ECLI:NL:RBNNE:2026:2501

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
25/2625
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 17 AwirArt. 8:42 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieverzoek op grond van Wet hersteloperatie toeslagen wegens onvoldoende terugvordering en geen vooringenomenheid

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun aanvraag om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor de jaren 2014 tot en met 2016. Zij stelden dat de hardheid van het toeslagenstelsel hen schade heeft berokkend en dat verweerder bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag over 2015 vooringenomen was.

De rechtbank oordeelt dat het bedrag aan teruggevorderde kinderopvangtoeslag in elk van de jaren lager was dan de wettelijke drempel van €1.500, waardoor de hardheidsclausule niet van toepassing is. Daarnaast is vastgesteld dat eisers de kinderopvangtoeslag over 2014 zelf hebben stopgezet, en dat de stopzetting in 2015 door verweerder gebaseerd was op een geautomatiseerde melding van DUO, zonder menselijke afweging, waardoor geen sprake is van institutionele vooringenomenheid.

Eisers konden ook niet aantonen dat verweerder relevante stukken had achtergehouden; de ontbrekende stukken waren niet relevant voor de beslissing. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst compensatie af en veroordeelt eisers niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en eisers krijgen geen compensatie toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Assen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2625

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[eisers] , uit [woonplaats] , eisers,

(gemachtigde: mr. E.A. van Wieren),
en

Dienst Toeslagen, verweerder,

(gemachtigde: [naam] ).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Volgens eisers hebben zij recht op compensatie over de jaren 2014 tot en met 2016 vanwege de hardheid van het toeslagenstelsel. Verweerder was volgens eisers bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag over 2015 bovendien vooringenomen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers geen recht hebben op een compensatie op grond van de Wht. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 4 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2014, 2015 en 2016.
2.1.
Verweerder heeft bij besluit van 2 september 2022 aan eisers laten weten dat uit de herbeoordeling is gebleken dat er geen fouten zijn gemaakt in de besluiten over de kinderopvangtoeslag van eisers over de jaren 2014, 2015 en 2016 en dat eisers geen recht hebben op een compensatie.
2.2.
Met het bestreden besluit op bezwaar van 17 juni 2025 is verweerder bij dit besluit gebleven.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.

Wettelijk kader

3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wetgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Is er aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen?
4. Het beroep van eisers op de hardheidsclausule is gebaseerd op artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht. Op grond van deze bepaling heeft een betrokkene
– samengevat – recht op een compensatie als hij schade heeft geleden door de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem van de kinderopvangtoeslag. Op grond van artikel 2.1, vierde lid, van de Wht is er geen recht op compensatie op grond van hardheid over een jaar waarover minder dan € 1.500,00 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500,00 is verlaagd.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de terugvordering van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2014 (€ 957,00), 2015 (€ 737,00) en 2016 (€ 1.259,00) lager was dan € 1.500,00. Volgens eisers is de kinderopvangtoeslag over het jaar 2015 echter met meer dan € 1.500,00 verlaagd, omdat de kinderopvangtoeslag in de voorschotbeschikking van 27 december 2014 is vastgesteld op € 5.508,00 en in de voorschotbeschikking van 21 juli 2015 is verlaagd naar € 1.780,00. Er is daarom volgens eisers ruimte om de hardheidsclausule over het jaar 2015 toe te passen.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen eisers niet worden gevolgd in hun standpunt. De beschikkingen van 27 december 2014 en 21 juli 2015 gaan over een voorschot op de kinderopvangtoeslag. Het recht op deze toeslag is definitief vastgesteld bij besluit van 11 november 2016. Deze definitieve vaststelling is niet herzien, zodat geen sprake is van een verlaging van het recht op kinderopvangtoeslag. [1] Dit betekent dat de drempel van € 1.500,00 in geen van de jaren is gehaald en dat geen compensatie op grond van de hardheidsclausule kan worden toegekend.
Was er in de besluitvorming over 2015 sprake van institutionele vooringenomenheid?
5. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder de kinderopvangtoeslag van eisers uit eigen beweging bij beschikking van 21 juli 2015 heeft stopgezet per 5 januari 2015. Verweerder heeft hierover gesteld dat de kinderopvangtoeslag is stopgezet naar aanleiding van een melding van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) dat de jongste zoon van eisers met ingang van 5 januari 2015 naar school ging.
5.1.
Volgens eisers mocht verweerder de kinderopvangtoeslag niet stopzetten zonder eerst bij hen navraag te doen of er nog gebruik werd gemaakt van kinderopvang. Volgens eisers hebben zij na 5 januari 2015 namelijk gebruik gemaakt van buitenschoolse opvang. Dat verweerder geen navraag heeft gedaan, wijst volgens eisers op vooringenomenheid. Bovendien stellen eisers dat de melding van DUO ontbreekt in het dossier, zodat er niet van uit kan worden gegaan dat er een melding van DUO ten grondslag lag aan het besluit tot stopzetting van de kinderopvangtoeslag.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat bij de stopzetting van de kinderopvangtoeslag over 2015 sprake was van institutionele vooringenomenheid. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat als een school een nieuwe leerling inschrijft, zij hiervan melding maakt in een ICT-systeem. De informatie uit dit systeem wordt uitgewisseld met het systeem van DUO. De informatie uit het systeem van DUO wordt vervolgens uitgewisseld met het systeem van verweerder. In het systeem van verweerder ontstaat vervolgens een melding waarna de kinderopvangtoeslag voor dagopvang in alle gevallen wordt stopgezet als de ouders dit zelf nog niet hebben gedaan. Bij het nemen van het besluit tot stopzetting van de kinderopvangtoeslag is dus geen sprake van een menselijke afweging.
5.3.
Dat er door verweerder geen navraag is gedaan bij eisers voor de stopzetting van de kinderopvangtoeslag maakt dit niet anders. Verweerder heeft hierover terecht gesteld dat het op grond van artikel 17, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) aan eisers was om de wijziging in de kinderopvang (van dagopvang naar buitenschoolse opvang) door te geven. Dit hebben zij ten onrechte niet gedaan. Bovendien hadden eisers op het moment dat de toeslag voor de dagopvang werd gestopt met terugwerkende kracht kinderopvangtoeslag voor de buitenschoolse opvang kunnen aanvragen.
5.4.
Het standpunt van eisers dat de schriftelijke melding van DUO ontbreekt in het dossier leidt ook niet tot een ander oordeel. Op de zitting heeft verweerder afdoende toegelicht dat er geen schriftelijke melding van DUO is en dat de gegevensuitwisseling tussen de systemen van DUO en verweerder alleen tot een melding in het systeem van verweerder leidt. Een schermafdruk van deze melding is door verweerder bij de stukken gevoegd. [2]
Heeft verweerder alle op het geding betrekking hebbende stukken overgelegd?
6. Eisers hebben ook als beroepsgrond aangevoerd dat het dossier niet volledig is. Volgens eisers ontbreken de aanvraag voor kinderopvangtoeslag over het jaar 2015 en de meldingen die hebben geleid tot de verhoging van de voorschotten van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2014.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Tussen partijen is niet in geschil dat de jongste zoon van eisers met ingang van 5 januari 2015 naar de basisschool is gegaan en dat vanaf die datum geen dagopvang, maar buitenschoolse opvang is afgenomen. Ook blijkt uit de stukken die door verweerder zijn overgelegd welke voorschotten over het jaar 2015 zijn toegekend, welke bedragen zijn teruggevorderd en welk bedrag uiteindelijk over dit jaar aan kinderopvangtoeslag is toegekend. De aanvraag voor de kinderopvangtoeslag over het jaar 2015 is een onderliggend stuk dat niet relevant is voor de beslissing. Dit is daarom geen ‘op het geding betrekking hebbend stuk’, zoals bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat verweerder dit stuk niet hoefde te overleggen.
6.2.
Hetzelfde geldt voor de meldingen die hebben geleid tot de verhoging van de voorschotten van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2014. Ook dit betreffen geen relevante stukken die verweerder had moeten overleggen, omdat op basis van de door verweerder overgelegde stukken al kan worden vastgesteld dat eisers geen recht hebben op compensatie. Tussen partijen is immers niet in geschil dat het bedrag aan kinderopvangtoeslag dat door verweerder is teruggevorderd dusdanig laag was dat verweerder de hardheidsclausule niet kon toepassen. Eisers hebben de kinderopvangtoeslag over het jaar 2014 bovendien zelf stopgezet, zodat ook geen sprake is van een vooringenomen besluit van verweerder.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat verweerder aan hen geen compensatie hoeft toe te kennen. Eisers krijgen het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Veenema, rechter, in aanwezigheid van K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&g=2024-01-01&z=2024-01-01), de Wet kinderopvang (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&g=2024-01-01&z=2024-01-01) of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
[…]
4. Een aanvrager van een kinderopvangtoeslag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, komt niet in aanmerking voor compensatie van schade met betrekking tot een berekeningsjaar waarover minder dan € 1.500 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500 is verlaagd.
[…]
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Artikel 17
1. Indien een voorschot op de tegemoetkoming is verleend en er een relevante wijziging optreedt in de omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming, is de belanghebbende gehouden die wijziging te melden aan de Belastingdienst/Toeslagen.
[…]

Voetnoten

1.Vergelijk Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3380, r.o. 5.4.
2.Als productie 6.29.