ECLI:NL:RBNNE:2026:2395

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
12108513 \ AR VERZ 26-17
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 lid 1 BWArt. 7:678 lid 1 BWArt. 166 lid 2 RvArt. 284 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens vermeend drugsdealen op de werkvloer in slagerij

In deze zaak is [verzoekster] op 22 december 2025 op staande voet ontslagen door [verweerders], exploitant van een slagerij, wegens het vermeende verhandelen van drugs op de werkvloer op 19 december 2025. Het ontslag is gebaseerd op een samengestelde dringende reden, waaronder ook eerdere gedragingen zoals telefoongebruik en het zonder overleg gebruiken van de bedrijfsauto tijdens ziekte.

De kantonrechter beoordeelt dat het ontslag onverwijld is gegeven, aangezien de werkgever na constatering van het vermeende dealen op 19 december 2025 in het daaropvolgende weekend advies heeft ingewonnen en op 22 december 2025 het ontslag heeft uitgesproken. De eerdere gedragingen zijn onvoldoende zwaarwegend om zelfstandig tot ontslag op staande voet te leiden.

Er bestaat discussie over de feitelijke plaats van de drugsverkoop op 19 december 2025. [Verweerders] stelt dat dit op de werkvloer was, onderbouwd met camerabeelden en verklaringen van getuigen, waaronder [naam] en [medewerkster]. [Verzoekster] betwist dit en stelt dat de verkoop buiten de werkvloer bij een supermarkt plaatsvond. De kantonrechter acht het bewijs op dit moment onvoldoende om vast te stellen dat het dealen op de werkvloer heeft plaatsgevonden en staat [verweerders] toe bewijs te leveren.

De beslissing is aangehouden totdat het bewijs is geleverd. Indien [verweerders] slaagt in de bewijsopdracht, wordt het ontslag als rechtsgeldig beschouwd en worden de vorderingen van [verzoekster] afgewezen. Het getuigenverhoor is gepland en verdere procedurele afspraken zijn gemaakt.

Uitkomst: Bewijslevering over het vermeende drugsdealen op de werkvloer wordt toegestaan en verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer / rekestnummer: 12108513 \ AR VERZ 26-17
Beschikking van 17 juni 2026
in de zaak van
[verzoekster],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. D.J. Bomhof,
tegen
de vennootschap onder firma
1.
[verweerder sub 1],
te [vestigingsplaats] ,
en haar vennoten:
2.
[verweerder sub 2],
te [woonplaats] ,
3.
[verweerder sub 3],
te [woonplaats] ,
verwerende partijen,
verzoekende partijen in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna samen te noemen: [verweerders] ,
gemachtigde: mr. A. Woertman.
De zaak in het kort
[verzoekster] is op staande voet ontslagen wegens het vermeende verhandelen van drugs in de slagerij van [verweerders] . [verweerders] wordt toegelaten tot bewijs van de gestelde dringende reden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift, tevens houdende een tegenverzoek alsmede een voorwaardelijk tegenverzoek
- een aanvullende productie van de zijde van [verzoekster]
- de mondelinge behandeling van 15 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verweerders] exploiteert een slagerij.
2.2.
[verzoekster] , geboren [geboortedatum] 1994, is op 1 oktober 2020 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van [verweerders] . [verzoekster] was laatstelijk werkzaam als verkoopster met een salaris van € 2.434,10 bruto per vier weken exclusief emolumenten.
2.3.
Op 22 december 2025 is [verzoekster] op staande voet ontslagen. De heer [verweerder sub 2] (verweerder sub 2) heeft [verzoekster] die dag voor aanvang van haar werkzaamheden apart genomen en haar medegedeeld dat er was geconstateerd dat zij op 19 december 2025 drugs had verkocht op de werkvloer. [verweerders] heeft [verzoekster] vervolgens een ontslagbrief overhandigd, waarin – voor zover hier van belang – het volgende is opgenomen:
Hiermee geven wij aan dat wij de arbeidsovereenkomst met jou per direct opzeggen. Wij verlenen jou zodoende ontslag op staande voet met ingang van 22 december 2025. Hieraan ligt het volgende ten grondslag.
Op 19 december 2025 is er geconstateerd dat er door jou op de werkvloer is gedeald. Dit is ontoelaatbaar. Sinds januari 2025 hebben wij al een aantal dingen met jou besproken.:
- Het zij niet meer de telefoon op de werkvloer.
- Geen werkkleding dragen als jij naar buiten gaat en voor de winkel staat te roken, hier zijn ook een aantal klachten van geweest door klanten.
- Daarnaast maak je de laatste tijd veel fouten qua bestellingen (je bent minder scherp als eerst).
- Gebruik van de bedrijfsauto was altijd in overleg waar je ook maar heen wou, maar nu ga je ongevraagd naar Utrecht om een eigen auto terwijl jij in de ziektewet zit.
Aantal punten die hier boven staan.
Hierover is tussen ons diverse keren overleg geweest.
Deze redenen vormen elk afzonderlijk maar ook in samenhang een dringende reden voor dit ontslag op staande voet.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter primair om een billijke vergoeding toe te kennen en verzoekt om [verweerders] te veroordelen tot betaling van gefixeerde schadevergoeding, de transitievergoeding, buitengerechtelijke kosten en de kosten van deze procedure.
3.2.
[verweerders] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verweerders] heeft een tegenverzoek gedaan. [verweerders] verzoekt voor recht te verklaren dat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en veroordeling van [verzoekster] tot betaling van gefixeerde schadevergoeding. [verweerders] heeft daarnaast een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond of g-grond.
3.3.
[verzoekster] voert verweer tegen het (voorwaardelijk) tegenverzoek en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [verweerders] , althans tot afwijzing van de verzoeken, met veroordeling van [verweerders] in de kosten van de procedure.

4.De beoordeling van het verzoek

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.
4.2.
Op grond van artikel 7:677 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) moet een ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven, met gelijktijdige mededeling van de dringende reden voor dat ontslag. Als dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW Pro worden op grond van het bepaalde in artikel 7:678 lid 1 BW Pro beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet zou hebben.
4.3.
Als de op staande voet ontslagen werknemer – zoals in dit geval – de dringende reden betwist, is het aan de werkgever om te stellen en te bewijzen dat de dringende reden op het moment van het ontslag op staande voet aanwezig was. [1]
Het ontslag op staande voet is onverwijld gegeven
4.4.
[verzoekster] stelt dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Zij wijst erop dat de ontslagbrief is gedateerd zaterdag 20 december 2025, terwijl zij op maandag 22 december op staande voet is ontslagen. Volgens [verzoekster] had zij toen de brief was geschreven een mededeling moeten ontvangen. Ook wijst [verzoekster] erop dat zij op maandag 22 december 2025, voordat zij op staande voet werd ontslagen, gewoon op de werkvloer is toegelaten. Volgens [verweerders] is het ontslag op staande voet onverwijld gegeven. [verweerders] heeft aangevoerd dat zij op vrijdag 19 december 2025 op de hoogte is geraakt van de verkoop van drugs door [verzoekster] op de werkvloer, zij in het daaropvolgende weekend overleg heeft gehad met haar accountant over de kwestie en zij [verzoekster] op maandagochtend 22 december 2026 voor aanvang van haar werkzaamheden apart genomen heeft genomen en op staande voet heeft ontslagen.
4.5.
De kantontonrechter overweegt dat [verweerders] aan het ontslag op staande voet een samengestelde dringende reden ten grondslag heeft gelegd. Bij de beoordeling van de onverwijldheid van een ontslag op staande voet op basis van een samengestelde dringende reden, zal de rechter moeten onderzoeken of ten aanzien van dat samenstel voldoende voortvarend is gehandeld. [2] Bepalend is daarom op welk moment het vermoeden van die samengestelde dringende reden is ontstaan en wanneer deze voor de werkgever voldoende is komen vast te staan. De al eerder dan in december 2025 met [verzoekster] besproken gedragingen waren [verweerders] weliswaar al bekend, maar hebben kennelijk niet eerder aanleiding gevormd voor beëindiging van het dienstverband. Pas nadat op 19 december 2025 volgens [verweerders] was geconstateerd dat [verzoekster] op de werkvloer drugs had verkocht, heeft [verweerders] aanleiding gezien de eerdere gedragingen in onderlinge samenhang te bezien en tot ontslag op staande voet over te gaan. Daarmee moet worden aangenomen dat de aan het ontslag ten grondslag gelegde combinatie van omstandigheden eerst op 19 december 2025 voldoende gestalte heeft gekregen. Vaststaat dat [verweerders] vervolgens in het daaropvolgende weekend advies heeft ingewonnen over de ontstane situatie en [verzoekster] op de eerstvolgende werkdag, te weten maandag 22 december 2025, voor aanvang van haar werkzaamheden op staande voet heeft ontslagen. Gelet op het beperkte tijdsverloop en de aan werkgever toekomende ruimte voor beraad en het inwinnen van advies, heeft [verweerders] naar het oordeel van de kantonrechter voldoende voortvarend gehandeld en is het ontslag op staande voet onverwijld gegeven.
[verweerders] wordt toegelaten tot bewijs van de gestelde dringende reden
4.6.
[verweerders] heeft aan het ontslag op staande voet mede tegen grondslag gelegd dat [verzoekster] zich schuldig heeft gemaakt aan telefoongebruik op de werkvloer, het in werkkleding roken buiten voor de winkel, het maken van fouten bij bestellingen en het zonder overleg gebruiken van de bedrijfsauto terwijl zij zich ziek had gemeld. Naar het oordeel van de kantonrechter kunnen deze gedragingen in de gegeven omstandigheden het ontslag op staande voet niet dragen. Vaststaat dat deze gestelde gedragingen – die door [verzoekster] worden betwist – al geruime tijd bij [verweerders] bekend waren. In de ontslagbrief heeft [verweerders] aangegeven dat deze gedragingen sinds januari 2025 met [verzoekster] zijn besproken. Verder heeft [verweerders] verklaard dat het zonder overleg gebruik maken van de bedrijfsauto tijdens ziekte op 29 november 2025 heeft plaatsgevonden. Volgens [verzoekster] heeft zij in januari 2025 een gemoedelijk gesprek gehad met [verweerders] , waarin is aangegeven dat [verweerders] zeer tevreden met haar was en waarbij nog een aantal kleine punten is benoemd.
4.7.
De kantonrechter overweegt dat in ieder geval niet door [verweerders] is gesteld dat hij aan de vermeende gedragingen destijds arbeidsrechtelijke consequenties heeft verbonden of [verzoekster] heeft gewaarschuwd dat herhaling of het voortbestaan van deze gedragingen tot beëindiging van het dienstverband zou kunnen leiden. Onder die omstandigheden mocht [verzoekster] er in beginsel op vertrouwen dat [verweerders] deze gedragingen, hoewel kennelijk onwenselijk geacht, niet als zodanig ernstig beschouwde dat deze nog aan een ontslag op staande voet ten grondslag zouden worden gelegd. Dat betekent dat deze eerdere verwijten – nog los van de vraag of ze voldoende zijn komen vast te staan – naar het oordeel van de kantonrechter, zowel zelfstandig als in samenhang, onvoldoende dragend zijn voor een ontslag op staande voet. De kantonrechter zal het ontslag op staande voet daarom verder beoordelen aan de hand van de stelling van [verweerders] dat [verzoekster] op 19 december 2025 op de werkvloer heeft gedeald.
4.8.
Partijen verschillen van mening over de feitelijke gang van zaken op 19 december 2025. [verweerders] stelt dat [verzoekster] die dag op de werkvloer drugs heeft verkocht aan de heer [naam] (hierna: [naam] ). [naam] was op dat moment niet in loondienst bij [verweerders] , maar hielp wel af en toe in de winkel. [verzoekster] heeft erkend dat zij op 19 december 2025 drugs heeft verkocht aan [naam] , maar zij heeft betwist dat dit op de werkvloer heeft plaatsgevonden. [verzoekster] heeft verklaard dat zij die dag om ongeveer 7.30 uur bij de Jumbo supermarkt in Leeuwarden (en dus niet op de werkvloer) drugs aan [naam] heeft verkocht. Het betrof volgens [verzoekster] ongeveer 1 gram cocaïne in een envelop, waarvoor [naam] € 50,00 aan haar heeft betaald.
4.9.
[verweerders] heeft ter onderbouwing van haar stelling camerabeelden overgelegd van 19 december 2025. Het betreffen twee verschillende camerabeelden van hetzelfde moment, die beide niet erg duidelijk zijn. Op de camerabeelden is te zien dat een vrouw ( [verzoekster] ) naar achteren in de slagerij loopt. Er is niet te zien wat zij daar doet. Onder in beeld verschijnt een andere vrouw die werkzaamheden verricht. Vervolgens verschijnt er een man ( [naam] ) in beeld die ook naar achteren loopt. Hij pakt daar iets en steekt het in zijn broekzak. Daarna loopt hij terug naar voren, maar keert dan toch weer om en loopt weer naar achteren. Enkele seconden daarna loopt hij weer naar voren. De kantonrechter overweegt dat op basis van voornoemde camerabeelden op zichzelf niet kan worden vastgesteld dat [verzoekster] op de werkvloer heeft gedeald. De camerabeelden moeten daarom worden bezien in samenhang met de nadere onderbouwing van [verweerders] en de verklaringen van partijen.
4.10.
[verweerders] heeft haar stelling nader onderbouwd met verklaringen van [naam] en van een andere medewerkster, mevrouw [medewerkster] (hierna: [medewerkster] ). [naam] heeft schriftelijk verklaard dat hij op 19 december 2025 envelopjes met cocaïne van [verzoekster] heeft gekocht in de slagerij van [verweerders] . Ten behoeve hiervan had hij [verzoekster] een WhatsAppbericht gestuurd, waarin hij vroeg om ‘kippenpoten’, wat het codewoord van [verzoekster] en hem was. [naam] heeft verder verklaard dat hij zichzelf heeft gezien en herkend op de camerabeelden van 19 december 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam] deze verklaring als informant bevestigd. Ook heeft hij nader verklaard dat hij twee envelopjes met cocaïne uit de tas van [verzoekster] heeft gepakt en € 100,00 in haar tas heeft teruggestopt. Na aanvankelijk te hebben verklaard dat de tas van [verzoekster] op een tafel stond, heeft [naam] vervolgens aangegeven zich te hebben vergist en dat de tas aan de kapstok hing. Volgens [naam] had [verzoekster] hem verteld dat de cocaïne in haar tas zat. [naam] heeft ook (als informant) verklaard dat hij eerder wel eens drugs van [verzoekster] heeft gekocht bij de Jumbo supermarkt in Leeuwarden, maar dat hij zeker weet dat hij op 19 december 2025 de drugs in de slagerij van [verweerders] van [verzoekster] heeft gekocht. [naam] heeft naar eigen zeggen de WhatsAppberichten tussen [verzoekster] en hem over de verkoop van drugs verwijderd.
4.11.
[medewerkster] heeft schriftelijk verklaard dat zij wist dat [verzoekster] drugs verkocht en ook dat dit aan [naam] onder plaatsvond. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [medewerkster] deze verklaring als informant bevestigd. Ook heeft zij nader verklaard dat zij op 19 december 2025 niet heeft gezien dat er drugs gedeald is. Wel heeft zij het naar eigen zeggen op andere momenten met [verzoekster] over drugs dealen gehad.
4.12.
Tot slot heeft [verweerders] ter onderbouwing nog aangegeven dat de eerste reactie van [verzoekster] nadat zij op staande voet was ontslagen was: “Stom stom stom. Dat had ik hier nooit moeten doen.” [verzoekster] gaf (daarmee) volgens [verweerders] toe dat ze drugs in de slagerij had verkocht.
4.13.
[verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de verklaring van [naam] onjuist is. Zij is erbij gebleven dat ze op 19 december 2025 (na daartoe via WhatsApp een afspraak te hebben gemaakt) in de ochtend drugs aan [naam] heeft verkocht bij de Jumbo supermarkt in Leeuwarden en dus niet op de werkvloer. [verzoekster] heeft de WhatsAppberichten waarin ze die afspraak met [naam] had gemaakt naar eigen zeggen verwijderd. [verzoekster] heeft aangegeven dat zij zich schaamde en zich betrapt voelde toen zij op 22 december 2025 op staande voet werd ontslagen, maar ze heeft betwist dat zij zou hebben erkend dat ze [naam] op de werkvloer drugs had verkocht.
4.14.
Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [verzoekster] staat op dit moment (nog) niet vast dat [verzoekster] op 19 december 2025 op de werkvloer heeft gedeald. De bewijslast van het bestaan van een dringende reden voor het gegeven ontslag op staande voet rust op [verweerders] , zodat zij overeenkomstig haar bewijsaanbod wordt toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [verzoekster] op 19 december 2025 op de werkvloer drugs heeft verhandeld. De kantonrechter acht het daarbij zinvol dat [naam] als getuige wordt gehoord. Daarbij wordt verwezen naar artikel 166 lid 2 juncto Pro artikel 284 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
4.15.
Als [verweerders] slaagt in de hierboven gegeven bewijsopdracht, is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van een geldig ontslag op staande voet en komen de verzoeken van [verzoekster] niet voor toewijzing in aanmerking. Dealen op de werkvloer levert naar het oordeel van de kantonrechter een dringende reden op voor ontslag op staande voet. Het verhandelen van drugs op de werkvloer is een ernstig feit en het moet [verzoekster] volstrekt duidelijk zijn geweest dat dergelijk gedrag niet door [verweerders] wordt getolereerd. Daarnaast is het een strafbaar feit, waarbij [verweerders] onweersproken heeft gesteld dat dit tot sluiting van de slagerij zou kunnen leiden. Indien [verweerders] er niet in slaagt het bewijs te leveren, kan er niet van dealen op de werkvloer worden uitgegaan, waardoor het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en de daarbij behorende verzoeken van [verzoekster] aan de orde komen.
4.16.
[verweerders] wordt in de gelegenheid gesteld om uiterlijk
woensdag 15 juli 2026zich schriftelijk uit te laten over de wijze waarop zij invulling wenst te geven aan de gegeven bewijsopdracht.
4.17.
In afwachting van de uitkomst van de bewijsopdracht wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

5.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
5.1.
laat [verweerders] toe tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [verzoekster] op 19 december 2025 in drugs heeft gedeald op de werkvloer,
5.2.
bepaalt dat [verweerders] zich uiterlijk
woensdag 15 juli 2026dient uit te laten over de wijze waarop zij bewijs wil leveren: door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.3.
bepaalt dat, als [verweerders]
getuigenwil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
juli,
augustus en september 2026dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.4.
bepaalt dat
de heer [naam]als getuige wordt gehoord en dat [verweerders] zorg moet dragen voor oproeping van deze getuige,
5.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. R. Giltay, in het gerechtsgebouw te Leeuwarden, Zaailand 102,
5.6.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan,
op het (voorwaardelijk) tegenverzoek
5.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. R. Giltay en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
54374

Voetnoten

1.Hoge Raad 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:55.
2.HR 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1668.