het bepaalde in lid 6.2.2. sub a zal de bouwhoogte van lichtmasten ten behoeve van veldverlichting inclusief de daarbij behorende reclame-uitingen ten hoogste 38 m bedragen;
e oppervlakte van reclame-uitingen in lichtmasten ten behoeve van veldverlichting zal per mast ten hoogste 80 m2 bedragen;
de bouwhoogte van vlaggenmasten zal ten hoogste 10 m bedragen;
het aantal vlaggenmasten binnen het plangebied bedraagt ten hoogste 8;
de plaats van vlaggenmasten is beperkt tot een zone van 15 m rond het voetbalstadion;
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2 m bedragen;
de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 10 m bedragen.
6.3
Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:
het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, geen supermarkten zijnde, in de vorm van niet-dagelijkse detailhandel tot een gezamenlijk bruto vloeroppervlak van meer dan 4.026 m² met dien verstande dat het bruto vloeroppervlak per detailhandelsvestiging niet minder mag bedragen dan 981 m2;
het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, geen supermarkten zijnde, in de vorm van overige dagelijkse detailhandel tot een gezamenlijk bruto vloeroppervlak van meer dan 974 m²;
het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van horecabedrijven categorie 1 met een bruto vloeroppervlak van meer dan 247 m2;
het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van ondergeschikte activiteiten anders dan de genoemde ondergeschikte activiteiten zoals genoemd in Bijlage 1 bij deze regels;
het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een voetbalstadion als bedoeld in artikel 6, lid 6.1, onder a1 wanneer dat leidt tot lichthinder voor woningen;
het gebruik van een voetbalstadion, in combinatie met kleedruimte(s), gebouwen voor onderhoud en beheer en/of kantines met meer dan 15.000 bezoekersplaatsen;
het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van niet-dagelijkse detailhandel als het gebruik in de vorm van niet-dagelijkse detailhandel ter plaatse van de bestemming 'Wonen - Uit te werken' niet definitief is beëindigd;
et gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het voetbalstadion indien op gronden ter plaatse van de aanduiding "overige zone - overloop parkeren" niet ten minste 500 parkeerplaatsen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden.

Voetnoten

1.De derde-partijen verwijzen in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:741.
2.Zie de uitspraken van de ABRvS van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:518, en de hiervoor genoemde uitspraak van 26 februari 2025.
3.Zie onder meer de uitspraak van de ABRvS van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4559
4.Zie onder meer de uitspraak van de ABRvS van 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2401.