ECLI:NL:RBNNE:2026:2597

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
18.050574.23
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens medeplegen gewoontewitwassen en handel in cocaïne tot 3 jaar gevangenisstraf

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor drie strafbare feiten: medeplegen van gewoontewitwassen van ongeveer €75.763,86 over de periode van 1 februari 2018 tot 17 juli 2023, handel in cocaïne van 27 januari 2020 tot 17 juli 2023, en bezit van cocaïne op 17 juli 2023. De feiten zijn wettig en overtuigend bewezen, mede door de bekennende verklaring van verdachte en diverse proces-verbalen.

De rechtbank oordeelt dat verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt en dat hij nauw en bewust heeft samengewerkt met een medeverdachte. De handel in cocaïne betrof een grootschalige activiteit over ruim drieënhalf jaar, waarbij ook minderjarigen als afnemers betrokken waren. Het bezit van cocaïne op 17 juli 2023 wordt niet als medeplegen bewezen verklaard.

De rechtbank verwerpt het verweer dat het witwassen slechts eenvoudig was en dat bedragen van familieleden moeten worden afgetrokken. Er zijn voldoende aanwijzingen van verhullingshandelingen, zoals het gebruik van misleidende omschrijvingen bij betalingen en het registreren van auto's op naam van anderen.

Bij de strafoplegging weegt de rechtbank de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn strafblad en het reclasseringsrapport mee. Ondanks het pleidooi voor toepassing van het jeugdstrafrecht en een taakstraf, wordt een gevangenisstraf van 3 jaar opgelegd, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, mede vanwege de lange duur van de feiten en het tijdsverloop in de procedure.

De rechtbank verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en veroordeelt verdachte conform de vordering van het openbaar ministerie, met aftrek van het voorarrest.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, voor medeplegen van gewoontewitwassen en handel in cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.050574.23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 03 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , wonende te [land] , ingeschreven te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 juni 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2018 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedragen (van een totale waarde van ongeveer 75.763,86 euro),
Sub b
  • heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
  • gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf
- en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;
2
hij in of omstreeks de periode van 27 januari 2020 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij op of omstreeks 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (feit 3)
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 3 niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit, omdat het bezit van cocaïne impliciet ook al is ten laste gelegd onder feit 2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van feit 3.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank staat de wijze van tenlastelegging waarvoor het openbaar ministerie in deze zaak heeft gekozen niet in de weg aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vordering. In het bijzonder is geen sprake van een situatie van dubbele vervolging als bedoeld in artikel 68 Wetboek Pro van Strafrecht, nu van een voorafgaande onherroepelijke veroordeling voor hetzelfde feit geen sprake is. Zoals hierna bij de bewezenverklaring zal blijken, komt de rechtbank bovendien niet toe aan de bewezenverklaring van het onder 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde (bezit cocaïne), omdat zij het
impliciet primair ten laste gelegde (drugs dealen) bewezen acht. Het bezit van cocaïne wordt dus niet zowel onder feit 2 als onder feit 3 bewezen verklaard. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, bewezen kunnen worden verklaard. De raadsman heeft aangevoerd dat voor wat betreft de pleegperiode van feit 1 (witwassen) aansluiting moet worden gezocht bij de pleegperiode van feit 2 (drugs dealen). Verder heeft de raadsman gesteld dat het witgewassen bedrag moet worden verminderd met de bedragen die verdachte van zijn familieleden heeft ontvangen.
Oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen
De rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van financiële bevindingen d.d. 12 oktober 2023, opgenomen op pagina 594 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2022343706 d.d. 12 januari 2024, inhoudend het relaas van verbalisant;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 20 juli 2023, opgenomen op pagina 360 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 1] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 27 december 2022, opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 2] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 14 januari 2023, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 3] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2023, opgenomen op pagina 145 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten;
een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 17 juli 2023, opgenomen op pagina 454 e.v. van voornoemd dossier;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 9 augustus 2023, opgenomen op pagina 484 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten.
Bewijsoverweging
Feit 1
De rechtbank overweegt het volgende over de periode van witwassen. Uit het proces-verbaal van financiële bevindingen volgt dat in de periode van 1 februari 2018 tot en met 17 juli 2023 548 verdachte Tikkie-betalingen op de rekening van verdachte zijn gestort. Verdachte heeft bekend dat het merendeel van deze bedragen betalingen waren voor drugs. Deze Tikkie-betalingen hebben specifieke kenmerken: het zijn ronde bedragen, veel namen van betalers komen meerdere keren terug, er is sprake van eenrichtingsverkeer, het zijn aannemelijke bedragen voor drugsverkoop en geen aannemelijke bedragen voor de omschrijvingen en er wordt vaak gebruik gemaakt van dezelfde omschrijving. De rechtbank stelt vast dat een deel van de verdachte Tikkie-betalingen vóór 27 januari 2020 zijn overgemaakt, dus voor de start van de pleegperiode van feit 2. De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van die bedragen buiten redelijke twijfel vast staat dat dit betalingen voor drugs waren, omdat die betalingen precies passen bij de hiervoor genoemde kenmerken. Voor al deze betalingen geldt dus dat het niet anders kan dan dat het hiermee verkregen geld onmiddellijk uit misdrijf afkomstig is.
De rechtbank verwerpt het verweer dat de bedragen van familieleden moeten worden afgetrokken van het bewezenverklaarde bedrag. Volgens vaste jurisprudentie geldt immers dat in het geval dat van misdrijf afkomstige bedragen zijn vermengd met legale vermogensbestanddelen, het vermengde vermogen behoudens bijzondere omstandigheden die hier niet aan de orde zijn kan worden aangemerkt als mede of deels uit misdrijf afkomstig.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 1 februari 2018 tot en met 17 juli 2023 geld heeft witgewassen en dat verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte dusdanig nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte, dat sprake is van medeplegen.
Feit 2
Verdachte heeft bekend dat hij tot de inval op 17 juli 2023 heeft gehandeld in cocaïne, maar hij heeft aangegeven dat hij de pleegperiode niet precies weet. De rechtbank neemt als startpunt van de periode de verklaring van getuige [getuige 1] (opgenomen als bewijsmiddel 3), waaruit blijkt dat hij vanaf 27 januari 2020 meermalen bedragen heeft overgeboekt naar de rekening van verdachte ter betaling van cocaïne. De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 27 januari 2020 tot en met 17 juli 2023 in cocaïne heeft gehandeld.
Feit 3
Voor wat betreft de drugs die is aangetroffen tijden de doorzoeking op 17 juli 2023 heeft verdachte ter zitting aangegeven dat het zijn drugs betrof en dat de medeverdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van die drugs. De rechtbank acht daarom het medeplegen van dit feit niet bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij in de periode van 1 februari 2018 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde tezamen en in vereniging met een ander, (van) een voorwerp, te weten een geldbedrag (van een totale waarde van ongeveer 75.763,86 euro),
  • heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en
  • gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf
- en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;
2
hij in de periode van 27 januari 2020 tot en met 17 juli 2023 in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3
hij op 17 juli 2023 te Onstwedde opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft over feit 1 opgemerkt dat het handelen van verdachte niet gekwalificeerd kan worden als witwassen, maar slechts als eenvoudig witwassen, omdat uit het dossier niet blijkt dat zijn gedragingen gericht waren op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat in het geval van artikel 420bis sub b van het Wetboek van Strafrecht verhullingshandelingen niet relevant zijn.
Oordeel van de rechtbank
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, zoals in deze zaak, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen of de criminele herkomst te verhullen. Gelet hierop moet worden aangenomen dat, als vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.
De rechtbank overweegt allereerst dat verdachte het geld niet enkel heeft verworven en voorhanden heeft gehad, maar ook heeft overgedragen en omgezet. De rechtbank is verder van oordeel dat er verhullingshandelingen hebben plaatsgevonden. Verdachte heeft immers betalingen voor drugs ontvangen met misleidende of versluierende omschrijvingen, waarbij hij ook gebruik heeft gemaakt van de rekening van medeverdachte en hij heeft autos die hij kocht met contanten op naam van anderen geregistreerd.
Verdachte heeft ter zitting over dit laatste verklaard dat hij dit deed om te verhullen dat het geld niet legaal was.
De rechtbank acht het bewezenverklaarde feit onder 1 daarom strafbaar en te kwalificeren als witwassen.
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van het maken van een gewoonte van het plegen van witwassen
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is. Hij heeft gepleit voor oplegging van een forse taakstraf en een voorwaardelijk gevangenisstraf. De raadsman heeft verder gepleit voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Ten slotte heeft de raadsman gewezen op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 16 april 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Verdachte wordt veroordeeld voor drie strafbare feiten. Hij heeft zich gedurende een periode van ongeveer drieënhalf jaar schuldig gemaakt aan grootschalige cocaïnehandel. Verdachte heeft cocaïne verstrekt aan een grote hoeveelheid gebruikers, waaronder minderjarigen. Verder heeft verdachte cocaïne aanwezig gehad. Dit zijn ernstige feiten. Het is algemeen bekend dat drugs schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers. Daarnaast veroorzaakt de criminaliteit die met de handel het bezit van harddrugs gepaard gaat schade en overlast voor de samenleving.
Het geld dat verdachte met het dealen heeft verdiend, heeft hij samen met de medeverdachte witgewassen. Door het witwassen van crimineel geld wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd en wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Ook witwassen is een ernstig feit.
Voor zulke ernstige, ondermijnende feiten is in beginsel alleen een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Dit blijkt onder meer uit de oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht). Bij het handelen in drugs voor een periode van 6 tot 12 maanden, is volgens de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden het uitgangspunt. Verdachte heeft zich drieënhalf jaar schuldig gemaakt aan het handelen in cocaïne. Daarnaast heeft hij zich ook nog schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen, waarvoor een gevangenisstraf van tussen de 5 en 9 maanden het uitgangspunt is. De rechtbank is daarom van oordeel dat een taakstraf, zoals door de raadsman voorgesteld, geen recht doet aan de ernst van de feiten.
Naast de aard en de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit zijn strafblad blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat hij sinds zijn aanhouding niet meer in aanraking is gekomen met justitie.
Uit het reclasseringsrapport volgt dat de reclassering een aantal indicaties ziet om het jeugdstrafrecht toe te passen en een straf zonder bijzondere voorwaarden adviseert. Verder blijk uit het rapport dat verdachte geen gestructureerde dagbesteding of inkomsten heeft.
De rechtbank heeft besloten het advies van de reclassering om het jeugdstrafrecht toe te passen, niet te volgen. Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 18 tot 23 jaar oud en de rechtbank ziet geen grond om van het uitgangspunt dat het volwassenenstrafrecht wordt toegepast af te wijken. Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan geraffineerde feiten en bovendien is een opvoedkundige aanpak niet aan de orde in deze zaak.
De rechtbank weegt de proceshouding van verdachte in strafverminderende zin mee. Hij neemt verantwoordelijkheid voor de door hem gepleegde feiten.
De rechtbank houdt ten slotte rekening met het tijdsverloop. Het heeft na de aanhouding van verdachte op 17 juli 2023 bijna 3 jaar geduurd voordat zijn zaak op zitting is behandeld. De redelijke termijn is fors overschreden.
De rechtbank vindt de strafeis in beginsel passend. De rechtbank ziet echter in het tijdsverloop en het feit dat verdachte na 17 juli 2023 niet meer in aanraking is gekomen met justitie aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Het voorwaardelijke strafdeel dient ter voorkoming dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 1 jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 03 juli 2026.
Mr. Doorn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.