Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2408

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
18.384520.24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 241 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 342 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gekwalificeerde opzetaanranding met gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 31 augustus 2024 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetaanranding van het slachtoffer te Groningen. Verdachte verrichtte seksuele handelingen terwijl hij wist dat het slachtoffer daartoe niet instemde, en gebruikte daarbij dwang en geweld, waaronder het trekken aan haren, slaan en het vasthouden van het slachtoffer met de arm om de nek.

De rechtbank baseerde haar oordeel op de verklaring van het slachtoffer, de 112-melding, verklaringen van verbalisanten en het verhoor van verdachte. Hoewel verdachte ontkende de opzetaanranding, erkende hij wel het fysieke contact en het duwen van het slachtoffer. De rechtbank achtte de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar en voldoende gesteund door andere bewijsmiddelen.

De rechtbank oordeelde dat verdachte opzettelijk de wil van het slachtoffer negeerde en dwang en geweld toepaste. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De straf houdt rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat hij een first offender is.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf waarvan 2 maanden voorwaardelijk wegens gekwalificeerde opzetaanranding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.384520.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 05 juni 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. Dussel, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Broerse.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te Groningen, in elk geval in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] ,
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
  • het wrijven en/of rijden tegen het lichaam van [slachtoffer] met een stijf geslachtsdeel, en/of
  • het zoenen van [slachtoffer]
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak,
en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
  • [slachtoffer] vast te pakken, en/of
  • aan de haren van [slachtoffer] te trekken, en/of
  • het slaan van [slachtoffer] met de vlakke hand, en/of
  • [slachtoffer] op de grond te duwen en/of daarbij zijn arm om de nek van [slachtoffer] te klemmen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te Groningen, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door
  • [slachtoffer] vast te pakken, en/of
  • aan de haren van [slachtoffer] te trekken, en/of
  • het slaan van [slachtoffer] met de vlakke hand, en/of
  • [slachtoffer] op de grond te duwen en/of daarbij zijn arm om de nek van [slachtoffer] te klemmen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem primair ten laste is gelegd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er zich onvoldoende wettig bewijs in het dossier bevindt om tot een bewezenverklaring hiervan te kunnen komen, nu er zich voor de hieromtrent door [slachtoffer] afgelegde verklaring geen steunbewijs in het dossier bevindt en verdachte dit heeft ontkend. Ten aanzien van hetgeen verdachte subsidiair ten laste is gelegd heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is om te komen tot een bewezenverklaring voor het haren trekken en het slaan met de vlakke hand.
Oordeel van de rechtbank
Voordat de rechtbank aan de beoordeling van het feit toekomt, wil zij benoemen dat [slachtoffer] in transitie is en heeft aangegeven zich niet als mannelijk of vrouwelijk persoon te zien, maar gewoon als [slachtoffer] . De rechtbank zal daarom zoveel mogelijk de voornaam [slachtoffer] gebruiken en geen gebruik maken van genderspecifieke (verwijs)woorden, tenzij het citeren uit de bewijsmiddelen daartoe noopt.

Bewijsoverwegingen

Ten laste is gelegd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zedenfeit. De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken zich regelmatig de situatie voordoet er slechts twee personen aanwezig waren bij de tenlastegelegde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader.
Dat er tussen verdachte en [slachtoffer] enig fysiek contact (zoenen) heeft plaatsgevonden staat gelet op de verklaring van verdachte niet ter discussie. Dat dit fysieke contact initieel met instemming was wordt door [slachtoffer] bevestigd. In deze zaak ontkent verdachte verdere seksuele handelingen te hebben verricht. Ten aanzien van de geweldshandelingen erkent verdachte slechts [slachtoffer] aan diens trui te hebben getrokken, geduwd te hebben en ten val te hebben gebracht. Verdachte betwist aldus de (gekwalificeerde) opzetaanranding.
Juridisch kader
In artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat de rechter het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend kan baseren op basis van één bewijsmiddel, zoals de verklaring van het vermeende slachtoffer. Ook als die getuigenverklaring betrouwbaar wordt geacht, is dat onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De feiten en omstandigheden waarover de getuige heeft verklaard, mogen niet op zichzelf staan en dienen voldoende steun te vinden in ander bewijsmateriaal. Het verband tussen de getuigenverklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag niet te ver verwijderd zijn. Die ondersteuning hoeft niet te gelden voor alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat in elk geval een deel van de feiten en omstandigheden die in de aangifte worden genoemd, ondersteuning vinden in één of meer andere bewijsmiddelen. Dit is een belangrijke waarborg voor de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing.
Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer] en steunbewijs
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verklaring van [slachtoffer] voldoende betrouwbaar is en of de aangifte voldoende steun vindt in de in andere verklaringen weergegeven feiten en omstandigheden.
Allereerst heeft [slachtoffer] in diens aangifte (gedaan op 31 augustus 2024 om 9.30 uur) gedetailleerd verklaard over datgene wat is gebeurd. Enkele uren daarvoor (eveneens op 31 augustus 2024) heeft [slachtoffer] ten overstaan van twee verbalisanten in hoofdlijnen eenzelfde verhaal gedaan. Dat maakt de verklaring van [slachtoffer] consistent. Hoewel [slachtoffer] uiteenlopend heeft verklaard over de eerste ontmoeting met verdachte, is de kern van verklaring gelijkluidend. De rechtbank acht de geconstateerde discrepantie daarom onvoldoende om de verklaring van [slachtoffer] niet geloofwaardig te achten. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] .
Vervolgens moet worden beoordeeld of het dossier voldoende steunbewijs bevat ten aanzien van de seksuele handelingen door verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun in de hieronder opgenomen bewijsmiddelen. De uitwerking van de 112-melding levert op onderdelen steunbewijs op voor de dwang c.q. het geweld dat gepaard ging met de aanranding. In het gevoerde telefoongesprek, dat startte terwijl het ten laste gelegde nog gaande was, is de emotionele toestand van [slachtoffer] duidelijk kenbaar. Uit het verhoor van verdachte blijkt bovendien duidelijk dat verdachte seksuele intenties had en bevestigt verdachte dat [slachtoffer] hem verzocht weg te gaan. Verder hebben de verbalisanten die betrokken waren bij de aanhouding verklaard dat verdachte bovenop [slachtoffer] liggend werd aangetroffen, terwijl hij zijn arm om [slachtoffer] nek had. [slachtoffer] was op dat moment aan het huilen en vertelde kort daarna hevig geëmotioneerd over de aanranding.
Opzetaanranding
Opzetaanranding als bedoeld in artikel 241, eerste lid, Sr is aan de orde wanneer iemand met een persoon seksuele handelingen verricht terwijl diegene weet dat bij die persoon daartoe de wil ontbreekt.
Op basis van het dossier is duidelijk dat [slachtoffer] niet was gediend van de seksuele aanrakingen van verdachte. [slachtoffer] heeft hiertoe meerdere keren
Laat me los,
Ik moet gaan, ik moet weggezegd. Verder probeerde [slachtoffer] zich te ontworstelen aan verdachte en hem weg te duwen. [slachtoffer] gilde en schreeuwde om hulp en belde uiteindelijk de politie. Door aldus te handelen liet [slachtoffer] zowel verbaal als non-verbaal weten de seksuele handelingen niet op prijs te stellen. Verdachte erkende ook dat [slachtoffer] hem verzocht weg te gaan. Desondanks bleef verdachte [slachtoffer] op seksuele wijze aanraken, door [slachtoffer] te zoenen en door tegen het lichaam van [slachtoffer] aan te wrijven en aan te rijden met zijn stijve geslachtsdeel. Uiteindelijk lag verdachte zelfs bovenop [slachtoffer] en bleef hij proberen [slachtoffer] te zoenen.
Uit het voorgaande blijkt niet alleen dat de instemming van [slachtoffer] ten aanzien van de seksuele aanrakingen ontbrak, maar ook dat verdachte wist dat de wil van [slachtoffer] hiertoe ontbrak. De rechtbank is van oordeel dat verdachte opzettelijk de ontbrekende wil van [slachtoffer] genegeerd heeft.
Dwang en geweld
Van gekwalificeerde opzetaanranding als bedoeld in artikel 241, tweede lid, Sr is sprake als de hiervoor bedoelde opzetaanranding wordt voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang, geweld of bedreiging.
Verdachte heeft [slachtoffer] meegetrokken naar een portiek, hield [slachtoffer] stevig vast, heeft [slachtoffer] geslagen en aan de haren getrokken. Toen [slachtoffer] 112 probeerde te bellen heeft verdachte gepoogd dit te verhinderen door de telefoon uit diens handen te trekken en weg te gooien. Uiteindelijk werd [slachtoffer] op de grond aangetroffen met verdachte bovenop zich. Verdachte had op dat moment zijn arm om de nek van [slachtoffer] , waardoor [slachtoffer] niet de mogelijkheid had om weg te gaan. De aanranding stopte enkel doordat de politie verdachte van [slachtoffer] afhaalde.
Verdachte heeft gelet op deze handelingen dwang en geweld gebruikt.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat gekwalificeerde opzetaanranding bewezen kan worden.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juni 2026, voor zover inhoudend:
In de nacht van 30 op 31 augustus 2024 had ik, nog voordat ik de stad inging, ontzettend veel gedronken. Ik kan me herinneren dat ik [slachtoffer] heb gezien. Ik heb [slachtoffer] aan de trui getrokken, ik heb haar geduwd en zij is door mijn toedoen gevallen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 31 augustus 2024, opgenomen op pagina 19 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-24237515
d.d. 26 november 2024, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Plaats delict: Groningen Pleegdatum: 31 augustus 2024
Ik liep vanaf de Grote markt richting het Damsterdiep. Ik stak de Poelebrug over, richting de Nieuweweg. Terwijl ik op de Poelebrug liep kwam er een jongen naar mij toe. Op een gegeven moment begonnen we met elkaar te praten en te knuffelen. Hij begon agressief aan mijn haren te trekken en mee te sleuren naar een portiekje aan de Nieuweweg. Ik begon verzet te vertonen. Daarop begon hij rare bewegingen tegen mij aan te maken. Hij had een stijve lul. Hij begon mij op de grond te duwen en in mijn gezicht te slaan. Ik riep hard "Help" maar er was niemand in de buurt. Ik probeerde 112 te bellen. Hij probeerde meerdere malen mijn telefoon uit mijn hand te slaan. Maar het is wel gelukt om in contact te komen met
112. Ik was toen in gesprek met 112. Maar ik kon dat gesprek niet afronden, omdat hij telkens tussen door kwam. Toen kwam de politie al best wel snel.
We hebben trouwens nog wel gezoend. Ook tijdens deze hele happening, heeft hij mij nog gezoend. V: Op welke manier kon hij merken dat je dat niet wilde?
A: Ik zei dat ik naar huis wilde en ik heb gezegd dat ik dat niet wilde. V: Waar zoende hij jou in het gezicht?
A: Bij mijn mond.
V: Heb je hem op een bepaalde manier laten weten dat je de kus niet wilde?
A: In het begin vond ik dat niet erg. Maar op een gegeven moment heb ik hem echt van mij afgeduwd. V: Wanneer was dat?
A: Dat hij mij begon mee te sleuren naar het portiek, dat was echt het moment dat ik het niet oke vond. V: Op welke manier heb je verder laten weten dat je weg wilde?
A: Ik heb geprobeerd hem van me af te duwen, door tegen hem aan te duwen met mijn handen. Ik heb hem geraakt op zijn borst.
A: Hij had een stijve lul. Ik zag dat duidelijk in zijn broek. Hij duwde duidelijk tegen mij aan en ik zag het duidelijk. Ik zag een hele dikke bult in zijn broek. Deze bult voelde ik ook omdat hij die constant tegen mij aan duwde.
A: In de portiek heeft hij mij aan mijn haren getrokken en geslagen. Ik had het idee dat hij boos werd omdat ik zo tegen stribbelde.
V: Waar heeft hij jou geslagen? A: In mijn gezicht.
V: Hoe sloeg hij jou?
A: Met zijn platte hand.
V: Wat voelde je toen?
A: Ik voelde wel pijn van die klap. V: Hoe deed hij dat?
A: Hij pakte mijn haar op mijn achterhoofd en trok dat verschillende kanten op. Dat deed mij veel pijn.
A: Hij hield mij heel stevig vast, ik kon geen kant op. Met zijn geslachtsdeel maakte hij die bewegingen tegen mij aan.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 september 2024, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Wij zagen, terwijl wij te plaatse kwamen, dat de verdachte boven de aangever lag en dat er een duidelijke worsteling tussen beiden gaande was. Men lag op het noordelijk trottoir van de Nieuweweg, tussen de Oudeweg en het Schuitendiep te Groningen.
Ik zag en hoorde tijdens het eerste contact ter plaatse dat aangever erg emotioneel was.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 september 2024, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
[slachtoffer] heeft in de aangifte verklaard 112 gebeld te hebben. Deze melding bij 112 werd vastgelegd in de politiesystemen en opgevraagd door verbalisant.
Maandag 2 september 2024 heb ik het audiobestand van de 112-melding ontvangen welke ik vervolgens heb uitgeluisterd en uitgewerkt.
Hieronder staat genoemde melding woordelijk weergegeven:
Politie: Meldkamer politie, wat is de locatie van het noodgeval? NNManl: Ja, ik word... wordt hier mishandelt [onverstaanbaar]. Politie: Sorry, wat is er aan de hand?
NNMan1: [onverstaanbaar schreeuwen] Laat me met rust. Politie: Hallo? Waar bent u?
NNManl: Nieuweweg
Politie: Oke en wat is er aan de hand?
NNManl: Ik word lastiggevallen. Ik word lastiggevallen. Politie: Door wie wordt u lastiggevallen?
Hoorbaar is dat er iemand huilt en dat een ander onverstaanbaar roept/schreeuwt. NNManl: Laat me met rust. [Onverstaanbaar]
Politie: Meneer, wat is er aan de hand? NNMan1: [hoorbaar huilen].
Hoorbaar is dat er iemand onverstaanbaar roept/schreeuwt. Politie: Hallo? Hallo?
Hoorbaar is dat er iemand huilt en dat een ander onverstaanbaar roept. NNMan 2: Sorry
Hoorbaar is dat er iemand huilt en dat een ander praat/roept. Politie: Hallo? Is er nog iemand?
Hoorbaar iemand aan het huilen. Politie: Hallo?
Hoorbaar iemand aan het huilen. NNMan1: Auw!
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 31 augustus 2024, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Ter plaatse zagen wij dat de melder, naar later bleek [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , nader te noemen "aangever," op de grond lag. Wij zagen dat een man met een donkere huidskleur, naar later bleek [verdachte] , [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] nader te noemen "de verdachte" bovenop de aangever lag. Wij zagen dat de verdachte hierbij zijn arm om de nek van de aangever had.
Toen wij, verbalisanten, dichterbij kwamen zagen wij dat de aangever aan het huilen was. Ik zag dat de aangever hevig geëmotioneerd was ten tijde dat hij zijn verhaal vertelde.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 31 augustus 2024, opgenomen op pagina 48 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [verdachte] :
V: Op welke manier heb jij hem dan benaderd?
A: Toen ik dacht dat hij een meisje was wilde ik met hem kennis maken als een vrouw. V: Waar wilde jij hem mee naar toe nemen?
A: Naar huis. Mijn plan was om duidelijk te hebben of zij ook zin had.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 31 augustus 2024 te Groningen, met een persoon, te weten [slachtoffer] ,
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
  • het wrijven en rijden tegen het lichaam van [slachtoffer] met een stijf geslachtsdeel, en
  • het zoenen van [slachtoffer]
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door en vergezeld van dwang en geweld, door
  • [slachtoffer] vast te pakken,
  • aan de haren van [slachtoffer] te trekken,
  • het slaan van [slachtoffer] met de vlakke hand, en
  • [slachtoffer] op de grond te duwen en daarbij zijn arm om de nek van [slachtoffer] te klemmen
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
primairgekwalificeerde opzetaanranding
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor een lagere straf dan geëist door de officier van justitie, nu slechts het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen verklaard kan worden. De raadsvrouw heeft daarnaast verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat het hier om een first offender gaat.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetaanranding. Hij heeft zich op agressieve en indringende wijze aan [slachtoffer] opgedrongen, door te proberen [slachtoffer] te (tong)zoenen en met zijn stijve geslachtsdeel tegen het lichaam van [slachtoffer] aan te duwen. Signalen van weerstand werden door verdachte volledig genegeerd. Pas toen de verbalisanten ter plaatse kwamen en verdachte van [slachtoffer] aftrokken, stopte verdachte met zijn handelingen.
Door aldus te handelen heeft verdachte op grove wijze de seksuele en lichamelijke integriteit van [slachtoffer] geschonden. Uit de verklaring van [slachtoffer] bij de politie volgt dat [slachtoffer] echt bang is geweest om verkracht te worden en dat [slachtoffer] zeer geëmotioneerd was.
De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich uitsluitend heeft laten leiden door zijn eigen seksuele verlangens en zich in het geheel niet lijkt te hebben bekommerd om de schadelijke gevolgen van zijn gedrag voor [slachtoffer] . Hoewel verdachte ter terechtzitting in beperkte mate verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedrag, heeft de rechtbank sterk de indruk gekregen dat hij zich met name schaamde voor het feit dat het slachtoffer mogelijk een man was, in plaats van voor de ernst en ontoelaatbaarheid van zijn eigen handelen. Daarmee toont verdachte onvoldoende inzicht in de grensoverschrijdende aard van het bewezen verklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. De rechtbank betrekt dit in strafverzwarende zin bij de straftoemeting.
Persoon van verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 6 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte geen relevante documentatie heeft. De rechtbank neemt zijn strafblad dan ook niet in strafverzwarende zin mee bij de bepaling van de straf.
Hoewel geen reclasseringsadvies is opgemaakt, is ter zitting gebleken dat verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde kampte met een alcoholprobleem. De rechtbank weegt mee dat verdachte hiervoor in een vrijwillig kader hulp heeft gezocht. Daarnaast is gebleken dat verdachte zijn financiële situatie aanzienlijk heeft verbeterd door een groot deel van zijn schulden af te lossen. Hoewel verdachte vanwege gezondheidsproblemen tijdelijk niet in staat om te werken, heeft zijn laatste werkgever toegezegd dat hij mag terugkomen als hij weer beter is. Deze omstandigheden duiden erop dat verdachte bezig is zijn leven in positieve zin vorm te geven en verkleinen naar het oordeel van de rechtbank de kans op herhaling.
Strafafdoening
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van het feit, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf. Wel acht de rechtbank het van belang om een voorwaardelijk deel aan de straf te verbinden, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 241 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden
Bepaalt dat (van) deze gevangenisstraf (
een gedeelte, groot twee maanden), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. H. de Ruijter rechters, bijgestaan door J. Kunst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juni 2026.