22.04uur via Snapchat berichten met een soortgelijke strekking als door verdachte genoemd zijn verzonden. Ten tweede vindt de verklaring van verdachte steun in de camerabeelden die (door de raadsman) aan het dossier zijn toegevoegd. Deze beelden zijn niet door de politie beschreven. De beelden zijn ter zitting getoond. De rechtbank constateert dat het beeldmateriaal dateert van 19 juni 2024 en dat (onder meer) het volgende waarneembaar is: vanaf 22:21:50 uur is zichtbaar dat twee manspersonen vijf seconden door het beeld lopen, waarbij geen vuurwapen te zien is. Verder is hoorbaar dat rond 22:22:06 uur door iemand wordt gezegd: “Ben jij [bijnaam] ?” Daaropvolgend is te horen het lossen van een eerste schot, een paar seconden daarna gevolgd door het afvuren van drie consecutieve schoten. Ten derde bevestigt getuige [naam] ten overstaan van de rechter-commissaris het verhaal van verdachte, met de kanttekening dat hij de afstand tussen verdachte en de andere persoon ten tijde van het eerste schot op ongeveer vier meter schat. Voorts heeft deze getuige in het bijzonder aangegeven dat hij op dat moment verdachte achter een bus probeerde te trekken en dat de persoon daarna achter een bus vandaan hun kant op kwam.
In het verlengde daarvan acht de rechtbank, gelet op de bij de politie door [slachtoffer] afgelegde verklaring en het forensisch onderzoek naar diens wapen, aannemelijk dat toen verdachte zich achter het busje schuilhield, [slachtoffer] andermaal de trekker van zijn wapen heeft overgehaald, maar dat het wapen toen blokkeerde. Uit dat onderzoek is gebleken dat het wapen van [slachtoffer] een gasalarmpistool
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte geconfronteerd werd met een persoon die hem aansprak, op enkele meters afstand van verdachte gericht met een (gasalarm)pistool op hem schoot, na het wegduiken van verdachte zijn kant op ging en nogmaals met het wapen in zijn hand en met gestrekte arm wijzend naar het bovenlichaam van verdachte de trekker overhaalde, maar tevergeefs. Naar het oordeel van de rechtbank was er daardoor sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, gericht tegen verdachtes lijf. Verdachte bevond zich dan ook in een noodweersituatie.
Subsidiariteitseis
De rechtbank is van oordeel dat het terugschieten met een vuurwapen door verdachte geboden was voor de noodzakelijke verdediging van zijn lijf, in die zin dat onder de gegeven omstandigheden voor verdachte geen reële en redelijke andere mogelijkheid bestond om zich aan de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding te onttrekken. Verdachte trof immers op straat een persoon die zich op een zeer korte afstand enkele meters van hem met een wapen bevond en meermaals de suggestie wekte hem te willen neerschieten en mogelijk van het leven te beroven, zelfs nadat getuige [naam] verdachte achter een bus(je) probeerde te trekken. Hierdoor bestond voor verdachte geen reële mogelijkheid zich aan de aanranding te onttrekken.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte niet weg kon komen en dat ook overigens van hem in de gegeven situatie redelijkerwijs niet gevergd kon worden zich te onttrekken aan het geweld. Hiermee is voldaan aan de zogenoemde subsidiariteitseis.
Proportionaliteitseis
De vervolgvraag is of de gedragingen van verdachte als verdedigingsmiddel in redelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding, met andere woorden of is voldaan aan de zogenoemde proportionaliteitseis.
Bij het beoordelen van de (on)redelijkheid van de verhouding tussen het verdedigingsmiddel en de ernst van de aanranding is mede van belang of de verdachte een minder ingrijpende wijze van verdediging ter beschikking stond. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.
De rechtbank oordeelt dat het driemaal schieten met een vuurwapen als verdedigingsmiddel gegeven de situatie in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Zoals eerder vastgesteld, bestond de aanranding (voordat verdachte handelde) uit het éénmaal schieten met een (gasalarm)pistool op verdachte en enkele seconden erna het (nogmaals) aannemen van een schiethouding richting het bovenlijf van verdachte.
Dat het wapen van [slachtoffer] geen echt vuurwapen bleek, maar zo bleek uit het onderzoek van de politie een gasalarmpistool, doet niet aan het voorgaande af, aangezien na het eerste schot door verdachte verschijnselen zijn waargenomen (harde knal, lichtflits en rook) die ook typerend zijn voor het gebruik van een daadwerkelijk vuurwapen. Verdachte kon op dat moment nergens uit afleiden dat het wapen geen kogels kon afvuren.
Verdachte verkeerde in een zeer benarde situatie waarin het voor hem onduidelijk was of hij in leven zou blijven, te meer daar [slachtoffer] na het eerste schot op verdachte afkwam en wederom zijn wapen op hem richtte. Het in die omstandigheid vervolgens door verdachte driemaal schieten op het onderlichaam van [slachtoffer] is naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven situatie niet buitenproportioneel.
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte is gestopt met schieten op het moment dat het (levens)gevaar was geweken nadat [slachtoffer] gevallen was en niet meer omkeek. Bovendien volgt uit bevindingen van de politie dat het vuurwapen van verdachte was voorzien van een patroonmagazijn gevuld met dertien patronen en verdachte dus de mogelijkheid had om vaker te schieten, maar dat niet heeft gedaan. Concluderend acht de rechtbank dat in de gegeven omstandigheden niet van de verdachte kon worden verlangd dat hij (eerst) een ander, minder ingrijpend, verdedigingsmiddel zou kiezen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding, zodat voldaan is aan de zogenaamde proportionaliteitseis.
Culpa in causa
Gedragingen van verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende.
Vastgesteld kan worden dat verdachte voor zijn eigen veiligheid een vuurwapen bij zich droeg toen hij naar het tankstation ging. Dit is naar het oordeel van de rechtbank echter niet van zodanig gewicht dat gezegd kan worden dat verdachte daarmee de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht dan wel de gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. Evenmin blijkt uit de snapchatberichten dat verdachte het aan zichzelf te wijten heeft dat hij in een situatie terecht is gekomen waarin hij zich moest verdedigen zoals hij heeft gedaan. Immers is daaruit te herleiden dat verdachte alleen maar een locatie heeft gestuurd om iemand te ontmoeten.
Naar het oordeel van de rechtbank is er in de onderhavige zaak dan ook geen sprake van culpa in causa.
Conclusie
De conclusie is dat het beroep op noodweer slaagt en dat het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit niet strafbaar is. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair ontslaan van alle rechtsvervolging, nu daaraan de wederrechtelijkheid ontbreekt.