Op 15 januari 2026 stak verdachte in Ter Apel een ander, het slachtoffer, meerdere malen met een mes, waarbij hij het slachtoffer in het gezicht en de hals raakte. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, waarmee sprake was van poging tot doodslag.
Daarnaast mishandelde verdachte op 29 januari 2026 in Leeuwarden een ambtenaar door hem op korte afstand in het gezicht en de mond te spugen, wat als een hevige onlust opwekkende gewaarwording werd aangemerkt. Tevens stichtte verdachte op diezelfde dag brand in zijn cel door open vuur in aanraking te brengen met brandbare materialen, waardoor gemeen gevaar voor goederen ontstond.
De verdediging voerde onder meer aan dat verdachte geen opzet had en dat de verklaringen van het slachtoffer wisselend waren, maar de rechtbank verwierp deze verweren op basis van het bewijs, waaronder getuigenverklaringen, medische rapporten en de verklaring van verdachte zelf.
Gezien de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 36 maanden op, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.