ECLI:NL:RBNNE:2026:2594

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
18.303613.23
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 285 SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens mishandeling, bedreiging met de dood en verboden wapenbezit

Op 4 november 2023 mishandelde verdachte [slachtoffer 1] door haar te slaan op de wang en bedreigde hij [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] met de dood door een gasrevolver te tonen, gericht te houden en in de lucht te schieten. Verdachte had het wapen en munitie in bezit in de periode van 4 tot 16 november 2023.

De verdediging voerde noodweer aan voor de mishandeling en betwistte de betrouwbaarheid van de bedreigingsverklaringen. De rechtbank verwierp het noodweerverweer omdat de handeling van slaan niet proportioneel was en achtte de verklaringen van aangeefster en getuige betrouwbaar. De bedreiging met het vuurwapen werd bewezen geacht.

Verdachte werd niet verminderd toerekeningsvatbaar geacht ondanks mentale problematiek, omdat onvoldoende duidelijk was dat dit zijn gedrag beïnvloedde. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 5 maanden op, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, rekening houdend met de ernst van het feit, maatschappelijke onrust door vuurwapengeweld en de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, wegens mishandeling, bedreiging met de dood en verboden wapenbezit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.303613.23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 03 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte ] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 juni 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Lieftink, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.G.F. van Boven.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 4 november 2023 te Groningen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] te slaan in/tegen/op haar gezicht/wang;
2
hij op of omstreeks 4 november 2023 te Groningen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
  • die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] dreigend de woorden toe te voegen: “ik maak jullie allemaal dood” althans woorden van vergelijkbaar dreigende aard en/of strekking
  • ( daarbij) een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te tonen
  • dat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] te richten
  • met dat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) in de lucht te schieten;
3
hij in of omstreeks de periode 4 november 2023 tot en met 16 november 2023 te Groningen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gasrevolver, van het merk Umarex, type Ruger Redhawk, kaliber 9 m.m. R.K. zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 47 knalpatronen, van het merk Umarex, kaliber 9 m.m. R.K. voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit 1 en feit 2. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman namens verdachte een beroep op noodweer gedaan.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman in de kern aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster en getuigen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] onvoldoende betrouwbaar zijn, waardoor deze verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Uit de verklaring van getuige [getuige] volgt dat verdachte enkel een wapen richtte op [slachtoffer 2] en dus niet op de overige in de tenlastelegging genoemde personen. Verder volgt uit de verklaring van getuige [getuige] niets van geuite verbale bedreigingen, waardoor aanvullend bewijs voor een verbale bedreiging met de dood ontbreekt. Dat past ook bij de verklaring van verdachte dat hij enkel in de lucht
schoot om aangeefster, [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] weg te jagen. Aldus was er geen sprake van een strafbare bedreiging met de dood c.q. zware mishandeling.
Voor het geval de bedreiging wel zou worden aangenomen, heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte in de lucht schoot omdat hij zich ernstig bedreigd voelde. Hij was eerder al eens (ernstig) mishandeld door [slachtoffer 2] en voelde zich klemgereden door aangeefster. Verdachte stond in zijn eentje tegenover aangeefster, [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en was bang (wederom) mishandeld te worden. Zijn schot was dan ook enkel bedoeld om hen weg te jagen en kan niet worden gezien als bedreiging met de dood.
Oordeel van de rechtbank
Veroordeling ten aanzien van feit 1
De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 november 2023, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023296458 d.d. 7 februari 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] .

Bewijsoverweging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Hij heeft gesteld dat verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, waardoor de wederrechtelijkheid van zijn handelen ontbreekt.
Daartoe heeft de raadsman de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.
De aanval is uitgegaan van aangeefster. Op het moment dat aangeefster verdachte sloeg was er derhalve sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen noodzakelijke verdediging was geboden. Door aangeefster op identieke wijze terug te slaan, heeft verdachte proportioneel gehandeld. De verklaring van aangeefster lijkt dit te onderschrijven, al stelt zij verdachte te hebben geduwd nadat hij haar een knuffel probeerde te geven.
Het dossier bevat geen camerabeelden van het incident, waardoor verdachte niet in staat is nadere onderbouwing te leveren voor de aannemelijkheid van het noodweerscenario. Dat neemt niet weg dat de verdediging voldoende aanknopingspunten voor de aannemelijkheid van het noodweerverweer ziet in de verklaring van aangeefster.
De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, geen beroep op noodweer rechtvaardigen.
Hoewel de precieze toedracht van het fysieke contact tussen verdachte en zijn zus onduidelijk is gebleven, geldt dat de daaropvolgende handeling van de verdachte een klap in het gezicht , gelet op diens bedoeling en de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedrag, niet kan worden aangemerkt als een
verdedigingshandeling om een (vermeende) aanval te stoppen. Deze handeling moet naar de kern bezien als aanvallend worden aangemerkt.
Het verweer wordt daarom verworpen.
Veroordeling ten aanzien van feit 2
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van feit 2 redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 19 juni 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Na het incident bij het huis van mijn zus [slachtoffer 1] op 4 november 2023, wilde ik naar huis rijden. Ik wist dat mijn broer een vuurwapen in de garagebox had. Dat heb ik opgehaald en onder handbereik (in de tussenconsole) in de auto gelegd om mijn familie bang te maken als ik ze tegen zou komen. Het wapen was geladen. Toen ik naar huis reed, werd ik geblokkeerd door mijn zus. Mijn andere zus [slachtoffer 1] , mijn broer [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] waren er ook. Er werd gescholden en op mijn auto geslagen. Nadat ik ben uitgestapt, heb ik het wapen gepakt en in de lucht geschoten.
Dit was met het wapen dat ik later bij de politie heb ingeleverd.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 november 2023, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] :
We kwamen terecht op de kruising [adres] met de [adres] in Groningen. [verdachte ] kwam aanrijden met zijn auto en bleef stilstaan ter hoogte van genoemde kruising. [verdachte ] stapte uit de auto en riep, in het Papiaments: “Ik maak jullie allemaal dood”. Ik zag dat [verdachte ] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn handen had en dat op mij richtte. Ik voelde mij op dat moment ernstig bedreigd. Ik was bang dat hij mij met dit wapen iets aan zou doen waardoor mij lichamelijk iets zou overkomen waardoor ik gewond of gedood zou worden. Ik zag dat hij het wapen niet alleen op mij richtte, maar ook op andere genoemde personen. Ik hoorde dat [verdachte ] maar bleef roepen, wat hij eerder ook al had geroepen “Ik maak jullie allemaal dood”. Ik zag dat [verdachte ] achter mijn broer aan begon te rennen, dreigend met het wapen, waarbij ik zag dat hij dit wapen gericht hield op mijn broer. Ik zag dat [verdachte ] het wapen in de lucht richtte en hoorde op dat moment een knal. Ook dit voelde voor mij heel bedreigend. Nogmaals, ik heb het als heel bedreigend ervaren en was in de veronderstelling dat mijn broer [verdachte ] mij iets aan zou doen dan wel anderen iets aan zou doen.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 november 2023, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4] :
Ik zag dat [verdachte ] uitstapte met een vuurwapen in zijn hand. Ik zag een zilverkleurig voorwerp waarmee hij op iedereen begon te richten. Ik hoorde dat hij zei: “Ik maak jullie allemaal af”. Toen zag ik dat [verdachte ] op [slachtoffer 2] richte met het wapen. Ik heb toen mijn handtas naar hem gegooid zodat hij niet kon schieten. Daarna zag ik dat hij langs mij rende met het wapen in zijn hand, gericht op mijn broer [slachtoffer 2] . Daarna hoorde en zag ik dat hij in de lucht schoot.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 14 november 2023, opgenomen op pagina 15 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :
Ik zag twee autos aan komen rijden, ze reden uit tegenovergestelde richting. Uit die zwarte auto stapte een man met een pistool. Ik zag een gestrekte arm met een pistool. Ik zag dat de man het pistool richtte op een man met dreadlocks, die door de anderen tegengehouden werd. Ik werd heel bang van het hele gebeuren en ben op een afstand gaan staan. Ik heb een schot gehoord.
5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 28 november 2023, opgenomen op pagina 50 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend een relaas van verbalisant [verbalisant] :
Wapenomschrijving 1:
Goednummer: PL0100-2023296458-1662311
Object: Vuurwapen (Gasrevolver) Merk/type: Umarex, Ruger Redhawk Kaliber: 9mm RK
Het wapen heeft een open loop voorzien van een sper (blokkering).
Het inbeslaggenomen voorwerp is een centraalvuur revolver geschikt om weerloosmakende of traanverwekkende stoffen door een loop af te schieten.
De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie.
Derhalve is deze gasrevolver een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3 gelet op artikel 2, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

Bewijsoverwegingen

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Betrouwbaarheid verklaringen
Anders dan de verdediging, ziet de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en getuige [slachtoffer 4] . Niet alleen komen deze verklaringen in grote lijnen met elkaar overeen, maar zij vinden op essentiële punten ook ondersteuning in het dossier, waaronder in de verklaring van getuige [getuige] . Het feit dat die onafhankelijke getuige niet (ook) de verbale doodsbedreigingen heeft waargenomen doet daaraan niet af, nu dit logisch verklaarbaar is omdat getuige [getuige] zich buiten gehoorsafstand bevond.
Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat de verklaringen van aangeefster en getuige [slachtoffer 4] op elkaar zijn afgestemd en dat er aanwijzingen zijn van een samenzwering tegen verdachte, vindt geen steun in het dossier en is ook voor het overige niet aannemelijk geworden. De rechtbank ziet mede gelet daarop geen enkele aanleiding om de verklaringen van aangeefster en getuige [slachtoffer 4] als onbetrouwbaar aan te merken. Deze verklaringen kunnen daarom voor het bewijs worden gebruikt.
De verklaring van getuige [slachtoffer 3] laat de rechtbank buiten beschouwing. Aan die verklaring hecht de rechtbank minder waarde, gelet op de tijd die is verstreken sinds het incident en het moment waarop deze verklaring is afgelegd.
Noodweer
Voor zover de verdediging ten aanzien van feit 2 bedoeld heeft een noodweerverweer te voeren, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte, na het incident dat als feit 1 ten laste is gelegd, een geladen wapen had opgehaald, zijn auto stilzette op de kruising waar aangeefster, [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zich ook bevonden, is uitgestapt en vervolgens het wapen uit de auto heeft gehaald.
Daarna heeft hij zijn gaspistool gericht op aangeefster, [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en in de lucht heeft geschoten. Ter zitting verklaarde verdachte bovendien dat hij het geladen gaspistool bewust bij zich had om aangeefster, [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] bang te maken als hij ze zou tegenkomen. Uit niets blijkt dat verdachte is klemgereden of anderszins is aangevallen. De handelingen van verdachte moeten dan ook als aanvallend worden aangemerkt.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het verweer wordt dan ook verworpen.
Veroordeling ten aanzien van feit 3
De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 november 2023, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend een relaas van verbalisant [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 28 november 2023, opgenomen op pagina 50 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend een relaas van verbalisant [verbalisant] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 4 november 2023 te Groningen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] te slaan op haar wang;
2
hij op 4 november 2023 te Groningen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door
  • die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] dreigend de woorden toe te voegen: “ik maak jullie allemaal dood” althans woorden van vergelijkbaar dreigende aard en/of strekking
  • daarbij een vuurwapen te tonen
  • dat vuurwapen op die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] te richten
  • met dat vuurwapen in de lucht te schieten;
3
hij in de periode 4 november 2023 tot en met 16 november 2023 te Groningen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gasrevolver, van het merk Umarex, type Ruger Redhawk, kaliber 9 m.m. R.K. zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 47 knalpatronen, van het merk Umarex, kaliber 9 m.m. R.K. voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
mishandeling
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de bepleite vrijspraak voor feit 1 en feit 2. Als toch tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten wordt gekomen, dan wordt verzocht het tenlastegelegde gelet op de overgelegde rapporten verdachte in verminderde mate toe te rekenen. Verder heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, het feit dat verdachte in periode na het tenlastegelegde niet in aanraking is gekomen met politie en justitie en het gegeven dat verdachte zelfstandig hulp heeft gezocht. Gelet daarop is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst en aard van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig geweldsdelict. Hij heeft op klaarlichte dag in de openbare ruimte met een vuurwapen geschoten met de bedoeling om de beoogde slachtoffers angst aan te jagen. Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen bij die slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt zoals ter zitting verwoord door benadeelde, maar ook bij omstanders die getuige waren van het schietincident of zich in de directe omgeving bevonden. Dergelijk vuurwapengeweld in de openbare ruimte leidt tot grote maatschappelijke onrust en tast het veiligheidsgevoel van burgers in ernstige mate aan. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het uittreksel justitiële documentatie van 6 mei
2026, waaruit blijkt dat sprake is van een omvangrijk strafrechtelijk verleden. De rechtbank constateert evenwel dat verdachte voor het laatst is veroordeeld in 2019 voor een feit uit 2017.
Ten aanzien van de persoon van verdachte overweegt de rechtbank het volgende. Een reclasseringsadvies is niet tot stand gekomen. Uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, blijkt wel dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde en ook thans nog kampt met mentale problematiek. Op basis van de overgelegde medische verklaringen, gaat de rechtbank ervan uit dat bij verdachte sprake is (geweest) van een stoornis. Het is echter onvoldoende duidelijk geworden op welke wijze deze problematiek heeft
doorgewerkt in het gedrag van verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde. Evenmin is gebleken of, en zo ja, in hoeverre, zijn beoordelingsvermogen daardoor is beïnvloed. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten en rekent het bewezenverklaarde volledig aan hem toe.
Strafafdoening
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de aard en ernst van het bewezenverklaarde kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank zal evenwel een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan gevorderd. Zij houdt daarbij rekening met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte sinds het bewezenverklaarde feit niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank acht het evenwel wel van belang om een voorwaardelijk deel aan de straf te verbinden, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 285, 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.

Bepaalt dat (van) deze gevangenisstraf (
een gedeelte, groot drie maanden), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Brouwer, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr.
T Bosker, rechters, bijgestaan door mr. M. Huiskamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 03 juli 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.