ECLI:NL:RBNNE:2026:2420

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
239726, 235781, 248721, 255823
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van kind met FASD in pleegzorgvoorziening

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 19 juni 2026 een beschikking gegeven in een zaak over het gezag, de ondertoezichtstelling, machtiging tot uithuisplaatsing en wijziging van verblijfplaats van een vierjarig kind met FASD. Het kind verblijft sinds zijn twaalf weken oude leeftijd bij zijn oma vanwege de beperkte opvoedcapaciteiten van de ouders, die kampen met middelengebruik, huiselijk geweld en psychische problemen. De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen beantwoord over de rechtsbescherming van het kind en de ouders in dergelijke situaties.

De kinderrechter heeft op basis van een deskundigenrapport en de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad geconcludeerd dat het kind een blijvende intensieve zorg- en begeleidingsbehoefte heeft die niet adequaat kan worden vervuld door de ouders of de huidige pleegzorgsituatie bij de oma. De draagkracht van de oma is beperkt en de pleegzorgaanbieder heeft de plaatsing beëindigd. Er is geen reëel alternatief voor een plaatsing in een gespecialiseerde pleegzorgvoorziening die 24-uurs toezicht en deskundige begeleiding kan bieden.

De rechtbank heeft daarom de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 25 mei 2027 en het verzoek tot gezagsbeëindiging afgewezen. De GI wordt gemachtigd om het kind in een passende pleegzorgvoorziening te plaatsen en de contactrelaties met ouders en oma te faciliteren, met inachtneming van artikel 8 EVRM Pro. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en biedt een juridisch kader voor de verdere zorg en begeleiding van het kind.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing en wijst het verzoek tot gezagsbeëindiging af.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Groningen
Zaaknummers: C/18/239726 / FA RK 24-6000 (gezagsbeëindiging)
C/18/235781 / JE RK 24-382 (ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing)
C/18/248721 / JE RK 25-557 (wijziging verblijfplaats)
C/18/255823 / JE RK 26-783 (ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing)
Beschikking van 19 juni 2026 over het gezag, de ondertoezichtstelling, de machtiging tot uithuisplaatsing en de wijziging van de verblijfsplaats van
[naam kind],
die is geboren op [datum] 2021 in [geboorteplaats] ,
en die hierna “ [naam kind] ” wordt genoemd,
op verzoek van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
die gevestigd is in Amsterdam,
en die hierna “de GI” wordt genoemd,
en
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Noord-Nederland, locatie Groningen,
en die hierna “de Raad” wordt genoemd.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam ouder 1]en
[naam ouder 2],
die wonen in [plaatsnaam] ,
en die hierna “de ouders” worden genoemd,
advocaat: mr. J.S. Özsaran, die kantoor houdt in Groningen,
[naam pleegmoeder],
wonende in [plaatsnaam] ,
hierna te noemen “de pleegmoeder”,
advocaat: mr. N. Groeneveld, die kantoor houdt in Groningen.

1.Het (verdere) procesverloop

In de zaken C/18/239726 / FA RK 24-6000 en C/18/235781 / JE RK 24-382
1.1.
Bij beschikking van 6 december 2024 heeft de kinderrechter iedere beslissing aangehouden en de Hoge Raad der Nederlanden (hierna “de Hoge Raad”) verzocht om bij wijze van prejudiciële beslissing de omschreven rechtsvragen te beantwoorden.
1.2.
Op 19 december 2026 heeft de Hoge Raad zijn prejudiciële beslissing genomen.
1.3.
De kinderrechter heeft de ouders, de oma, de GI en de Raad bij brief van 10 maart 2026 de gelegenheid gegeven om zich schriftelijk uit te laten over de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad.
1.4.
Op 11 maart 2026 heeft de rechtbank de schriftelijke reactie van de oma ontvangen.
In de zaak C/18/248721 / JE RK 25-557
1.5.
Bij beschikking van 18 december 2025 heeft de kinderrechter zijn beslissing aangehouden. In die beschikking is overwogen dat het van belang is dat er onderzoek wordt gedaan om de oorzaak van [naam kind] gedragsproblemen beter te begrijpen en te bepalen wat hij nodig heeft voor een voor hem zo gezond en optimaal mogelijke ontwikkeling. De GI heeft een deskundige gevonden die bereid en in staat is het onderzoek uit te voeren. De kinderrechter is ervan uitgegaan dat de GI aan de deskundige de onderzoeksopdracht zou verstrekken en heeft de GI verzocht het definitieve rapport van de deskundige en de daarop gegeven reacties van alle betrokken aan de rechtbank toe te sturen.
1.6.
Op 11 juni 2026 heeft de rechtbank van de GI het rapport van het onderzoek ontvangen.
In de zaak C/18/255823 / JE RK 26-783
1.7.
Bij beschikking van 22 mei 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] bij de oma verlengd tot 22 juni 2026. Hij heeft de betrokkenen opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 16 juni 2026 en heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
In alle zaken
1.8.
Op 16 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaken gevoegd en mondeling behandeld. Hij heeft toen gesproken met de moeder, de oma, hun advocaten, [naam vertegenwoordiger] , die de GI vertegenwoordigt en [naam vertegenwoordiger] , die de Raad vertegenwoordigt.
1.9.
Ten slotte is bepaald dat deze beschikking vandaag wordt gegeven.
1.10.
De rechter wijst erop dat wanneer hij in deze beschikking “de kinderrechter” schrijft, dit moet worden gelezen als de kinderrechter voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing of de rechtbank voor de gezagsbeëindiging, afhankelijk van de zaak die wordt behandeld.

2.De (verdere) beoordeling

Waar gaat het (nog) om in deze zaken?
2.1.
Het gaat in de gevoegd behandelde zaken om de nu vierjarige [naam kind] . [naam kind] verblijft vrijwel zijn gehele leven bij zijn oma, omdat de ouders onvoldoende in staat zijn gebleken in zijn opvoedingsbehoeften te voorzien. Er bestaan zorgen over de opvoedsituatie bij de oma en over haar draagkracht. De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming hebben verzoeken ingediend met betrekking tot de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] , alsmede ten aanzien van het gezag van de ouders. De kinderrechter heeft de beslissing op deze verzoeken aangehouden en prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. De Hoge Raad heeft deze vragen inmiddels beantwoord.
2.2.
De kinderrechter dient nu te beoordelen of een gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van de ouders noodzakelijk is, dan wel of de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] dienen te worden verlengd, en zo ja, op welke wijze uitvoering aan deze maatregelen dient te worden gegeven.
2.3.
Gelet op de feiten, de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad en het uitgebrachte deskundigenrapport komt de kinderrechter tot de conclusie dat voor [naam kind] dient te worden toegewerkt naar een plaatsing in een pleegzorgvoorziening die kan voorzien in zijn blijvend intensieve zorg- en begeleidingsbehoefte, mede nu reële en juridisch aanvaardbare alternatieven ontbreken.
2.4.
Hierna zal de kinderrechter uiteenzetten waarom hij tot deze conclusie komt en welke gevolgen dit heeft voor de te nemen beslissingen op de verschillende verzoeken.
Samenvattende terugblik op de feiten en de huidige situatie van [naam kind]
2.5.
is een vierjarige jongen die sinds hij ongeveer twaalf weken oud was bij zijn oma woont, omdat de ouders mede door middelengebruik, huiselijk geweld en beperkte opvoedvaardigheden, niet in staat waren in zijn (verzwaarde) opvoedbehoeften te voorzien. Bij [naam kind] is FASD vastgesteld, een verzamelnaam voor blijvende lichamelijke, cognitieve en gedragsproblemen die ontstaan door alcoholgebruik van de moeder tijdens de zwangerschap, met een blijvende ontwikkelingsachterstand en een structureel beperkingspatroon, waardoor hij niet zonder toezicht kan zijn, maar aangewezen is op voortdurende nabijheid van volwassenen, voorspelbaarheid en strakke structuur.
2.6.
Uit het rapport van deskundigenrapport blijkt dat [naam kind] snel overprikkeld raakt, de omgeving kan ontregelen, andere personen pijn doet (bijten, knijpen, spugen) en de oma sterk opeist, zodat haar draagkracht en sociale steun ernstig onder druk staan. Tegelijkertijd laat het rapport zien dat hij, mits er sprake is van vaste routines, consequente begeleiding en positieve communicatie in een voldoende bemenste en deskundige omgeving, wel tot enige ontwikkeling en “successen” kan komen.
2.7.
De oma biedt [naam kind] feitelijk al jarenlang de dagelijkse verzorging en opvoeding en hij ervaart haar woning als zijn vertrouwde leefomgeving. De begeleiding aan huis signaleert op dit moment geen acute, directe onveiligheid, maar wel dat de zorgvraag van [naam kind] toeneemt en de belasting voor oma nu al de grenzen van haar draagkracht nadert. Inmiddels is een logeerplek bij het [naam logeerplek] gerealiseerd, maar de GI heeft juist moeten constateren dat een duurzame, passende “ontlasting” in het vrijwillige en/of beperkte logeer­kader onvoldoende van de grond komt.
De positie van de ouders en oma en de rol van de GI
2.8.
De ouders hebben een belast verleden met middelengebruik en huiselijk geweld; bij de moeder is een ernstige cognitieve beperking vastgesteld. Volgens de GI zijn de verslavingsproblemen thans weliswaar gestabiliseerd en staan de ouders meer open voor hulp, maar blijven er wezenlijke zorgen over hun psychische gesteldheid, medicatiegebruik en beperkte opvoedvaardigheden, in het bijzonder in relatie tot de verzwaarde opvoedvraag van [naam kind] .
2.9.
De Raad en de GI achten het, mede in het licht van de aanvaardbare termijn, niet reëel dat de ouders binnen een voor [naam kind] verantwoorde termijn in staat zullen zijn de volledige opvoeding van hem op zich te nemen. Daarbij weegt mee dat de ouders het specifieke karakter van zijn beperkingen en de daaruit voortvloeiende opvoedvraag onvoldoende onderkennen en geneigd zijn hun opvoedcapaciteiten af te meten aan de zorg voor zijn zusje, terwijl dat, gezien zijn andere profiel, geen valide referentie is.
2.10.
Wat de oma betreft, is gebleken dat de pleegzorgplaatsing via het Leger des Heils is beëindigd omdat niet meer aan de pleegzorgcriteria werd voldaan, onder meer wegens het niet naleven van afspraken, een wisselende en conflictueuze relatie met de moeder en beschuldigingen over en weer, waaronder mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag door de partner van oma.
2.11.
Hoewel hierop geen strafrechtelijk of anderszins hard bewijs ligt, heeft deze voorgeschiedenis geleid tot het oordeel van de GI en eerder ook van de pleegzorgaanbieder dat de situatie bij oma, mede door haar beperkte draagkracht, onvoldoende bestendig en onvoldoende transparant is om de verzwaarde zorgvraag van [naam kind] op lange termijn te kunnen dragen.
2.12.
De GI blijft, tegen deze achtergrond, actieve regievoering noodzakelijk achten en heeft de rechtbank om toestemming gevraagd om [naam kind] – zo nodig – op een andere plek dan bij oma te laten wonen, in een setting die beter kan voorzien in zijn complexe zorgbehoeften.
Richtinggevend kader van de Hoge Raad
2.13.
In de door de kinderrechter gestarte prejudiciële procedure heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de (rechts)bescherming van het kind en de ouders in situaties waarin een minderjarige in een pleeggezin wordt geplaatst, de pleegzorgaanbieder of GI de plaatsing niet (meer) wil continueren, en tevens een gezagsbeëindiging aan de orde is. De Hoge Raad heeft in het beantwoorden van de vragen vooropgesteld dat het recht van het kind op veiligheid en bescherming meebrengt dat wanneer de GI een pleeggezin als onvoldoende veilig acht, zij van (voortzetting van) die plaatsing moet afzien en de kinderrechter dienovereenkomstig moet beslissen als hij dat oordeel deelt.
2.14.
Daarbij heeft de Hoge Raad benadrukt dat beslissingen over ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing en gezagsbeëindiging steeds moeten worden beoordeeld in het licht van artikel 8 EVRM Pro: de inmenging in het gezinsleven moet bij wet zijn voorzien, een legitiem doel dienen én noodzakelijk zijn in een democratische samenleving, hetgeen mede inhoudt dat het doel niet met een minder ingrijpende maatregel kan worden bereikt en dat een zorgvuldige “fair balance” tussen de betrokken belangen wordt gemaakt. Ook heeft de Hoge Raad, in aansluiting op de jurisprudentie van het EHRM, nogmaals benadrukt dat het doel van gezinshereniging niet te snel mag worden losgelaten en dat beslissingen over gezagsbeëindiging moeten worden gebaseerd op een actuele, grondige beoordeling van de oudercapaciteiten en de concrete ontwikkelingsbehoeften van het kind binnen diens aanvaardbare termijn.
2.15.
Voor pleegzorg specifiek volgt uit de prejudiciële beslissing dat de kinderrechter, ondanks een (negatieve) screening of het beëindigen van pleegzorg door de aanbieder, de plaatsing in een pleeggezin niet uitsluitend op basis daarvan mag beëindigen, maar dat hij alle beschikbare informatie, waaronder rapportages van de Raad en recente deskundigenonderzoeken, integraal moet meewegen. In het bijzonder geldt dat, als de kinderrechter tot het oordeel komt dat de veiligheid in het pleeggezin structureel onvoldoende kan worden gewaarborgd, hij zodanig moet beslissen dat (verdere) plaatsing in dat pleeggezin wordt voorkomen of beëindigd en dat wordt toegewerkt naar een setting die wél in staat is de minderjarige de benodigde bescherming en ontwikkelingskansen te bieden.
Noodzaak van gezagsbeëindiging en verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing
2.16.
In het licht van dit kader en de beschikbare informatie moet worden beoordeeld of voortzetting van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing, dan wel een gezagsbeëindiging, noodzakelijk en proportioneel zijn. Gegeven de ernst en het permanente karakter van de beperkingen van [naam kind] , zijn behoefte aan intensieve en deskundige begeleiding, en de beperkte opvoedcapaciteiten van de ouders, is niet te verwachten dat de bedreiging van zijn ontwikkeling binnen een voor hem aanvaardbare termijn onder hun gezag zal worden weggenomen.
2.17.
Tegelijkertijd is duidelijk geworden dat de huidige plaatsing bij de oma, ondanks haar inzet en de gehechtheid van [naam kind] , op termijn niet in staat is de toenemende zorgvraag en de noodzakelijke continuïteit en voorspelbaarheid te waarborgen, mede gezien de draagkracht van de oma, de voorgeschiedenis met de pleegzorginstantie en de voortdurende noodzaak van intensieve professionele ondersteuning.
2.18.
Het zijn de feiten en omstandigheden die het begrijpelijk maken dat de Raad het verzoek heeft gedaan om het gezag van de ouders te beëindigen. De rechter gaat hierin op de vraag of een beëindiging van het gezag in het belang van [naam kind] , op dit moment, noodzakelijk is of kan worden volstaan met het verlengen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing.
2.19.
De verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing volstaat, in deze overgangsfase, om de juridische basis te bieden voor het zoeken naar en realiseren van een passende voorziening van pleegzorg of een daarmee vergelijkbare residentiële voorziening die specifiek toegesneden is op kinderen met FASD en een blijvend hoge begeleidingsbehoefte. Daarbij geldt dat met het oog op de positieve verplichtingen onder artikel 8 EVRM Pro, de GI gehouden blijft de band tussen [naam kind] , de ouders en de oma, waar mogelijk en verantwoord, in stand te houden en contact te faciliteren, zonder hem bloot te stellen aan onevenredige hardheid. De kinderrechter zal daarom aan de GI een algemene machtiging tot uithuisplaatsing verlenen.
Naar welke voorziening moet worden toegewerkt en waarom ontbreken alternatieven?
2.20.
Alles afwegend, komt de kinderrechter tot het oordeel dat het in het zwaarwegende belang van [naam kind] is dat doelgericht wordt toegewerkt naar een plaatsing in een voorziening van pleegzorg of een kleinschalige, pleegzorg-achtige voorziening die:
 specifieke deskundigheid heeft op het gebied van FASD en vergelijkbare neurobiologische ontwikkelingsstoornissen;
24-uurs toezicht en begeleiding kan bieden, met vaste, op elkaar ingespeelde opvoeders;
 in staat is [naam kind] ’s agressie, impulsiviteit en behoefte aan nabijheid binnen duidelijke grenzen en voorspelbare routines te hanteren;
 voldoende bemensing heeft om de zorgbelasting te dragen en de opvoeding niet op één (ouder wordende) pleegverzorger neer te laten komen.
2.21.
De alternatieven worden in deze zaak als onvoldoende of onrealistisch beoordeeld. Een terugplaatsing bij de ouders is, gelet op hun structureel beperkte capaciteiten, de ernst van [naam kind] ’s problematiek en de aanvaardbare termijn, geen reële optie. Voortzetting van de plaatsing bij oma in het huidige format is, mede in het licht van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad, niet verantwoord nu de pleegzorgaanbieder heeft afgehaakt, de GI de emotionele veiligheid en de draagkracht van oma op langere termijn betwijfelt, en geen effectieve, minder ingrijpende maatregel is gebleken die deze bezwaren kan ondervangen.
2.22.
Ook een constructie waarin de plaatsing bij de oma wordt voortgezet met enkel intensivering van ambulante hulp wordt als onvoldoende gezien, omdat daarmee de kernproblemen, de structureel te hoge zorgbelasting en de kwetsbare veiligheid en voorspelbaarheid op lange termijn, niet worden weggenomen. In dat licht resteert als enig passend en juridisch aanvaardbaar perspectief dat [naam kind] op termijn wordt geplaatst in een voor hem geschikte voorziening van pleegzorg, waarbij de GI verantwoordelijk wordt voor het zorgvuldig voorbereiden van deze overgang en het borgen van passende contactregelingen met de ouders en de oma.
2.23.
Gelet op de uitzonderlijke complexiteit van de problematiek van [naam kind] en de hiervoor uiteengezette onder artikel 8 EVRM Pro beschermde rechten, betekent als het voorgaande dat er vooralsnog onvoldoende noodzaak is om het gezag van de ouders te beëindigen. Het daarop gerichte verzoek van de Raad wordt daarom afgewezen. De kinderrechter vindt dat een verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing volstaat en een juridisch kader biedt om de regie te voeren op het doelgericht toewerken naar een plaatsing in een voorziening van pleegzorg of een kleinschalige, pleegzorg-achtige voorziening die beantwoordt aan de hiervoor gestelde eisen. Gelet op de richting die met deze uitspraak is gegeven en de machtiging zoals die hierna wordt verleend, rest geen belang meer bij een afzonderlijke beslissing op het verzoek voor toestemming tot het wijzigen van de verblijfplaats van [naam kind] .
2.24.
Dit betekent dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing verlengd en wat meer of anders is verzocht zal afwijzen.

3.De beslissing

De kinderrechter:
3.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [naam kind] tot 25 mei 2027;
3.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] tot 25 mei 2027;
3.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Oostra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.
Als u het niet eens bent met de beslissing die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.