Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2492

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
18/015861-26
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 57 SrArt. 157 SrArt. 287 SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag, mishandeling ambtenaar en brandstichting

Op 15 januari 2026 stak verdachte in Ter Apel een ander, het slachtoffer, meerdere malen met een mes, waarbij hij het slachtoffer in het gezicht en de hals raakte. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, waarmee sprake was van poging tot doodslag.

Daarnaast mishandelde verdachte op 29 januari 2026 in Leeuwarden een ambtenaar door hem op korte afstand in het gezicht en de mond te spugen, wat als een hevige onlust opwekkende gewaarwording werd aangemerkt. Tevens stichtte verdachte op diezelfde dag brand in zijn cel door open vuur in aanraking te brengen met brandbare materialen, waardoor gemeen gevaar voor goederen ontstond.

De verdediging voerde onder meer aan dat verdachte geen opzet had en dat de verklaringen van het slachtoffer wisselend waren, maar de rechtbank verwierp deze verweren op basis van het bewijs, waaronder getuigenverklaringen, medische rapporten en de verklaring van verdachte zelf.

Gezien de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 36 maanden op, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf voor poging tot doodslag, mishandeling van een ambtenaar en brandstichting.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/015861-26
ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/090825-26
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , zonder bekende woon- of verblijfplaats,
nu gedetineerd in [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 juni 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.B. Swart, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Potijk.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 18/015861-26
hij op of omstreeks 15 januari 2026 te Ter Apel in de gemeente Westerwolde ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven te beroven,
  • naar die [slachtoffer 1] is gelopen (die aan een tafel zat te eten) en/of
  • die [slachtoffer 1] met een scherp en/of puntig voorwerp en/of mes (meerdere malen) heeft gestoken en/of heeft geslagen en/of
  • die [slachtoffer 1] met het scherpe en/of puntige voorwerp en/of mes daarbij heeft geraakt in zijn lichaam en/of althans in zijn gezicht en/of hals
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht leiden:
hij op of omstreeks 15 januari 2026 te Ter Apel in de gemeente Westerwolde aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door
  • naar die [slachtoffer 1] te lopen (die aan een tafel zat te eten) en/of
  • die [slachtoffer 1] met een scherp en/of puntig voorwerp en/of mes (meerdere malen) te steken en/of te slaan en/of
  • die [slachtoffer 1] met het scherpe en/of puntige voorwerp en/of mes daarbij te raken in zijn lichaam en/of althans in zijn gezicht en/of hals;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht leiden:
hij op of omstreeks 15 januari 2026 te Ter Apel in de gemeente Westerwolde ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
  • naar die [slachtoffer 1] is gelopen (die aan een tafel zat te eten) en/of
  • die [slachtoffer 1] met een scherp en/of puntig voorwerp en/of mes (meerdere malen) heeft gestoken en/of heeft geslagen en/of
  • die [slachtoffer 1] met het scherpe en/of puntige voorwerp en/of mes daarbij heeft geraakt in zijn lichaam en/of althans in zijn gezicht en/of hals,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 18/090825-26
1.
hij op of omstreeks 29 januari 2026 te Leeuwarden, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door vanaf korte afstand
  • naar het gezicht van die [slachtoffer 2] te spugen en/of
  • waarbij het speeksel in het gezicht en/of mond van die [slachtoffer 2] terecht is gekomen, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige
uitoefening van zijn bediening;
2.
hij op of omstreeks 29 januari 2026 te Leeuwarden opzettelijk brand heeft gesticht in een cel (celnummer [celnummer] ) van de [locatie ] , door open vuur in aanraking te brengen met een handdoek en/of papier en/of een laken, althans (een) brandbare stof(fen), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de cel van verdachte en/of de vloer en/of wand(en) en/of inboedel van die cel en/of naastgelegen cellen en/of de hal/gang te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht leiden:
hij op of omstreeks 29 januari 2026 te Leeuwarden opzettelijk en wederrechtelijk een vloer en/of een raam van een cel (celnummer [celnummer] ) van de [locatie ] ,(namens deze [slachtoffer 3] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de [locatie ] toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde onder parketnummer 18/015861-26 en het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde onder parketnummer 18/090825-26.
Standpunt van de verdediging
Parketnummer 18/015861-26
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet duidelijk vastgesteld kan worden wat er precies is gebeurd. Aangever [slachtoffer 1] heeft wisselende verklaringen afgelegd. Hoewel verdachte tegenover de politie een bekennende verklaring heeft afgelegd, heeft hij ter terechtzitting het feit ontkend. Er kan bovendien niet zonder meer worden uitgegaan van de verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd. Verdachte is een kwetsbare man die zonder advocaat is gehoord. Op het moment dat hij verhoord werd, ging het niet goed met hem. Hij is ook heel wisselend als persoon. De ene keer is hij emotioneel en de andere keer boos. Er kan niet bewezen worden dat verdachte de intentie had om aangever te doden. Op de camerabeelden is te zien dat hij samen met aangever naar de beveiliging loopt om om hulp te vragen. Uit de medische verklaring blijkt daarnaast dat het letsel heel oppervlakkig was. Gelet op het beperkte letsel kan ook het subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen worden. Tot slot kan ook het meer subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen worden, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de intentie had om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Parketnummer 18/090825-26
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte opzet heeft gehad op de mishandeling van aangever [slachtoffer 2] .
Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18/015861-26
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 januari 2026, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026013185 (Robertskruid / NN2R026014) d.d. 28 februari 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Op 15 januari 2026 rond 18:30 uur was ik in het AZC in Ter Apel in de keuken. Een man heeft mij van achteren gestoken. Ik zat te eten aan tafel en toen stond hij achter mij en stak mij. Toen de bewakers en de politie erbij waren zei hij: “Je hebt het overleefd.”
Als bijlage is bij dit proces-verbaal onder meer gevoegd:
- Fotos letsel (p. 14 e.v.).
2. Een geneeskundige verklaring, op 15 januari 2026 opgemaakt door [coassistent] , coassistent, opgenomen op pagina 19 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend, als haar geneeskundige verklaring:
Steekverwonding in gezicht, kin, oppervlakkig in de hals. De wond is verdoofd, gehecht en verbonden. Hoofd Hals: Kaakrand rechts: snijwond van 9 cm in de breedte.
Hals rechts: steekwond van 1 cm in de breedte, ongeveer 5 mm diep.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 januari 2026, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
Vandaag omstreeks 18:30 uur stond ik bij de poort van het AZC Ter Apel. Er kwam een persoon van het terrein naar ons toegelopen. Ik zag dat deze man een fikse snee op zijn kin had. Hij wees naar een man die achter hem liep en ik hoorde hem zeggen “He did this”. Hij maakte daarbij een stekende beweging richting zijn kin. Ik vroeg de man die werd aangewezen door het slachtoffer in de Engels taal de letterlijke woorden: “Did you stab him?”. De man zei daarop in het Engels “Yes” en ik zag dat de man met zijn hoofd knikte. Zonder dat ik dat vroeg, liet de man zijn linkerhand zien en daarin hield hij een schilmesje vast.

Bewijsoverweging

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Betrouwbaarheid
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever twee keer heeft gestoken met een mesje en dat hij aangever hierbij heeft geraakt in hals en op de zijkant van zijn kin. Hoewel er vraagtekens zijn te zetten bij de verklaring van aangever, met name met betrekking tot de aanleiding van het conflict, vindt de verklaring dat verdachte hem heeft gestoken bevestiging in de overige bewijsmiddelen, namelijk de letselrapportage en de verklaring van de getuige [getuige 1] , die niet alleen heeft gehoord dat verdachte toe heeft gegeven dat hij aangever had gestoken, maar die ook heeft gezien dat verdachte op dat moment nog steeds een mesje vasthield.
Poging doodslag
Om tot een bewezenverklaring te komen van het primair ten laste gelegde moet vastgesteld worden dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet had op de dood van aangever. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg in casu de dood van aangever is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan deze kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.
Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het behoudens contra-indicaties niet anders kan zijn dan dat de
verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Naar algemene ervaringsregels roept het steken met een mesje in (de richting van) de hals de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer daardoor komt te overlijden. De halsregio is immers een uiterst kwetsbaar gedeelte van het lichaam mede door de aanwezigheid van de hals(slag)aders.
Nu het algemene ervaringsregels betreffen, heeft eenieder en dus ook verdachte wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. De rechtbank is van oordeel dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van deze gedragingen die immers zozeer gericht zijn op een bepaald gevolg, te weten de dood van het slachtoffer volgt dat verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat op basis van het voornoemde wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.
Parketnummer 18/090825-26
Feit 1
Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde past de rechtbank de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 15 juni 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik zat geboeid in een cel. De agent die achter mij zat, hield mijn boeien vast. Ik was gefrustreerd en boos. Ik keek op een gegeven moment naar achteren.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 januari 2026, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026030035 d.d. 13 maart 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Op 29 januari 2026 was ik aan het werk als lid van het Interne Bijstandsteam in de P.I. in [plaats] . Het brandalarm ging af omdat een gedetineerde dekens in de brand had gestoken en voor de deur gelegd. We hebben deze gedetineerde uit de cel gehaald, gefouilleerd en naar een andere cel gebracht. Ik moest even op de gedetineerde letten. De gedetineerde was geboeid en ik zat achter hem op het bed. Op een gegeven moment draaide hij zich om en spuugde mij recht in de bek, onder het vizier door. Hij heeft mij letterlijk in mijn mond gespuugd. Hij zat onder mij en kon dus precies onder het vizier door in mijn gezicht spugen. Ik voelde walging gewoon. Ik vond het ranzig.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 29 januari 2026, opgenomen op pagina 9 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
Mijn collega [naam] zat achter de gedetineerde op het bed. [naam] had de boeien vast en de gedetineerde draaide rechtsom en spuugde [naam] op zijn vizier en deels onder het vizier door omdat [naam] wat hoger zat dan de gedetineerde. Het was een dikke witte kwab spuug.

Bewijsoverweging

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich heeft omgedraaid in de richting van aangever [slachtoffer 2] en dat hij daarbij “fuck” heeft geroepen. Volgens verdachte kan er mogelijk wat speeksel hierbij mee zijn gekomen, maar hij had niet de intentie om aangever in het gezicht te spugen. De rechtbank is echter van oordeel dat uit de aangifte en de getuigenverklaring van [getuige 2] blijkt dat verdachte gericht richting het gezicht van aangever heeft gespuugd.
Onder mishandeling in de zin van artikel 300 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) moet worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid alsmede onder omstandigheden het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat.
Aangever is in zijn gezicht en in zijn mond gespuugd. Hij vond dit ranzig en het veroorzaakte gevoelens van walging. Dit kan worden aangeduid als een hevige onlust opwekkende gewaarwording in of aan het lichaam. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte door de wijze waarop hij heeft gespuugd, te weten op korte afstand en in het gezicht en de mond van aangever, op zijn minst genomen welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij bij aangever een hevige onlust opwekkende gewaarwording in of aan het lichaam zou veroorzaken. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank derhalve van oordeel dat opzet, in ieder geval in voorwaardelijke vorm, bewezen kan worden verklaard.
Gelet op het voorgaande kan het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen.
Feit 2
De rechtbank acht het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 juni 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 januari 2026, opgenomen op pagina 11 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026030035 d.d. 13 maart 2026, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] .
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde onder parketnummer 18/015861-26 en het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde onder parketnummer 18/090825-26 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Parketnummer 18/015861-26
primair
hij op 15 januari 2026 te Ter Apel in de gemeente Westerwolde ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven te beroven,
  • naar die [slachtoffer 1] is gelopen (die aan een tafel zat te eten) en
  • die [slachtoffer 1] met een mes meerdere malen heeft gestoken en
  • die [slachtoffer 1] met het mes daarbij heeft geraakt in zijn gezicht en hals terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 18/090825-26
1. ​
hij op 29 januari 2026 te Leeuwarden, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door vanaf korte afstand
  • naar het gezicht van die [slachtoffer 2] te spugen en
  • waarbij het speeksel in het gezicht en mond van die [slachtoffer 2] terecht is gekomen,
terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
2. primair
hij op 29 januari 2026 te Leeuwarden opzettelijk brand heeft gesticht in een cel (celnummer [celnummer] ) van de [locatie ] , door open vuur in aanraking te brengen met een handdoek en/of papier en/of een laken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de cel van verdachte en/of de vloer en/of wand(en) en/of inboedel van die cel en/of naastgelegen cellen en/of de hal/gang te duchten was.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Parketnummer 18/015861-26
primair poging tot doodslag;
Parketnummer 18/090825-26
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
primair opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde onder parketnummer 18/015861-26 en het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde onder parketnummer 18/090825-26 wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. Ze heeft de rechtbank daarbij verzocht om verdachte onmiddellijk in vrijheid te stellen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag waarbij hij het slachtoffer uit het niets twee keer heeft gestoken met een mes. Hij heeft hem daarbij geraakt op zijn kin en in zijn hals. Met zijn aanval heeft verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden. Bovendien zorgen zulke geweldsincidenten voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving en meer specifiek voor de bewoners van AZC waar het feit zich heeft afgespeeld. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijk geweld nog lang de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden.
Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan mishandeling van een ambtenaar in functie door hem in zijn gezicht te spugen. Dat is onacceptabel en respectloos gedrag. Niet alleen is het ontzettend vies om in je gezicht gespuugd te worden, maar het kan ook serieuze gezondheidsrisicos met zich brengen.
Verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijk integriteit van aangever aangetast.
Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan brandstichting in zijn cel. In die cel waren verschillende goederen aanwezig, waardoor gevaar te duchten was voor deze goederen. De reden dat de schade beperkt is gebleven, is door het snelle ingrijpen van het Interne Bijstandsteam dat per toeval aanwezig was in de
P.I. Verdachte heeft met zijn handelen kennelijk onvoldoende nagedacht over de mogelijke consequenties en hiermee een gebrek aan respect voor de eigendommen van anderen laten zien.
Uitgangspunt
Gelet op de ernst van de feiten en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat deze feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigen.
Documentatie en de persoon van verdachte
De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.
Uit de rapportage van de Reclassering Nederland d.d. 19 maart 2026 blijkt dat verdachte nog maar korte tijd in Nederland verblijft en dat hij terug wil keren naar Algerije, zijn land van herkomst. Hoewel de reclassering tijdens het gesprek met verdachte niet de indruk kreeg dat er sprake is van psychiatrische problematiek, sluit zij mogelijke persoonlijkheidsproblematiek niet uit. Er was duidelijk sprake van onderhuidse agressie en de reactie van verdachte op vragen kwam op de rapporteur als laatdunkend over. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij ziet geen mogelijkheden om met interventies en toezicht de risicos te beperken of het gedrag te veranderen, mede gezien het feit dat verdachte niet in Nederland wenst te blijven.
Straf
Gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, komt de rechtbank tot een wat lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van de tijd die verdachte inmiddels in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45, 57, 157, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde onder parketnummer 18/015861-26 en het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde onder parketnummer 18/090825-26 bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en
mr. H. de Ruijter, rechters, bijgestaan door mr. G. Langius, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2026.