ECLI:NL:RBNNE:2026:2641

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
18-234835-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 37b SrArt. 287 SrArt. 6:165 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid en oplegging tbs met dwangverpleging na bewezenverklaring doodslag en mishandelingen

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 7 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van doodslag op zijn moeder en twee mishandelingen. De rechtbank sprak verdachte vrij van moord en poging tot doodslag wegens gebrek aan bewijs van voorbedachten rade en opzet, maar verklaarde doodslag en mishandelingen wettig en overtuigend bewezen.

Uit een uitgebreid psychiatrisch onderzoek bleek dat verdachte leed aan schizofrenie en ten tijde van de feiten volledig psychotisch en daardoor volledig ontoerekeningsvatbaar was. De rechtbank ontsloeg verdachte daarom van alle rechtsvervolging, maar legde wel de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging op vanwege het hoge risico op recidive en de ernst van de feiten.

De rechtbank behandelde ook de civiele vorderingen van de benadeelde partijen. Ondanks de ontslag van rechtsvervolging verklaarde zij de benadeelden ontvankelijk en wees zij schadevergoedingen toe voor immateriële en materiële schade, met wettelijke rente. De schadevergoedingsmaatregel werd eveneens opgelegd om de positie van de slachtoffers te versterken.

De uitspraak benadrukt de ernst van het delict, het leed van de nabestaanden en de noodzaak van behandeling en beveiliging van verdachte. De rechtbank volgde de deskundigenrapporten en de wettelijke kaders nauwgezet in haar oordeel en maatregeloplegging.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid en krijgt tbs met dwangverpleging opgelegd; schadevergoedingen aan benadeelden worden deels toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-234835-25
ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18-056235-26 en 18-231080-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 juli 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Elzinga, advocaat te Groningen.
Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.G. Broekstra.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ten aanzien van parketnummer 18-234835-25, ten laste gelegd dat:
ten aanzien van parketnummer 18-234835-25:
hij op of omstreeks 7 september 2025 te Groningen opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven heeft beroofd, door met een scherp en/of puntig voorwerp en/of een mes veelvuldig in de hals en/of nek en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] te steken en/of te snijden;
althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 september 2025 te Groningen opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven heeft beroofd, door met een scherp en/of puntig voorwerp en/of een mes veelvudig in de hals en/of nek en/of in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] te steken en/of te snijden;
ten aanzien van parketnummer 18-056235-26:
hij op of omstreeks 1 april 2025 te Groningen
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] , van het leven te beroven,
-die [slachtoffer 2] (onverhoeds) van achteren (stevig) vast heeft gepakt en/of daarbij een arm om haar nek heeft gehouden en/of
-die [slachtoffer 2] een of meerdere klappen (met kracht) heeft gegeven op en/of tegen haar hoofd en/of haar nek en/of haar hals en/of
-die [slachtoffer 2] een of meerdere malen heeft gesneden en/of gestoken en/of geslagen met een scherp en/of puntig voorwerp en/of een mes en/of
- die [slachtoffer 2] daarbij heeft geraakt in of op haar lichaam en/of althans in haar hals en/of haar nek; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 april 2025 te Groningen
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
-die [slachtoffer 2] (onverhoeds) van achteren (stevig) vast heeft gepakt en/of daarbij een arm om haar nek heeft gehouden en/of
-die [slachtoffer 2] een of meerdere klappen (met kracht) heeft gegeven op en/of tegen haar hoofd en/of haar nek en/of haar hals en/of
-die [slachtoffer 2] een of meerdere malen heeft gesneden en/of gestoken en/of geslagen met een scherp en/of puntig voorwerp en/of een mes en/of
- die [slachtoffer 2] daarbij heeft geraakt in of op haar lichaam en/of althans in haar hals en/of haar nek; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 april 2025 te Groningen [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door
-die [slachtoffer 2] (onverhoeds) van achteren (stevig) vast te pakken en/of daarbij een arm om haar nek te houden en/of
-die [slachtoffer 2] een of meerdere klappen (met kracht) te geven op en/of tegen haar hoofd en/of haar nek en/of haar hals en/of
-die [slachtoffer 2] een of meerdere malen te snijden en/of te steken en/of te slaan met een scherp en/of puntig voorwerp en/of een mes en/of
- die [slachtoffer 2] daarbij te raken in of op haar lichaam en/of althans in haar hals en/of haar nek en/of haar hand;
ten aanzien van parketnummer 18-231080-25:
hij op of omstreeks 2 september 2025 te Groningen
[slachtoffer 3] heeft mishandeld, door met kracht te slaan en/of stompen in het gezicht en/of tegen de hals, althans tegen het lichaam.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het onder parketnummer 18-234835-25 primair ten laste gelegde en veroordeling gevorderd voor het onder parketnummers 18-234835-25 subsidiair, 18-056235-26 primair en 18-231080-25 ten laste gelegde.
In het bijzonder heeft zij ten aanzien van het onder 18-056235-26 primair ten laste gelegde aangevoerd dat er een aanmerkelijke kans op de dood bestond, waardoor verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, gelet op de onverhoedse aanval, de dynamische situatie die ontstond en het gebruik van het mes in een kwetsbaar deel van het lichaam (te weten: het halsgebied).
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder parketnummer 18-234835-25 primair en het onder 18-056235-26 primair ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder parketnummers 18-234835-25 subsidiair, 18-056235-26 subsidiair en 18-231080-25 ten laste gelegde.
Verdachte heeft het feit onder parketnummer 18-231080-25 ontkend.
Oordeel van de rechtbank
ten aanzien van parketnummer 18-234835-25:
De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsvrouw, het primair ten laste gelegde (moord) niet wettig en overtuigend bewezen, nu niet kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde (doodslag) wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;
een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 7 november 2025, opgemaakt door dr. B.G.H. Latten, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 645 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN2R025162 d.d. 7 mei 2026.
ten aanzien van parketnummer 18-056235-26:
De rechtbank acht het primair (poging tot doodslag) en subsidiair (poging tot zware mishandeling) ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet de bedoeling had om aangeefster te doden of anderszins letsel toe te brengen. Hij wilde iets terugdoen bij de entiteit die hem kwelde. Volgens verdachte bestonden er geen individuen meer en waren alle mensen onderdeel van de entiteit. Hij heeft aangeefster aangevallen, omdat zij de eerste persoon was die hij tegenkwam nadat hij had besloten om iets terug te doen bij de entiteit.
Niet bewezen kan worden dat er bij verdachte sprake was van vol opzet op de dood van aangeefster of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal daarom beoordelen of bewezen kan worden dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het doden van of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood of zwaar lichamelijk letsel - aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels
aanmerkelijk is te achten.
Uit de aangifte volgt dat aangeefster plotseling stevig van achteren werd vastgepakt en dat zij vervolgens overal op haar hoofd werd geslagen. Daarna voelde zij een scherpe pijn achter haar linkeroor en daarna een scherpe pijn rechts onder haar kaak, ter hoogte van haar nek. Even later zag zij bloed in haar halsstreek. Uit de ontslagbrief van de traumachirurg aan de huisarts van dezelfde dag volgt dat in de rechterzijde van de hals een wondje met een lengte van circa 1 centimeter is geconstateerd. Deze verwonding was alleen door de huid en was niet actief bloedend. Verder zijn er wonden, hematomen en bulten op de behaarde hoofdhuid geconstateerd. Over het steken heeft verdachte ter zitting expliciet verklaard dat hij aangeefster niet heeft
gestoken, maar dat hij haar zonder kracht heeft
gesnedenin haar keelgebied.
Nu het letsel beperkt is gebleven tot oppervlakkige verwondingen en uit de verklaringen van aangeefster en verdachte niet kan worden afgeleid dat verdachte gericht en/of met kracht in de hals heeft gestoken dan wel gesneden, is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er een aanmerkelijke kans bestond dat aangeefster de aanval van verdachte met de dood zou bekopen of dat zij daar zwaar lichamelijk letsel aan zou overhouden. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling.
Wel acht de rechtbank het meer subsidiair ten laste gelegde (mishandeling) wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 23 juni 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik heb de vrouw die ik op 1 april 2025 op het Van Hallpad tegenkwam stevig vastgepakt en ik heb haar met een mes gesneden bij haar keel.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 april 2025, opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN2R025069 d.d. 11 februari 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Op 1 april 2025 liep ik over het voetpad bij de Van Hallbrug in Groningen. Ik werd ineens van achteren beetgepakt. Een arm ging om mijn nek heen en ik werd in de houdgreep gehouden. Ik kon geen kant op, hij had mij stevig vast. Ik voelde direct nadat ik in de houdgreep werd genomen dat ik overal op mijn hoofd werd geslagen. Dit ging met kracht. Dit deed pijn. Het was vaak, ik denk zeven tot tien keer. Ik voelde daarna een scherpe pijn achter mijn linkeroor, iets daarboven, en daarna een scherpe pijn rechts onder mijn kaak, ter hoogte van mijn nek. Toen ik op mijn werk kwam, voelde ik ineens pijn. Ik hield mijn hand bij mijn nek en zag dat er bloed aan zat. Ik heb nu pijn op mijn hoofd en de twee wonden doen op dit moment erg veel pijn.
3. Een schriftelijk bescheid, te weten een ontslagbrief van drs. [traumachirurg] (traumachirurg in [ziekenhuis] ) d.d. 1 april 2025, opgenomen op pagina 21 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:
Op 1 april 2025 werd mw. [slachtoffer 2] beoordeeld op de SEH van [ziekenhuis] . Lichamelijk onderzoek hals: rechter zijde een wondje van 1 cm lengte, alleen door de cutis. Secondary Survey:
Hoofd: wonden, hematomen of bulten op behaarde hoofdhuid.
ten aanzien van parketnummer 18-231080-25:
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 september 2025, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025237978 d.d. 3 september 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
Op 2 september 2025 was ik werkzaam als begeleider op locatie [adres] te Groningen. Ik begeleid hier meerdere bewoners waaronder [verdachte] (
de rechtbank begrijpt: [verdachte]). Terwijl de politie ter plaatse was, zag ik ineens dat [verdachte] met kracht een slaande beweging maakte. Ik voelde dat [verdachte] mij raakte. Toen [verdachte] mij raakte voelde ik direct een stekende pijn aan mijn rechterwang.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 september 2025, opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op 2 september 2025 ging ik met collegas naar [adres] te Groningen. Wij gingen naar de kamer van [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] met gebalde vuist een harde slag gaf op de kaak van begeleider [slachtoffer 3] . Ik zag dat hij dit met kracht deed. Ik zag dat de rechterkant van het gezicht van de begeleider rood uitsloeg.
Hoewel verdachte heeft ontkend dat hij aangever heeft geslagen, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van aangever en de twee verbalisanten die hebben verklaard dat zij het voorval hebben gezien. De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen het feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten onder parketnummers 18-234835-25 subsidiair, 18-056235-26 meer subsidiair en 18-231080-25 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
ten aanzien van parketnummer 18-234835-25:
hij op 7 september 2025 te Groningen opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven heeft beroofd, door met een scherp en/of puntig voorwerp en een mes veelvuldig in de hals en/of nek en/of in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] te steken en/of te snijden;
ten aanzien van parketnummer 18-056235-26:
hij op 1 april 2025 te Groningen [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door
  • die [slachtoffer 2] onverhoeds van achteren stevig vast te pakken en daarbij een arm om haar nek te houden en
  • die [slachtoffer 2] klappen met kracht te geven op haar hoofd en
  • die [slachtoffer 2] meerdere malen te snijden met een mes;
ten aanzien van parketnummer 18-231080-25:
hij op 2 september 2025 te Groningen [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door met kracht te slaan in het gezicht.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van parketnummer 18-234835-25: doodslag;
ten aanzien van parketnummer 18-056235-26: mishandeling; ten aanzien van parketnummer 18-231080-25: mishandeling.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten verdachte niet kunnen worden toegerekend, zodat hij daarvoor niet strafbaar is en van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich met voornoemd standpunt van de officier van justitie verenigd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportage pro Justitia d.d. 13 april 2026, opgemaakt door
A.H. Bouwman (GZ-psycholoog) en T.W.D.P. van Os (psychiater), beiden
verbonden aan het Pieter Baan Centrum. Het onderzoek heeft zich enkel gericht op het ten laste gelegde feit onder parketnummer 18-234835-25. De conclusie van dit rapport luidt onder andere dat verdachte lijdt aan de psychische stoornis schizofrenie. De deskundigen hebben voorts geconcludeerd dat deze stoornis ook bij verdachte aanwezig was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde onder parketnummer 18-234835-25 en dat deze stoornis zijn gedragskeuzes en gedragingen op dat moment volledig beïnvloedde. De deskundigen hebben deze conclusies als volgt toegelicht:
Bij verdachte is sprake van massieve, ontregelende psychopathologie, die zijn perceptie van de hem omringende werkelijkheid voortdurend sterk beïnvloedt. Het hem ten laste gelegde onder parketnummer 18-234835-25 kende achteraf gezien een lange aanloop van in ieder geval twee jaar, waarin - door toenemende angst - ook agressieve gedragingen op de voorgrond kwamen te staan. Uit de collaterale informatie blijkt dat verdachte de voorgaande twee jaren toenemend verward werd, voor hem angstaanjagende dingen zag die anderen niet zagen en ging zwerven.
Een aantal dagen voor het ten laste gelegde onder parketnummer 18-234835-25 mishandelde hij een mannelijke begeleider van de instelling, toen deze hem een time-out van het wonen bij [instelling 2] aanzegde. Verdachte vond dat de begeleider loog en was boos hierover. Moeder en de begeleider waren voornemens de zorg voor verdachte na de time-out voort te zetten. Verdachte ervaarde dat zijn moeder niet duidelijk zijn kant koos en dat zij hem wilde terugsturen “naar die plek, waar er geen hoop was”. Hij was ervan overtuigd dat ook zij onderdeel was van die “entiteit” en dat zij en veel mensen om hem heen zijn gedachten konden horen. Hij ervaarde een verregaand gebrek aan privacy, had intrusieve belevingen, hetgeen hoogoplopende emoties teweegbracht.
Verdachte was tijdens het audiovisuele verhoor op 9 september 2025, twee dagen na het ten laste gelegde, evident psychotisch. Gezien het ernstige en sinds lange tijd bestaande psychotische beeld, zowel in de aanloop naar als direct na het ten laste gelegde, kan niet anders dan worden geconcludeerd dat verdachte ook tijdens het ten laste gelegde ernstig psychotisch moet zijn geweest.
In het ten laste gelegde werkt de beschreven psychopathologie geheel door. Bij verdachte is chronisch sprake van een verstoorde realiteitstoetsing, leidend tot een verstoord beeld van zichzelf en de ander, een verstoord begrijpen van de daadwerkelijke betekenis van zijn handelen (oordeel- en kritiekstoornis) en van ontregeling van emoties en gedrag. Binnen de allesomvattende psychotische ontregeling is sprake van hoogoplopende gevoelens van angst en boosheid met als gevolg dat de regulatiemechanismen om agressieve impulsen te kunnen controleren bij hem sterk onder druk komen te staan.
Ten tijde van het ten laste gelegde was er sprake van een opvlamming en versterking van onderliggende, door psychose bepaalde thema's, zoals complotten, angst, eenzaamheid, en gevoelens van afwijzing of verlating door anderen (ook zijn moeder). Woede en zelfbeeld speelden daarbij een prominente, zij het ernstig verstoorde, rol. Wat de trigger is geweest is niet duidelijk, maar duidelijk is wel dat deze op een psychotische bodem landde.
Verdachte was weliswaar in staat om de ongeoorloofdheid van het ten laste gelegde in te zien, maar was niet in staat om zijn wil in vrijheid te bepalen. De deskundigen zijn dan ook van oordeel dat zijn handelen volledig gestuurd werd door zijn niet op de realiteit gestoelde bizarre en ernstig psychotische belevingswereld en ontregeling van emoties, terwijl de weging van de aard van zijn handelen eveneens verstoord is door zijn op de voorgrond staande ernstige oordeels- en kritiekstoornissen.
De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over en concludeert ook ten aanzien van parketnummers 18-056235-26 en 18-231080-25 dat de vastgestelde ernstige psychotische stoornis in het kader van de vastgestelde schizofrenie volledig heeft doorgewerkt in die feiten, mede gelet op de door de deskundigen beschreven ernst van de psychopathologie en de aanloop van tenminste twee jaren waarin angst, agressieve gedragingen en verwardheid steeds meer op de voorgrond kwamen te staan.
De rechtbank concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte niet kan worden toegerekend.
De rechtbank acht verdachte derhalve niet strafbaar ten aanzien van alle bewezen verklaarde feiten en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

Motivering van de maatregel

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, conform het advies van de deskundigen, gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege dient te worden opgelegd.
Oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft op 7 september 2025 zijn moeder op gruwelijke wijze om het leven gebracht, door haar meerdere malen met messen en andere scherpe voorwerpen te steken. Verdachte was ernstig psychotisch en dacht dat zijn moeder zich tegen hem had gekeerd, terwijl zij zich juist om verdachte bekommerde en zich inzette om de juiste zorg voor verdachte te krijgen. Verdachte heeft hiermee zijn eigen moeder het meest fundamentele recht, namelijk het recht om te leven, ontnomen.
Het onherstelbare leed en verdriet dat verdachte de familie en andere naasten van het slachtoffer daarmee heeft aangedaan is enorm. Dit is op de zitting door verschillende nabestaanden ook indringend verwoord.
De rechtbank beseft dat niet alle nabestaanden zich kunnen vinden in de adviezen van de deskundigen om te komen tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid en de oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling. De rechtbank overweegt dat zij zich wel kan vinden in de conclusies van de deskundigen, nu deze voorzien zijn van een heldere en uitgebreide onderbouwing en de rechtbank geen aanleiding ziet om aan de inhoud hiervan te twijfelen.
De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna ook: tbs-maatregel) met verpleging van overheidswege opleggen wegens de bewezen verklaarde doodslag onder parketnummer 18-234835-25. Om een dergelijke maatregel op te leggen moet aan verschillende voorwaarden zijn voldaan, die de rechtbank hierna zal bespreken.
De tbs-maatregel kan alleen worden opgelegd wegens een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het door verdachte begane feit onder parketnummer 18-234835-25 betreft doodslag, waarop een gevangenisstraf van maximaal 25 jaren is
gesteld. De maatregel kan dus worden opgelegd wegens dit feit. De rechtbank overweegt dat de maatregel niet kan worden opgelegd wegens de twee bewezen verklaarde mishandelingen, nu dit feiten betreffen waarop een gevangenisstraf van maximaal drie jaren is gesteld.
Blijkens de hiervoor al genoemde pro-Justitiarapportage bestond bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van de psychische stoornis schizofrenie.
Verder eist de algemene veiligheid van personen de oplegging van de tbs-maatregel, en is de rechtbank van oordeel dat verdachte van overheidswege moet worden verpleegd (ook wel genoemd: dwangverpleging), omdat de algemene veiligheid van personen de verpleging eist. De rechtbank heeft dit oordeel gegrond op de hiervoor genoemde pro-Justitiarapportage. Dit advies houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:
Zowel op de klinische inschatting als op de risicotaxatie-instrumenten wordt een hoog risico ingeschat op gewelddadig gedrag in de toekomst zowel ten aanzien van hem bekende als onbekende personen, en kunnen er geen beschermende factoren worden geïdentificeerd. Dit risico hangt geheel samen met de aard en ernst van de psychopathologie.
Onderzoekers adviseren - gezien de beschreven ernstige psychopathologie, de volledige doorwerking hiervan in het hem ten laste gelegde en het hoge risico op recidive in gewelddadig gedrag - om aan verdachte een verplichte behandeling op te leggen, teneinde het risico op gewelddadig gedrag duurzaam te verlagen. Binnen een behandeling dient primair gefocust te worden op behandeling van de psychotische stoornis, middels antipsychotische medicatie. Wanneer verdachte deze niet vrijwillig wil nemen, is dwangmedicatie aan de orde. Bij afname van psychotische symptomen is de inschatting van onderzoekers dat verdachte minder angst en onveiligheid zal ervaren, hij niet of minder de overtuiging zal hebben dat anderen zijn gedachten lezen/ hem uitdagen, hetgeen in direct verband staat met (afname) de delictgevaarlijkheid. Er is bij verdachte thans sprake van een gebrek aan ziektebesef en -inzicht zodat de motivatie om zich te conformeren aan een - ter reductie van de risico's - noodzakelijke behandeling extern moet worden aangestuurd en om die reden wordt ingeschat dat een behandel-/ begeleidingstraject van enkele jaren nodig is. Het duurt vermoedelijk lang voordat hij stabiliseert omdat hij al langere tijd psychotisch is en daardoor moeilijker behandelbaar, en het is nog onduidelijk in hoeverre de psychose geheel zal verdwijnen.
Onderzoekers adviseren om aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Alleen deze maatregel geeft voldoende garantie om het gevaar terug te dringen en behandeling en resocialisatie te realiseren. Onderzoekers hebben overwogen of behandeling in een minder stringent kader mogelijk is teneinde het recidivegevaar tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen, maar zien hiertoe vanwege het gebrek van verdachte aan ziekte-inzicht en behandelmotivatie, gecombineerd met de hoge kans op gewelddadig gedrag, geen mogelijkheden.
De rechtbank kan zich met de inhoud en de conclusies van de adviezen verenigen en neemt deze over.
Nu deze maatregel wordt opgelegd wegens het plegen van doodslag, een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, is de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd.
Benadeelde partijen
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[benadeelde 1] , tot een bedrag van 40.000,-- ter zake van immateriële schade, bestaande uit 20.000,-- ter vergoeding van affectieschade en 20.000,-- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
[benadeelde 2] , tot een bedrag van 40.000,-- ter zake van immateriële schade, bestaande uit 20.000,-- ter vergoeding van affectieschade en 20.000,-- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
[benadeelde 3] , tot een bedrag van 37.500,-- ter zake van immateriële schade, bestaande uit 17.500,-- ter vergoeding van affectieschade en 20.000,-- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
[slachtoffer 2] , tot een bedrag van 2.957,95 ter zake van materiële schade en
28.500,-- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen kunnen toegewezen, met dien verstande dat de immateriële schade ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] dient te worden gematigd tot 20.000,--, met in alle gevallen toewijzing van wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk moet worden verklaard in hun vordering, gelet op het feit dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens zijn volledige ontoerekeningsvatbaarheid.
Subsidiair heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , en heeft de raadsvrouw ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] zich op het standpunt gesteld dat deze ten aanzien van de materiële en immateriële schade gematigd moet worden, zoals hierna ook bij de bespreking van de vordering wordt weergegeven.
Oordeel van de rechtbank
Ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in hun vorderingen
Zoals hiervoor is overwogen wordt verdachte ten aanzien van alle feiten ontslagen van alle rechtsvervolging omdat de feiten hem niet kunnen worden toegerekend.
Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te stellen dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen omdat het civiele recht zich daartegen verzet, passeert de rechtbank dit verweer op grond van art. 6:165 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
Op grond van artikel 361, lid 2 aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna ook: Sv), is de benadeelde partij ontvankelijk in haar vordering, indien - kortgezegd - aan verdachte een straf of maatregel is opgelegd, een zorgmachtiging of rechterlijke machtiging is afgegeven of indien toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Indien verdachte dus is ontslagen van alle rechtsvervolging, is er nog wel een mogelijkheid om de vordering van de benadeelde partij ontvankelijk te verklaren.
De rechtbank stelt vast dat aan verdachte ten aanzien van parketnummer 18-234835-25 de tbs-maatregel zal worden opgelegd. De benadeelde partijen ten aanzien van dit parketnummer zijn in zoverre ontvankelijk in hun vordering.
De rechtbank stelt verder vast dat de tbs-maatregel niet zal worden opgelegd ten aanzien van parketnummer 18-056235-26, nu het bewezen verklaarde feit (te weten mishandeling) niet een feit betreft op grond waarvan de tbs-maatregel kan worden opgelegd. Daarnaast is ook geen sprake van een andere in artikel 361, lid 2 aanhef en onder a, Sv genoemde ontvankelijkheidsvoorwaarde. Dit zou betekenen dat benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard in haar vordering.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat niet alleen gekeken dient te worden naar de tekst van de wet, maar ook naar de bedoeling van de wetgever. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op de in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering nieuwe toevoeging van een artikellid aan de regeling van de ontvankelijkheid van de benadeelde partij. In de wetsgeschiedenis wordt over dat nieuwe artikellid het volgende opgemerkt.
Dit artikellid voegt aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden nog twee toe. Deze ontvankelijkheidsvoorwaarden zijn algemeen, dat wil zeggen dat zij gelden voor alle benadeelde partijen, dus ongeacht of de voeging is gebaseerd op artikel 1.5.10, eerste lid, op artikel 1.5.10, tweede lid dan wel op artikel 1.5.12. Vergelijkbare ontvankelijkheidsvoorwaarden zijn thans opgenomen in artikel 361, tweede lid.
Dit lid bepaalt dat de benadeelde partij alleen ontvankelijk is in haar vordering indien: (a) de verdachte wordt veroordeeld dan wel met toepassing van artikel 39 Wetboek Pro van Strafrecht wordt ontslagen van rechtsvervolging en (b) de gevorderde schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit of door een strafbaar feit waarvan in de oproeping is vermeld dat de officier van justitie het op de terechtzitting ter sprake wenst te brengen en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekening is gehouden. De formulering van deze ontvankelijkheidseisen verschilt op beide onderdelen van die van artikel 361, tweede lid. Daar wordt onder a als eis geformuleerd dat aan de verdachte enige straf of maatregel is opgelegd dan wel artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht is toegepast. Die formulering maakt het mogelijk om de verdachte die niet wordt veroordeeld, maar die op grond van artikel 39 Wetboek Pro van Strafrecht wordt ontslagen van rechtsvervolging in het strafproces tot schadevergoeding te veroordelen, mits aan die verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling is opgelegd. Die laatste eis mist echter goede grond.
Ontoerekeningsvatbaarheid vormt naar burgerlijk recht geen grond voor afwijzing van de vordering. Daarbij is niet van belang of aan de gedaagde in een eventueel strafproces een maatregel is of wordt opgelegd. Waarom de toewijzing van de vordering daarvan wel afhankelijk moet zijn als die vordering gevoegd wordt behandeld in het strafproces, valt niet goed in te zien.
De rechtbank ziet reden te anticiperen op de nieuwe ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 361 Sv Pro. Zij merkt daarbij op dat deze verruiming van de ontvankelijkheid van benadeelde partijen niet omstreden is in de politiek, en dat het in de kern om een civiel onderdeel (onrechtmatige daad) in strafvordering gaat en dat dan een anticiperende interpretatie voor de hand ligt, tenzij er zwaarwichtige redenen zijn niet te anticiperen. De rechtbank ziet in deze zaak geen zwaarwichtige redenen.
Het voorgaande leidt ertoe dat ook de benadeelde partij [slachtoffer 2] ontvankelijk is in haar vordering en dat de rechtbank de vordering dan ook inhoudelijk zal beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] (parketnummer 18-234835-25)
De vorderingen zijn alle drie opgebouwd uit de posten shockschade, ter hoogte van 20.000,--, en affectieschade, ter hoogte van respectievelijk 20.000,--, 20.000,-- en 17.500,--.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partijen de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder genoemd parketnummer bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 september 2025.
Inhoudelijke beoordeling van de vordering van [slachtoffer 2] (parketnummer 18-056235-26)
Ten aanzien van de materiële schade is de vordering opgebouwd uit de volgende posten:
  • 125,-- (kleding)
  • 385,-- (eigen risico in verband met ambulancevervoer)
  • 1.045,-- (kosten psycholoog, niet vergoed door de zorgverzekeraar)
  • 1.180,-- (kosten psycholoog, toekomstige behandelingen)
  • 114,65 (kosten opstellen verklaring psycholoog, ter vaststelling van de schade)
  • 44,94 (reiskosten naar het politiebureau)
  • 62,86 (reiskosten naar de psycholoog)
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden, waarbij de rechtbank het schadebedrag voor de kleding zal matigen en de reiskosten naar het politiebureau zal afwijzen, zoals hierna wordt besproken.
De verdediging heeft verzocht de gevorderde schade ten aanzien van de kleding af te wijzen omdat een voldoende concrete onderbouwing zou ontbreken en de rechtbank terughoudend om dient te gaan met schatting van de kosten. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij schade heeft geleden. Nu onduidelijk is wat de precieze aankoopprijs, de aankoopdatum en de staat van de kledingstukken is geweest, schat de rechtbank de hoogte van de schade ten aanzien van de jas en de trui samen op 50,--. De rechtbank zal de vordering op dit onderdeel tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen.
De rechtbank zal voorts, zoals door de verdediging is verzocht, de reiskosten afwijzen die zien op de ritten naar het politiebureau voor het doen van aangifte, het afleggen van een nadere verklaring en het afstaan van DNA-materiaal. Hoewel de kosten naar het oordeel van de rechtbank kunnen worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (art. 6:96 lid 2 aanhef Pro en onder b Burgerlijk Wetboek), kunnen deze ook worden aangemerkt als proceskosten. Op grond van de artikelen 238 en 241 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, kunnen in dat geval enkel de reiskosten als proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen, mits benadeelde partij zonder gemachtigde procedeert. Nu dit laatste niet het geval is, moet de vordering op dit onderdeel worden afgewezen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de hoogte van de schade te matigen tot 20.000,--.
De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18-056235-26 bewezen verklaarde. De vordering zal daarom tot een bedrag van 22.837,51 worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 april 2025.
Schadevergoedingsmaatregelen en veroordeling in de kosten
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank ten aanzien van iedere benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank overweegt in het bijzonder ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] dat de tekst van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr) het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel niet lijkt toe te staan. De vereisten voor de schadevergoedingsmaatregel corresponderen in die zin met die van de ontvankelijkheid van de benadeelde partij.
Indien de rechtbank deze grammaticale interpretatie van artikel 36f Sr zou volgen dan zou de benadeelde partij de door de rechtbank toegewezen civiele schade zelf bij verdachte moeten verhalen. In dat geval lopen de ontvankelijkheidseisen van artikel 361 Sv Pro en de eisen van artikel 36f Sr uit elkaar. De strekking van de artikel 36f Sr is de positie van het slachtoffer te versterken door herstel van de rechtmatige toestand. Daarmee strookt dat ten aanzien van een in het strafproces toegewezen civiele vordering de schadevergoedingsmaatregel moet kunnen worden opgelegd. De rechtbank ziet hierin aanleiding de schadevergoedingsmaatregel ingevolge artikel 36f Sr op te leggen.
Gelet op de omstandigheid dat verdachte ontoerekeningsvatbaar is verklaard voor beide bewezen strafbare feiten waarvoor schade is toegewezen, zal de rechtbank de vervangende gijzeling op nihil vaststellen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de desbetreffende vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummers 18-234835-25 primair en 18-056235-26 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder parketnummers 18-234835-25 subsidiair, 18-056235-26 meer subsidiair en 18-231080-25 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verdachte daarvoor niet strafbaar.
Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.
Ten aanzien van parketnummer 18-234835-25:
Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Ten aanzien van parketnummer 18-234835-25:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan
[benadeelde 1]te betalen:
  • het bedrag van 40.000,-- (zegge: veertigduizend euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 40.000,-- (zegge: veertigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van parketnummer 18-234835-25:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan
[benadeelde 2]te betalen:
  • het bedrag van 40.000,-- (zegge: veertigduizend euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening;
- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 40.000,-- (zegge: veertigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van parketnummer 18-234835-25:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan
[benadeelde 3]te betalen:
  • het bedrag van 37.500 (zegge: zevenendertigduizend vijfhonderd euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 37.500 (zegge: zevenendertigduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van parketnummer 18-056235-26:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan
[slachtoffer 2]te betalen:
  • het bedrag van 22.837,51 (zegge: tweeëntwintigduizend achthonderdzevenendertig euro en eenenvijftig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 22.837,51 (zegge: tweeëntwintigduizend achthonderdzevenendertig euro en eenenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 2.837,51 aan materiële schade en 20.000,-- aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. H. van der Werff en
mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door mr. B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.
Mr. Van der Werff is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.