ECLI:NL:RBNNE:2026:2598

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
18.050574.23 ontneming
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens gewoontewitwassen en overtreding Opiumwet

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 3 juli 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor gewoontewitwassen in vereniging en het opzettelijk handelen in strijd met een verbod uit de Opiumwet. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, begroot op €75.763,86.

Tijdens de terechtzitting van 19 juni 2026 heeft de rechtbank de standpunten van partijen gehoord. De verdediging voerde aan dat bepaalde bedragen afkomstig waren van familieleden en vrienden en daarom niet tot het te ontnemen bedrag behoorden. De rechtbank achtte de verklaringen over bedragen van familieleden aannemelijk en bracht deze in mindering, terwijl bedragen van anderen niet werden erkend wegens gebrek aan concrete en verifieerbare onderbouwing.

Op basis van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en het proces-verbaal van financiële bevindingen stelde de rechtbank het te ontnemen bedrag vast op €73.588,86. De rechtbank legde aan veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 735 dagen. De overige vorderingen van de officier van justitie werden afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank legt een ontnemingsmaatregel op van €73.588,86 aan veroordeelde wegens wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.050574.23
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 03 juli 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde]

veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , wonende te [land] , ingeschreven te [adres] .

Procesverloop

De officier van justitie heeft op 27 mei 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 75.763,86 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.050574.23 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 19 juni 2026. Bij de behandeling zijn de veroordeelde en zijn raadsman mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen, gehoord. Het openbaar
ministerie is vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van verdachte over de alternatieve herkomst van sommige bedragen niet concreet en verifieerbaar is. Daarom kunnen de door verdachte genoemde bedragen niet in mindering worden gebracht op het te ontnemen bedrag.

Standpunt van de raadsman en de veroordeelde

De raadsman en de veroordeelde hebben verzocht dat het te ontnemen bedrag wordt verminderd met de bedragen die veroordeelde van familieleden en vrienden heeft ontvangen, omdat dat geen drugsbetalingen betreffen. Het betreft de betalingen van [naam 1] (moeder), [naam 2] (vriendin van moeder), [naam 3] (stiefmoeder), [naam 4] (tante), [naam 5] (docent), [naam 6] (ex-vriendin) en [naam 7] (vriend).

Beoordeling

Grondslag voor ontneming
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 3 juli 2026 in de zaak met parketnummer 18.050574.23 veroordeeld ter zake van onder meer gewoontewitwassen in vereniging en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod. Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van die door hem gepleegde strafbare feiten.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van financiële bevindingen d.d. 12 oktober 2023, opgenomen op pagina 594 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2022343706 d.d. 12 januari 2024, inhoudend het relaas van verbalisant;
het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 9 november 2023, opgenomen op pagina 489 e.v. van voornoemd dossier.
De rechtbank neemt het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en het proces-verbaal van financiële bevindingen als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat. Uit die stukken volgt dat verdachte 75.763,86 voordeel heeft genoten.
De rechtbank is van oordeel dat de overgeboekte bedragen waarvan verdachte ter zitting heeft aangegeven dat deze van familieleden afkomstig zijn, moeten worden afgetrokken van het te ontnemen bedrag. De rechtbank vindt dat kan worden aangenomen dat die bedragen een legale herkomst hebben, ook zonder nadere onderbouwing. Dat is ook in lijn met het rapport waaruit volgt dat in beginsel wordt
uitgegaan van een legale herkomst bij ontvangen bedragen van familieleden.
De bedragen die zijn overgeboekt door [naam 2] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] zal de rechtbank niet in mindering brengen op het bedrag. Voor deze bedragen geldt dat de alternatieve herkomst, waarover verdachte overigens pas op zitting voor het eerst heeft verklaard, niet concreet en verifieerbaar is.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de volgende bedragen op het te ontnemen bedrag in mindering brengen:
- [ naam 1] : 175,00 (22 juni 2021)
- [ naam 3] : 1.000,00 (13 september 2022)
- [ naam 4] : 1.000,00 (12 februari 2019)

Totaal 2.175,00

Het voorgaande leidt tot de volgende berekening: 75.763,86 - 2.175,00 = 73.588,86
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde
73.588,86voordeel heeft genoten en legt aan veroordeelde een betalingsverplichting op tot dat bedrag.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op

73.588,86

Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van
73.588,86 (zegge: drieënzeventigduizend vijfhonderdachtendertig euro en zesentachtig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 735 dagen.
Wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 03 juli 2026.
Mr. Doorn is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.