ECLI:NL:RVS:2025:3380
Raad van State
- Hoger beroep
- W. den Ouden
- J.C.A. de Poorter
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag over 2008-2011 wegens ontbreken institutionele vooringenomenheid
Appellant verzocht om herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag en compensatie voor de jaren 2008 tot en met 2011. De Belastingdienst/Toeslagen weigerde dit, stellende dat geen sprake was van te strenge toepassing van de regels of institutionele vooringenomenheid. Ook de rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat de kinderopvangtoeslag onjuist was berekend, dat voorschotten onterecht waren teruggevorderd en dat hij daardoor in financiële problemen was gekomen. Hij deed tevens een beroep op de hardheidsclausule van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
De Raad van State oordeelde dat het verschil tussen het geschatte toetsingsinkomen en het definitief vastgestelde inkomen zonder bijkomende omstandigheden geen institutionele vooringenomenheid oplevert. Ook was er geen sprake van een verlaging van het recht op toeslag boven de drempel van € 1.500,00. De hardheidsclausule kon niet worden toegepast omdat appellant geen schrijnende situatie kon aantonen binnen de relevante jaren en omdat de overschrijding van termijnen een termijn van orde betreft.
Verder werd geoordeeld dat de stukken van de Belastingdienst inzake de inkomstenbelasting niet relevant waren voor de compensatieprocedure en daarom niet behoorden tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van compensatie bevestigd.