ECLI:NL:RBNNE:2026:2593

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
18.169979.23
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 47 SrArt. 420bis Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gewoontewitwassen tot taakstraf na vrijspraak drugsbezit

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 3 juli 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van gewoontewitwassen en het bezit van cocaïne.

De rechtbank achtte het bezit van cocaïne niet wettig en overtuigend bewezen, omdat de drugs in de woning van verdachte werd aangetroffen maar toebehoorde aan een medeverdachte. Verdachte had geen wetenschap van de aanwezigheid van de drugs, waardoor zij voor dit feit werd vrijgesproken.

Voor het witwassen van geldbedragen afkomstig uit drugshandel oordeelde de rechtbank dat verdachte dit feit wel had begaan. Uit financiële analyses bleek dat verdachte's rekening werd gebruikt voor het witwassen van crimineel geld, waarbij verdachte nauw samenwerkte met de medeverdachte. Verdachte bekende dit feit en werd veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen.

De rechtbank legde een taakstraf van 120 uur op, rekening houdend met de ernst van het feit, persoonlijke omstandigheden van verdachte, haar verantwoordelijkheid tijdens de zitting, en de overschrijding van de redelijke termijn. De opgelegde taakstraf kan worden vervangen door twee maanden hechtenis bij niet-naleving.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur voor medeplegen van gewoontewitwassen en vrijgesproken van bezit van cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.169979.23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 03 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , wonende te [land] , ingeschreven te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 juni 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. Dussel, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
zij in of omstreeks de periode van 21 augustus 2019 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedragen (van een totale waarde van ongeveer 23.628,42 euro),
Sub b
  • heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
  • gebruik heeft gemaakt
terwijl zij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf
- en zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;
2
zij op of omstreeks 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 2 heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het bewijs volgt uit het feit dat de drugs is aangetroffen in de woning van verdachte en zij heeft verklaard dat er soms cocaïne van haar in de woning lag.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, bewezen kan worden verklaard. Zij heeft ten aanzien van de periode aangevoerd dat verdachte vanaf augustus 2020 ging samenwonen met de medeverdachte en dat vanaf dat moment haar rekening is gebruikt om de inkomsten uit drugsverkoop wit te wassen.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 2
De rechtbank acht feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de aangetroffen drugs niet van haar, maar van de medeverdachte was. Uit het dossier blijkt dat de medeverdachte cocaïne verhandelde. De drugs is aangetroffen in een Smintdoosje onder het matras. Op die plek zijn ook twee dealertelefoons van de medeverdachte aangetroffen. Gelet op deze omstandigheden vindt de rechtbank het aannemelijk dat de drugs van de medeverdachte was en dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van deze drugs in haar woning. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat zij de drugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Veroordeling feit 1
De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van financiële bevindingen d.d. 12 oktober 2023, opgenomen op pagina 495 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2022343706 d.d. 12 januari 2024, inhoudend het relaas van verbalisant.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Uit de financiële bevindingen en de verklaring van verdachte ter zitting volgt dat haar rekening is gebruikt voor het witwassen van een deel van de opbrengst van de verkoop van drugs door de medeverdachte. De verdachte overboekingen op de rekening van verdachte hebben specifieke kenmerken: het zijn ronde bedragen, veel namen van betalers komen meerdere keren terug, er is sprake van eenrichtingsverkeer, het zijn aannemelijke bedragen voor drugsverkoop en geen aannemelijke bedragen voor de omschrijvingen en er wordt vaak gebruik gemaakt van dezelfde omschrijving. De rechtbank stelt vast dat uit bijlage 3 bij de financiële bevindingen volgt dat vanaf 23 juli 2020 bedragen op de rekening van verdachte zijn overgeboekt die aan de hiervoor genoemde kenmerken voldoen en waarvan dus buiten redelijke twijfel kan worden aangenomen dat deze een criminele herkomst hebben. De rechtbank neemt die datum als startpunt van de periode. De rechtbank acht dus niet bewezen dat de bedragen die voor 23 juli 2020 op de rekening zijn gestort van misdrijf afkomstig zijn. Het betreft een bedrag van 1.385,32.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 23 juli 2020 tot en met 17 juli 2023 geld heeft witgewassen en dat verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte dusdanig nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte, dat sprake is van medeplegen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
zij in de periode van 23 juli 2020 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde, tezamen en in vereniging met een ander, (van) een voorwerp, te weten een geldbedrag (van een totale waarde van ongeveer 22.243,10)
  • heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en
  • gebruik heeft gemaakt
terwijl zij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf
- en zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1. medeplegen van het maken van een gewoonte van het plegen van witwassen
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat een taakstraf een passende afdoening is.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 7 mei 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich gedurende een periode van 3 jaar schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. Zij heeft samen met de medeverdachte het geld witgewassen dat hij met cocaïnehandel heeft verdiend. Door het witwassen van crimineel geld wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd en wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Witwassen is een ernstig feit.
De rechtbank neemt bij het bepalen van de straf de oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) als uitgangspunt. Daaruit volgt dat een gevangenisstraf van 2 tot 5 maanden of een taakstraf passend is.
Naast de aard en de ernst van het feit houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit haar strafblad volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat zij sinds haar aanhouding niet meer in aanraking is gekomen met justitie.
Uit het reclasseringsrapport blijkt dat de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden adviseert, omdat interventies of toezicht niet nodig is. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat.
De rechtbank weegt de proceshouding van verdachte in strafverminderende zin mee. Zij heeft ter zitting verantwoordelijkheid genomen voor het door haar gepleegde feit.
De rechtbank houdt ten slotte rekening met het tijdsverloop. Het heeft na de aanhouding van verdachte op 17 juli 2023 bijna 3 jaar geduurd voordat haar zaak op zitting is behandeld. De redelijke termijn is fors overschreden.
Alles afwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie redelijk. De rechtbank vindt een taakstraf van 120 uren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 2 maanden zal worden toegepast.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 03 juli 2026.
Mr. Doorn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.