Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2426

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
18-201439-24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 175 WVW 1994Art. 63 SrArt. 9 SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor dodelijk verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig linksaf slaan

Op 11 september 2023 veroorzaakte verdachte een dodelijk verkeersongeval in Farmsum door als bestuurder van een bedrijfsauto met aanhangwagen linksaf te slaan zonder voldoende zicht op tegemoetkomend verkeer. Door een vrachtwagen met oplegger had verdachte verminderd zicht en zag hij de motorfiets te laat, waardoor een botsing ontstond waarbij de motorrijder overleed.

De rechtbank oordeelde dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelde door niet voldoende te vergewissen dat de weg vrij was en geen voorrang te verlenen aan het tegemoetkomend verkeer, ondanks de belemmerde zichtbaarheid. De snelheid van de motorrijder deed hieraan niet af aan de schuld van verdachte.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 100 uur, waarbij een onvoorwaardelijke rijontzegging werd achterwege gelaten vanwege persoonlijke omstandigheden en het tijdsverloop. De rechtbank hield rekening met de impact op de nabestaanden en de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 100 uur taakstraf wegens aanmerkelijk onvoorzichtig linksaf slaan met dodelijk ongeval tot gevolg.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-201439-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 juni 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 juni 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Suurmeijer, advocaat te Groningen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.G.F. van Boven.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 11 september 2023 te Farmsum, gemeente Eemsdelta als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Oosterhorn, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
  • zich, voorafgaand aan het oprijden van de voor het verdachte links gelegen Metaalpark, niet voldoende te vergewissen of de weg waarop hij, verdachte, reed vrij was van enig tegemoetkomend verkeer en/of
  • met onverminderde snelheid en/of zonder voldoende af te remmen linksaf is geslagen, terwijl zijn uitzicht grotendeels was belemmerd door een voor hem rijdende vrachtwagen met oplegger en/of
  • (vervolgens) linksaf te slaan naar het Metaalpark en aldaar (nog steeds) niet, althans niet tijdig, op te merken dat er tegemoetkomend verkeer (motorfiets) aan kwam en/of
  • zijn snelheid niet aan te passen op de aanwezigheid van die motorfiets en/of
  • in strijd met artikel 18 lid 1 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen voorrang te verlenen aan tegemoetkomend en rechtdoorgaand verkeer alvorens zelf linksaf te slaan naar het Metaalpark, waarna de motorrijder, [slachtoffer] , in botsing is gekomen met het door verdachte bestuurde motorrijtuig, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
subsidiair
hij op of omstreeks 11 september 2023 te Farmsum, gemeente Eemsdelta als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, Oosterhorn, en toen,
  • zich, voorafgaand aan het oprijden van de voor het verdachte links gelegen Metaalpark, niet voldoende heeft vergewist dat de weg waarop hij, verdachte, reed vrij was van enig tegemoetkomend verkeer en/of
  • met onverminderde snelheid en/of zonder voldoende af te remmen linksaf is geslagen, terwijl zijn uitzicht grotendeels was belemmerd door een voor hem rijdende vrachtwagen met oplegger en/of
  • (vervolgens) linksaf is geslagen naar het Metaalpark en aldaar (nog steeds) niet, althans niet tijdig, op te merken dat er tegemoetkomend verkeer (motorfiets) aan kwam en/of
  • zijn snelheid niet heeft aangepast op de aanwezigheid van die motorfiets en/of
  • in strijd met artikel 18 lid 1 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen voorrang heeft verleend aan tegemoetkomend en rechtdoorgaand verkeer alvorens zelf linksaf te zijn geslagen naar het Metaalpark,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd:
Verdachte heeft voldoende afstand tot de voor hem rijdende vrachtauto gehouden. Uit het onderzoek kan onvoldoende de conclusie worden getrokken dat verdachte de motorrijder had kunnen en moeten zien.
Daarnaast is het van belang dat de motorrijder met een geschatte snelheid van 85 k/m uur heeft gereden
waardoor hij niet in staat was zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen. De enkele voorrangsfout kan niet leiden tot de conclusie dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend als bedoeld in artikel 6 WVW Pro 1994 heeft gedragen. Dit geldt ook ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde, artikel 5 WVW Pro.
Oordeel van de rechtbank
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden vast.1
Op 11 september 2023 reed verdachte als bestuurder van een bedrijfsauto met daaraan gekoppeld een aanhangwagen over de Oosterhorn te Farsmum van westelijke naar oostelijke richting. Het slachtoffer reed als bestuurder van een motorfiets op de Oosterhorn van oostelijke naar westelijke richting. Voor verdachte reed, in gelijke richting, een vrachtwagen met een oplegger.2 De vrachtwagen reed, nadat dit voertuig eerst de richtingaanwijzer naar links aan had, rechtdoor op het kruispunt van de Oosterhorn en het Metaalpark. Door de vrachtwagen had verdachte verminderd zicht op tegemoetkomend verkeer.3 Verdachte minderde vaart tot ongeveer 26,7 km/u en sloeg op het kruispunt linksaf in de richting van het Metaalpark. Verdachte heeft hierbij de hem tegemoetkomende motorfiets niet eerder gezien dan toen hij de bocht naar links al had genomen.4 Op het moment dat verdachte de bocht naar links nam, reed het slachtoffer op de motorfiets hem tegemoet met een geschatte snelheid van 85 km/u.5 De bestuurder van de motorfiets heeft een noodremming ingezet. Tijdens deze noodremming kwam het achterwiel van de motorfiets zodanig omhoog dat de motorfiets kort voorafgaande aan het ongeval in een nagenoeg verticale positie gepositioneerd was. Op het moment van de botsing, kwam zeer waarschijnlijk eerst de bestuurder van de motorfiets tegen de rechter achterzijde van de bedrijfsauto. De motorfiets kwam direct daarop zeer waarschijnlijk tegen de bestuurder en tegen de bedrijfsauto. Na de botsing kwam de bedrijfsauto nagenoeg direct tot stilstand. De bestuurder van de motorfiets lag op de grond ter hoogte van de rechterzijde van de aanhangwagen. De bestuurder van de motorfiets is ter plaatse als gevolg van de botsing overleden.6
Schuld
Verdachte heeft de in de tenlastelegging omschreven feitelijke gedragingen erkend.
Ten aanzien van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro 1994 overweegt de rechtbank als volgt.
Uit vaste jurisprudentie blijkt dat bij de beantwoording van de vraag of de schuld aan het verkeersongeval uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, het aankomt op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In zijn algemeenheid valt niet aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid en dus van schuld ex artikel 6 WVW Pro 1994. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Een enkel moment van onoplettendheid is in het algemeen niet voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld. Gelet hierop kan het niet verlenen van voorrang pas als aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend worden aangemerkt wanneer daaraan gedrag ten grondslag ligt dat gegeven de omstandigheden van het geval niet voldoet aan de eisen die aan verkeersdeelnemers in het algemeen mogen worden gesteld. Dit gedrag bestaat dan niet alleen uit de verkeersovertreding van het niet verlenen van voorrang zelf, maar ook uit gedrag dat aan die verkeersovertreding vooraf gaat of daarmee samenvalt.
Voorop staat dat op verdachte die linksaf sloeg, de verplichting rustte om voorrang te verlenen aan de hem tegemoetkomende, rechtdoorgaande motorfiets. Verdachte heeft verklaard dat hij de tegemoetkomende motorfiets niet heeft gezien. Van een bestuurder die links wil afslaan, wordt gevergd dat hij voorafgaand aan het oprijden van een kruispunt bijzondere voorzichtigheid en oplettendheid betracht en daarbij zodanig aangepast te rijden dat hij het tegemoetkomend verkeer tijdig kan waarnemen en daaraan voorrang kan verlenen. Dat geldt in onderhavig geval te meer nu verdachte achter een grote vrachtwagen met oplegger reed en daardoor, minder ver vooruit kon kijken dan normaal. Daarnaast reed verdachte in een voertuig met een aanhangwagen dat in die combinatie een aanzienlijke lengte had. Dit maakte dat de door verdachte voorgenomen manoeuvre (i.c. links afslaan) relatief meer tijd zou vergen en dat daarmee de kans dat een tegemoetkomende weggebruiker daardoor zou worden gehinderd, groter was. Onder bedoelde omstandigheden rustte naar het oordeel van de rechtbank op een verdachte een zwaardere zorgplicht om zich ervan te vergewissen dat er voldoende tijd was om met de door hem bestuurde combinatie linksaf te slaan. De keuze om vanachter de vrachtauto links af te slaan zonder te stoppen en de situatie zorgvuldig te taxeren is daarmee als aanmerkelijk onvoorzichtig aan te merken.
Voor zover er al sprake is geweest van eigen schuld of medeschuld van de bestuurder van de motor door met een geschatte snelheid van 85 km/u te rijden op een weg waar 60 km/u is toegestaan, overweegt de rechtbank dat deze omstandigheid de schuld aan de zijde van de verdachte niet kan opheffen.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte niet alleen geen voorrang heeft verleend, maar dat aan die verkeersovertreding tevens gedrag ten grondslag heeft gelegen dat gegeven de omstandigheden van het geval niet voldoet aan de eisen die aan verkeersdeelnemers in het algemeen mogen worden gesteld. De rechtbank is op basis van het geheel van de gedragingen van de verdachte van oordeel dat zijn gedrag moet worden aangemerkt als aanmerkelijk verwijtbaar onvoorzichtig en onoplettend. Dat brengt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van schuld als bedoeld in van artikel 6 WVW Pro 1994.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 11 september 2023 te Farmsum, gemeente Eemsdelta als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Oosterhorn, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend,
  • zich, voorafgaand aan het oprijden van de voor het verdachte links gelegen Metaalpark, niet voldoende te vergewissen of de weg waarop hij, verdachte, reed vrij was van enig tegemoetkomend verkeer en
  • zonder voldoende af te remmen linksaf is geslagen, terwijl zijn uitzicht grotendeels was belemmerd door een voor hem rijdende vrachtwagen met oplegger en
  • vervolgens linksaf te slaan naar het Metaalpark en aldaar (nog steeds) niet, althans niet tijdig, op te merken dat er tegemoetkomend verkeer (motorfiets) aan kwam en
  • in strijd met artikel 18 lid 1 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen voorrang te verlenen aan tegemoetkomend en rechtdoorgaand verkeer alvorens zelf linksaf te slaan naar het Metaalpark, waarna de motorrijder, [slachtoffer] , in botsing is gekomen met het door verdachte bestuurde motorrijtuig, waardoor [slachtoffer] werd gedood.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
- overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primaire feit wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden. De officier van justitie heeft bij het bepalen van de strafeis gelet op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie. Het wordt verdachte aangerekend dat hij na het plegen van het feit meerdere boetes heeft gekregen wegens overtredingen met betrekking tot de lading van zijn voertuig. Ook is rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met het feit dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld is en dat de redelijke termijn is overschreden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting het reclasseringsrapport van 28 januari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft door zijn gedragingen een verkeersongeval veroorzaakt ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Ter zitting is door de moeder van het slachtoffer een verklaring voorgedragen. Daaruit blijkt de enorme impact die het overlijden op de familie van het slachtoffer heeft gehad en hoe
groot het gemis is. Door verdachtes handelen is aan de nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht. Bij het opleggen van de straf houdt de rechtbank rekening met de desastreuze gevolgen van de gemaakte verkeersfout.
Bij het bepalen van de strafmaat zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Het vertrekpunt bij de categorie aanmerkelijke schuld met een dodelijk slachtoffer is volgens de oriëntatiepunten een taakstraf van 240 uur en onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden. De rechtbank ziet aanleiding om hiervan af te wijken en overweegt daartoe als volgt.
In de eerste plaats geldt dat, hoewel de gevolgen van het handelen van verdachte zeer ernstig zijn geweest, de feitelijke gedragingen die verdachte heeft verricht niet kunnen worden aangemerkt als behorend tot de zwaarste categorie van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW Pro 1994.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 januari 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Voorts houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat dat er in het leven van verdachte voornamelijk beschermende factoren aanwezig zijn en dat zijn leven stabiel lijkt. Hoewel dit uit de houding en verklaring van verdachte op het onderzoek ter terechtzitting niet duidelijk naar voren is gekomen, blijkt eveneens uit het reclasseringsrapport dat verdachte veel schuldgevoelens ervaart en dat het ongeval een grote impact op hem heeft gemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen.
De rechtbank neemt tot slot in strafmatigende zin in aanmerking dat tussen de datum van het ongeval en de datum van de inhoudelijke behandeling bijna drie jaar heeft gezeten. Er is dus sprake van overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank acht alles afwegende, een taakstraf van 100 uur passend en geboden.
De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke rijontzegging verdachte onevenredig zwaar zou treffen in zijn persoonlijke levenssfeer. Verdachte werkt als zelfstandig ondernemer en is bij zijn werkzaamheden en daarmee zijn inkomen afhankelijk van vervoer met zijn auto. De rechtbank acht het daarom, mede gelet op het tijdsverloop, niet geboden om verdachte naast de taakstraf, een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 100 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. A.L.J.M.A Janssens en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. S.G. Martire, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juni 2026.
Mr. C. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van Politie Noord-
Nederland, met nummer PL0100-2023242871, gesloten op 18 april 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de paginas van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict d.d. 4
januari 2024, opgenomen op pagina 14 e.v., inhoudend als relaas van verbalisanten.
3 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 september 2023
opgenomen op pagina 71 e.v.
4 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 9 juni 2026.
5 Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie
en Veiligheid, opgemaakt door B. Hoogeboom, d.d. 25 juni 2025, opgenomen op pagina 11 e.v. van het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict d.d. 4 januari 2024, met nummer 2023242871 A, gesloten op 6 november 2025.
6 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict d.d. 4
januari 2025, opgenomen op pagina 14 e.v., inhoudend als relaas van verbalisanten.